[p.74]
555 En dat op desen voet: hy treckt van sijner hant
Een ringh, een rijck juweel, een hellen diamant.
En seyt haer: "Schoone maeght, ick sweere by mijn leven,
En by het Ridderschap my van den Prins gegeven,
Ick sweere by het pant dat ghy voor oogen siet,
560 Dat u mijn trouwe ziel oprechte liefde biet,
'k En wil u, schoone bloem, niet als een by-sit houwen,
Ick wil u na den aert van onse wetten trouwen,
En, tot een vast gemerck 1), siet daer een eeuwigh pant,
Draeght dat tot mijnder eer aen uwe rechterhant."
565 Te midden in het woort soo biet hy Preciose
Een schoonen diamant. Sy, na een lange pose
Het stuck in haer gemoet te hebben overdacht,
Heeft dus, met heus gelaet 2), haer antwoort ingebracht:
"Wel Joncker, na my dunckt, ghy schijnt het stuck te meenen,
570 Maer ghy sult uwen staet in my te seer verkleenen;
Ghy daerom, let'er op, eer dat ghy vorder gaet,
Hier dient niet in gegaen als met besetten 3) raet.
Maer noch al boven dat, soo magh ick niet vergeten
Dat u in dit geval is dienstigh om te weten,
575 En dat ick noodigh acht voor al te zijn gedaen,
Eer dat wy tot besluyt in desen handel gaen.
Ghy moest twee jaren langh in ons geselschap leven,
En u aen onse wet ten vollen over-geven:
Ghy moest benevens ons gaen dolen achter 4) lant,
580 By wijlen sonder gelt en sonder eenigh pant;
Ghy moest uw machtigh goet en uwe groote staten,
Ghy moest uw prachtigh kleet geheelick achter laten,