[p.101]
Een heyden (wat een schand'!) een rouwen heyden minnen,
Een heyden sonder Doop, die niet en heeft geleert,
Hoe dat men God den Soon met reyne sinnen eert!"
"Met oorlof," seit de maeght, "hoort my een weynigh spreken;
1350 Ick weet van stonden aen uw droef heyt af te breken:
De vrient, aen my vertrout 1), en is geen heydens man,
Maer die in volle daet de Christenleere kan.
Hy is noch boven dat van edel bloet geboren,
En heeft my, soo ick was, uyt enckel min gekoren.
1355 En wat na dit geval noch vorder is geschiet,
En seyd' ick, na den eysch, den ganschen avont niet 2)."
Majombe nam het woort, en gaet de man vertellen,
Hoe dat de jongelingh quam onder haer gesellen,
Hoe dat hy synen staet en vaders huys verliet,
1360 Vermits hem syn gemoet tot Preciose riet.
Hoe dat hy nevens haer alreede lange dagen
Had vorst, en heete son, en alle leef gedragen;
En dat dit al gelijck 3) maer was een kleyn begin,
Een proef en ondersoeck van syn getrouwe min;
1365 Dat hy geen dertel spel de vrijster mochte vergen,
Noch met ongure jock haer teere sinnen tergen,
En dat hy door de lust noyt op en was gevat 4),
Maer dat hy sich in all's met eer gequeten had.
In 't korte, dese vrou verhaelt in lange reden
1370 Al wat de jongh gesel voor desen heeft geleden;
Soo datse voor het lest ten vollen openbaert,
Hoe dat syn Ridders kleet bij haer noch is bewaert.
Dit vat de Lant-vooght op 5), en, sonder langh te dralen
1) verloofd 2) kan ik van avond niet allemaal behoorlijk
vertellen 3) evenzeer 4) beheerscht 5) slaat ... acht op
[p.102]
Laet stracx 1) het rijck gewaet daer in de kamer halen:
1375 Het wijf dat gaet'er om soo vaerdigh alsse magh;
Siet, dus komt op het lest de waerheyt aen den dagh,
De Lant-vooght onderdies gaet Preciose vragen
Op al den omme-gangh van hare jonge dagen,
Op al des werelts loop, en hoe haer dit beviel,
1380 En wat sy des gevoelt ontrent haer jonge ziel.
Sy antwoort overal met soo besette 2) reden,
Met soo een goet bescheyt en in soo volle leden 3),
Dat (soo de jonge maeght syn dochter niet en waer)
Hy streckte voor gewis de sinnen over haer 4).
1385 Hy vont sich in den geest van hare min bevangen,
En bleef aen haer verstant en hare schoonheyt hangen;
Maer nu het geestigh dier als dochter hem bestont,
Soo is hy gansch verheught tot in syns hertens gront;
En t'wijl de man aldus in blijdschap is geseten,
1390 Soo komt het oude wijf en brenght een gouden keten,
En brenght het hant-cieraet, en wat den jongelingh
Te voren om den hals of aen de leden hingh.
Als dit de Lant-vooght siet, en hoort den Ridder noemen,
En weet van wat geslacht dat hy is af-gekoemen 5),
1395 Gevoelt hy ander-mael, dat syn beswaerden druck
Is, door des Heeren gunst, verandert in geluck.
Hy danckt God ander-mael met al de gansche sinnen,
Dat soo een Edelman syn dochter gingh beminnen,
En dat syn trouwe gunst noyt eens in hem verdween,
1400 Schoon dat de jonge maeght een heydens dochter scheen.
Dit heeft terstont de Faem ten luytsten uyt-gekreten,
Sy liet het vreemt geval aen alle menschen weten;
1) dadelijk 2) overlegd 3) volledig 4) hij zijn keus
op haar zou vestigen 5) afgekomen
[p.103]
Oock aen de vrijster selfs 1), die aen den jongelingh
Voor desen hare ziel en gansche sinnen hingh.
1405 Die gaet daer aen de Wet 2) ten vollen openbaren,
Dat sy, eylaes! vervoert van hare groene jaren;
Vermits de jongh gesel haer quale niet genas,
Hem hadde na-geseyt dat hy een roover was.
En schoon het selsaem luyt dat by 3) haer is bedreven,
1410 Het wort haer evenwel in volle daet vergeven;
Andreas sprack'er voor, de Lant-vooght nam het aen,
Dies mochtse sonder straf en vreedsaem henen gaen.
't Was al te blijden dagh, geen mensch en mochte treuren,
Daer magh niet als vermaeck en soete vreught gebeuren.
1415 De man-slagh wort versoent, de ridder vry gestelt,
En alle die het raeckt ontfangen machtigh gelt.
De banden, die den helt benaeuden aen de leden,
Die worden los gemaeckt of vaerdigh af-gesneden;
En voor het duyster hol, dat hem gevangen hout,
1420 Soo komt hy voor den dagh geciert met enckel gout.
Syn vader wiert terstont daer in de stadt beschreven 4),
En die heeft metter daet sich op de reys begeven,
Die komt in haesten aen, verheught en wel gesint,
Vermits hy synen soon soo wel verselschapt vint.
1425 Daer is geen edel geest die oyt heeft leeren dichten *),
Of hy valt aen het werck met alle syn gewrichten:
Al wat of spits vernuf, of kunste geven magh,
Dat koomt om desen tijt ten vollen aen den dagh.
Men hoort door al de stadt, door alle groene velden,
1430 En door het gansche Rijck van desen handel melden,
De snelle weder-klanck die roept'et in het Wout,
En al de werelt juyght, dat Preciose trout.
1) zelf 2) overheid 3) door 4) geroepen
*) ~Noot van Cats~: Den vermaerden schrijver doctor
_Pozzo_, wort gesey in 't Spaens dese historie beschreven
te hebben. (Zie evenwel de inleiding.)
[p.104]