1) langs de wegen 2) aanzoek 3) smaad

[p.77]

Ghy vint het even daer, en dan oock edel bloet;

645 Ghy vint'et altemael, en wat'er is te wenschen,

Treckt maer uw grilligh 1) oogh van dees ongure menschen,

Gaet, kiest dat u betaemt, en trouwt met uws gelijck;

Ghy vint tot uw gerief het gansche Koninghrijck.

Maer wat magh ick, och arm! mijn jonge sinnen quellen,

650 En mijn ellendigh hert in dese prangen stellen?

Ick sie het klaer genoegh wat dienstigh is gedaen,

Maer wie kan in de jeught syn tochten wederstaen?

Ick prijse reyne tucht en alle goede zeden,

Maer ick en kan de lust niet buygen na de reden:

655 Al ben ick met de jeught gedurigh in geschil,

Ick worde wech-geruckt oock daer ick niet en wil.

Ick word', eylaes! vervoert, en schoon ick wil het weren,

Ick rake buyten spoor oock tegen mijn begeren.

Het vleesch is wonder sterck, en 't is een deftigh 2) man,

660 Die hier het velt behout en meester blijven kan.

Ick gae dan wederom, ô schoone Preciose,

Mijn hert vermagh het niet dat ick een ander kose;

Ick ben in dat gepeys te verre wech geleyt,

Ick hael 3) het weder in al wat ick heb geseyt.

665 Soo haest uw geestigh oogh, uw soet en aerdigh wesen

Koomt als een helle son in mijnen geest geresen,

En dat ick sie den glans van uw beleeft gelaet,

Dan is'et sonder kracht al wat u tegen gaet.

Geen mensch kan immermeer in desen my beschamen,

670 Als of soo slechten maeght my niet en sou betamen,

En dat mijn grilligh hert hier sonder reden malt,

Vermits mijn rouwe jeught hier in te lage valt.

Ey, draeyt doch eens het oogh, en siet na d'oude jaren 4),

Het stuck dat sal gewis sich anders openbaren;

Jacob Cats · 第 55 / 86 题