[p.95]
Majomb' hout onderdies haer sinnen op-getogen 1),
En woegh haer droeven stant met al haer gansch vermogen,
Sy rijst ten lesten op, en seyt: "Eerwaerde vrou,
My dunckt ick weet behulp voor desen swaren rou.
Wilt ghy een kleynen tijt hier uyte zael vertrecken,
Ick sal u metter daet een wonder stuck ontdecken,
1175 Hoort my een woort alleen, hoort wat ick seggen sal,
Ghy sult een eynde sien van dit bedroeft geval."
Majombe sonder meer begaf haer uyter zalen,
En gingh van stonden aen een aerdigh doosjen halen;
En alsse weder quam daer Giomara stont,
1180 Soo knieltse vaerdigh neer, en opent haren mont:
"Vergeeft my," seyt het wijf, "dat ick eens heb bedreven,
En dat ick nu ter tijt u wil te kennen geven,
Of soo ick na de wet ben waerdigh harde straf,
Soo geeft my aen den beul, en sent my naer het graf.
1185 Ick sal, hoe dat'et gaet, de rechte waerheyt spreken,
Ghy mooght aen desen romp uw leet en droefheyt wreken;
Ick sal tot aller stont verdragen met gedult
Wat ghy my voor verdriet hierom doen lijden sult.
Het is nu dertien jaer, of luttel min geleden,
1190 Dat ick mijn reyse nam door al de Spaensche steden,
En door het platte lant, ick sochte mijn bejagh,
Tot dat ick in Madril een aerdigh meysjen sagh,
Een kint nau twee jaer out behangen met juweelen,
Daer ick, na mijn verstant, behoorde van te deelen 2),
1195 De voedster, soo ick sagh, die stont daer op de straet,
Met seker kamer-maeght verwerret 3) in de praet.
1) ingespannen 2) waar ieder van ons zijn deel van moest
hebben 3) verdiept
[p.96]
Ick greep het jonge schaep, en sonder lange dralen
Soo reysd' ick inder haest in onbekende palen:
En als ick was ter plaets daer ick my seker vont,
1200 Doen leyd' ick in beraet, wat my te plegen stont.
Ick had eens vast gestelt (ick wil de waerheyt seggen)
Het kint, van all's ontbloot, tot vondelingh te leggen,
Om al syn rijck cieraet, en wat'et vorder had,
Te houden voor een roof, en als mijn eygen schat.
1205 Maer als ick recht doorsagh sijn geest en frissche leden,
Doen vond' ick mijn gepeys te strijden met de reden;
En daer op nam ick voor het meysjen op te voên,
Op hope dat'et ons eens voordeel mochte doen.
Ick heb'et dan besorght, ick heb'et laten leeren,
1210 Al wat te rechter tijt haer jonckheyt mocht vereeren,
Soo dat het geestigh dier veel schoone dingen kan,
En is, mijns oordeels, weert den besten Edelman.
Maer wat is quaet te doen! wat heb ick droeve slagen
Om dit ondeugend' werck in mijne ziel gedragen!
1215 Hoe was ick even staêgh gepijnight in den geest!
Wat heb ick niet gesorght 1)! wat heb ick niet gevreest!
Wat heb ick menighmael mijn herte voelen beven,
En drillen 2) als een riet van harden wint gedreven!
Ick schroomd', oock in den slaep, van haest te
[zijn beklapt 3),
1220 Of door een snegen Schout alreé te zijn betrapt.
Wel, ick ben des geleert, en hebbe voor-genomen,
Noyt in soo bangen praem 4) mijn ziel te laten komen;
Ick wil aen al ons volck en wie my raken magh,
Ontraden dit bedrijf en alle vuyl bejagh.
1225 Wel doen is rechte vreught; maer alle slimme gangen