1) overeenkomst 2) getier

[p.85]

Sijn oogh, sijn hoofsche tael, sijn wel-gemaeckte leden

Zijn anders in gestel 1) als oyt een Heyden plagh,

Of alsse daer ontrent een Heer of Ridder sagh.

885 Haer geest die wort beroert, haer sinnen om-getogen,

De loop van haer gepeys is buyten haer vermogen,

Sy voelt 'k en weet niet wat ontrent haer grilligh hert,

Sy voelt hoe dit gewoel allencxen grooter wert.

Wat sal de Juffer doen? Sy weet niet wat te maken,

890 Sy voelt een selsaem vier door al de leden blaken;

Dies als sy op een tijt den Ridder eensaem vont,

Soo opent sy aldus tot hem een heuschen mont:

"Bevallick Jongelingh, wat magh u doch bewegen,

Dat ghy tot desen hoop soo bijster zijt genegen?

895 Dat ghy by dit gespuys uw soete jeught verslijt?

Ey, geeft eens beter vreught aen uwen jongen tijt.

Gebruyckt uw geestigh lijf en dese schoone leden,

Daer ghy, tot uwer eer, die nutter sult besteden,

En soo ghy zijt geneyght te gaen met goet beleyt,

900 Ick weet een beter staet voor u alleen bereyt.

Hier zijn veel Edel-liên die my tot trouwen vergen,

Want ick heb over-al veel wijngaerts aen de bergen,

En bossen in het wout, en boomgaerts in het dal,

En ossen op het velt, en peerden in den stal,

905 En schapen op het schor 2), en geyten aender heyden,

En hinden in het perck, en koeyen in de weyden,

En knechten tot de jacht, en honden in het kot,

En voor mijn eygen huys een schoon en lustigh slot

In 't korte: machtigh goet. Magh ick u maer genieten 3),

910 Ick sal in uwen schoot geheele schatten gieten,

Dit wout, dit vruchtbaer lant, soo ver uw oogen sien,

Dat sal u eygen zijn, en ick noch boven dien.

Jacob Cats · 第 62 / 86 题