[p.75]
Ghy moest in volle daet, en niet in loosen schijn,
Een spot, gelijck als wy, van al de werelt zijn;
585 En dit al, goede vrient! om wel te mogen letten,
Of nut en dienstigh is u sin op my te setten;
En med' aen d'ander zy, of my oock dienen sou
Met u dit vry gemoet te binden aen de trou.
Siet dit is ons gebruyck, ick spreke sonder veynsen
590 Ghy, soo het u belieft, gaet op de sake peynsen;
Dit moet de proeve zijn van uwe liefde, vrient!
Of anders stelt het vast, dat ghy my niet en dient."
Soo haest de Ridder hoort het slot van dese reden,
Hem rilt een koude schrick door al de gansche leden.
595 Dies seyt hy: "Dit ontwerp dat ghy hebt voortgebracht,
Gaet verre soete maeght! en dient te zijn bedacht.
Ick wil met rijp beraet het stuck gaen overleggen,
En u in ronde tael mijn antwoort komen seggen,
En dat te deser plaets, en in dit eygen dal,
600 Soo haest de gulde son hier weder schijnen sal."
Daer mede breeckt hy af; vermits hy had vernomen,
Dat boven van den bergh syn jagers neder komen;
Die wenckt hy metter hant, soo dat het gansche rot
Met hem komt af-gedaelt tot aen syn Vaders slot.
605 Hier treet de Ridder in en, schoon dat al de knechten
Zijn besigh op een ry de schotels aen te rechten,
Hy des al niet-te-min onthout hem van den dis,
Vermits hy, soo het schijnt, geheel onlustigh is.
Hy sluyt syn kamer toe, en gaet een wijle treden,
610 Hy spreeckt tot syn gemoet, en al in losse 1) reden,
En dus, en weder soo, al sonder vast besluyt,
En berst noch op het lest in dese woorden uyt: