1) ontroerd 2) bedrogen 3) raaf

[p.73]

Ick ken, al ben ick jongh, den aert van 't listigh prijsen,

En weet wat ongemack hier uyt sou mogen rijsen,

Ick weet 'et watje soeckt, als ghy my gunste biet;

Maer schoon ghy zijt de vos, ick ben de rave niet.

Ick ben een Heydens kint veracht van alle menschen,

530 Hoe kan uw hoogh gemoet om mijn geselschap wenschen,

Als slechts op desen gront, ten eynd' u geyle lust

Tot oneer mijner jeught eens mochte zijn geblust?

Maer neen, gelooft'et vry, geen man sal my belesen,

Dat ick in geyle lust hem sal ten dienste wezen.

535 Acht my voor die ghy wilt, en dat ick wesen magh,

Ick ben een vyandin van alle vuyl bejagh.

Dat sal ick eeuwigh zijn. Wel, gaet dan elders jagen,

Voor u en is geen kans mijn eere wech te dragen;

Weet, dat'er onder 't volck dat ghy voor Heydens groet 1)

540 Noch is een reyne ziel en onbevleckt gemoet.

Ghy dan, nadien ghy zijt genegen om te jocken 2),

Gaet naer het dertel Hof, en streelt de sijde rocken 3)

Soeckt daer bequame stof voor uw ongure vreught,

En laat my 't edel pant van mijne reyne jeught."

545 Als 't wijf op desen toon de vrijster hoorde spreken,

Heeft sy haer peck-swart hair een weynigh op-gestreken,

Als bly van dit gespreck: "Ey," seytse, "lieve vrient,

Hier is geen lichte-koy die hoofsche linckers dient"

De Joncker als verbaest van soo gestrenge woorden,

550 Die hem als door het oir tot in het herte boorden,

Sagh op het fier gelaet van soo een jeughdigh dier,

En voelt te meer de kracht van syn inwendigh vier.

En na hy sonder spraeck een weynigh heeft geseten,

Soo laet hij syn besluyt de strenge vrijster weten,

Jacob Cats · 第 51 / 86 题