[p.93]
(Dit sprack vrou Giomaer) aen ons gelaten had.
Maer, laes! nu is het kint in syne jonge dagen
Met listen wech-geruckt, en uyt'et lant gedragen.
1115 Constance, waerje zijt, of immer komen meught,
God zy door synen geest ontrent uw teere jeught."
De maeght gingh onderdies Me-vrou de handen kussen,
En bid haer evenstaêgh haer druck te willen blussen;
En t'wijl vrou Giomaer vast sit op haer en sagh 1),
1120 Ontsluyt het aerdigh dier aldus syn droef geklagh:
"Indien ghy, waerde vrou, hebt eenigh wel-behagen
In mijne teere jeught, soo hoort mijn angstigh klagen,
En mijn bedroefde stem. De goede Jongelingh,
Dien in het naeste dorp de Lant-drost heden vingh,
1125 Dat is mijn waerde vrient, in trou aen my gebonden,
Daer wort geen beter mensch in al het lant gevonden.
Al is de krijghsman doot het is syn eygen schult,
Hy bracht den vromen 2) helt tot enckel onverdult 3).
Hy sloegh hem met een vuyst dat hem de tanden bloeden,
1130 Soo dat syn edel hert hierom begon te woeden.
Hy is geen rouwe gast die oyt syn leven 4) stal,
Gelijck men metter tijt wel ondervinden sal.
Hy is een Edelman. Laet alles overwegen,
En ondersoeckt het stuck gelijck het is gelegen:
1135 Ghy sult met oogen sien, en tasten metter hant,
Dat niemant oyt bedrogh in al syn handel vant.
Soo dese jongelingh gedwongen is te sterven,
Soo moet ick van gelijck mijn jonge leven derven,
Mijn hert is al te weeck, mijn wesen al te teer,
1140 Als hy syn leven laet, wil ick geen leven meer.
Ick bid u, waerde vrou, met al de gansche leden,
1) naar haar zit te kijken 2) dapper 3) toorn 4) ooit
van zijn leven
[p.94]
Om uw verheven stam, om uw beleefde zeden,
Indien oyt soete min, indien oyt reyne vlam
In uwen geest ontstack, in uwen boesem quam;
1145 Soo slaet een gunstigh oogh op twee soo jonge menschen,
Die geensins hoogen staet of machtigh gelt en wenschen,
Maer poogen een te zijn in vreught en ongeval,
Tot dat de bleecke doot haer eenmael scheyden sal."
Met dat de jonge maeght haer reden heeft gesproken,
1150 Zijn haer met groot verdriet veel tranen uyt-gebroken,
Soo dat het siltigh nat een stroom, een gansche beeck,
En aen vrou Giomaer een stage vloet geleeck.
Sy dan, mits 1) dit geklagh, gevoelt haer gansch bewogen,
Gevoelt haer innigh hert als uyt het lijf getogen;
1155 Daer is, 'k en weet niet wat, dat haer de sinnen roert,
En dat haer angstigh hert geweldigh omme-voert.
Men siet in dit gepeys men siet haer oogen vlieten,
Soo dat haer in den schoot de druppels henen schieten.
De Lant-vooght onderdies komt treden in de zael,
1160 Verwondert dat hy sagh den druck van syn gemael:
En hier op komt de maeght hem vallen aen de voeten,
En gaet hem insgelijcx met droeve woorden groeten:
Sy weent, en bidt, en smeeckt, met soo een heuschen mont,
Dat hem de goede man al med' ontsteken vont.
1165 Hy kan, met alle kracht, syn tranen niet bedwingen,
Die hem, als tegen danck, op mont en wangen springen;
Hy staet geheel verbaest, hy staet een wijle stil,
Onseker wat hy doen, of wat hy laten wil.