1) dartel 2) ernstig 3) trek 4) de vroegere tijden

[p.78]

675 Wat is'er doen ter tijt, wat is'er al bedocht,

Om by een geestigh dier te vinden dat men socht?

Jupijn, wel eer geseyt de grootste van de Goden,

Is uyt syn hoogen troon tot in het wout gevloden,

En heeft daer aen-gedaen het wesen van een stier,

680 Of van een wilde swaen, of ander selsaem dier.

Heeft niet Alcmenaes soon 1), die monsters had verwonnen,

Den spin-rock aen-gevaert, en als een wijf gesponnen,

En vry al meer gedaen dat noyt een deftigh man,

Bezijden dit geval, ter eeren duyden kan?

685 Hoe menigh edel vorst, een kroon gewoon te dragen,

Is inder haest verruckt 2) door heete minne-vlagen,

Niet door een hoofsche maeght, of groote Koningin,

Maer, ick en weet niet hoe, een sloir, een Harderin?

Daer is, men weet niet wat, in onsen geest verholen,

690 En doet al menighmael de wijste lieden dolen,

Het brenght hen in den geest een aengename pijn,

En seyt: "Dat Gode voeght wien kan het schande zijn?"

Soo haest het groote licht de sterren heeft verdreven,

Soo gaet de Jongelingh sich op den wegh begeven,

695 Hy vint het oude wijf, hy vint de jonge meyt

Ter plaetse daerse bleef en daer het was geseyt.

Hy viel, terwijl hy gaat, in veelderley gedachten,

Die hem syns vaders huys vry hooger deden achten,

Die hem van nieuwen aen gaen brengen in den sin,

700 Syn vremde dwepery en noyt bekende 3) min.

Dies valt hy in beraet: of hy sal weder keeren,

Dan of hy syn gemoet sal laten overheeren

En, siet, de reden wan, de vremde liefde weeck,

En, soo het schijnen mocht, syn eerste lust besweeck.

Jacob Cats · 第 56 / 86 题