[p.86]
Ick die een dochter ben van edel bloet geboren,
Heb u, door enckel gunst, voor alle mans verkoren.
915 Siet, dat de beste jeught voor desen heeft gesocht,
Wort u alleen gejont 1), en in den schoot gebrocht.
Ontfanght mijn rechter-hant, ontfanght mijn frissche leden,
Die ick in uw vermaeck na desen wil besteden,
Ontfanght mijn herte selfs, en stelt my buyten pijn,
920 En spreeckt een eenigh woort, en ick sal uwe zijn."
Andreas hoord'et aen, maer kon het geensins prijsen,
Dat uyt haer teeren mont soo vrije woorden rijsen.
O vrijsters, watje doet, siet datj'et niet en vraeght;
Want als een vrijster vrijt dat is te veel gewaeght.
925 "Me-Juffrou," seyt de man, "ick danck u duysent werven,
Mijn liefd' is eens geset, en daer in wil ick sterven;
Weet oock dat onder ons geen mensch en wert gepaert,
Als met ons eygen volck of een van onsen aert.
Uw gunste, niet te-min, die ghy my komt betoonen,
930 Die wensch ick dat u God ten vollen wil beloonen;
Doch, wat my raken magh 2), set elders uwen sin,
Mijn hert is u ontseyt, daer woont een ander in."
Gohanna met den slagh van soo een droeve reden,
Gevoelt een koude schrick haer trillen door de leden,
935 Gevoelt een diep verdriet; sy gaet ter zijden af,
Daer sy haer droef gemoet in dese klachten gaf:
"Wat ben ick voor een sloir? wat heb ick gaen beginnen?
Kan ick geen Heyden selfs bewegen om te minnen?
Och! God, wat hangt my uyt 3), dat ick geen schamel man
940 Met al dat ick besit tot mywaerts trecken kan?
Ben ick dan soo mismaeckt, soo leelick aen te schouwen,