1) onsamenhangend

[p.76]

"Eylaes! wat gaet my aen aldus te liggen mallen,

En op soo lagen plaets mijn oogh te laten vallen,

615 Mijn oogh, mijn dertel oogh, mijn ongetoomde lust,

Die niet aen dese kant en dient te zijn geblust?

Sal ick mijn edel huys, mijn staet, en eere laten,

En met soo vuylen hoop gaen loopen achter straten 1),

Gaen loopen door het Rijck, en menigh ander lant,

620 Alleen maer uyt een tocht van geyle minne brant?

Sal ick, een Christen mensch, tot Heydens my begeven,

En leyden nevens haer een rou en beestigh leven?

Sal ick een macker zijn van desen vuylen hoop,

Een smaet van onsen God, en van den reynen doop?

625 Sal ick mijn naeste bloet tot mijnen haet verwecken,

En door het gansche Rijck mijn voorstel 2) doen begecken?

Sal ick de schande doen aen mijn vermaerde stam,

Dat ick een Heydens wijf in mijn geselschap nam?

Dat ick, als tot een spijt 3) van alle Christen-vrouwen,

630 Met soo een vuyl gebroet genegen ben te trouwen?

Neen neen, ô hoogh gemoet, en doet'et nimmermeer,

Let op uws vaders huys en op uw eygen eer.

Ghy hoeft voor u geen wijf by dit gespuys te soecken,

En maken dat het volck uw trouwen sal vervloecken.

635 Hier, in dees rijcke stadt, en in dit machtigh Hof,

Daer is tot uw gerief al vry bequamer stof.

Indien ghy zijt gepast met wel-gemaeckte leden,

Komt, als het uw bevalt, maer uyt uw huys getreden,

Daer woont de schoonheyt selfs, en dat in groot getal,

640 Daer u naeu-keurigh hert vernoegen vinden sal.

Indien ghy zijt vermaeckt met wel en net te spreken,

En dat oock evenselfs en sal u niet ontbreken.

Indien ghy gelt begeert, of anders machtigh goet,

Jacob Cats · 第 54 / 86 题