1) schurftig 2) omstandigheden 3) het geluk met u is

[p.70]

Daer zijnder niet dan al te veel

Die staêgh ten toone staen,

Sy bieden ons een groene steel,

440 Maer niemant wilder aen.

Daer sweeft haer blat dan met den wint,

Als stof gemeenlick doet:

Ach 't bloempje dat geen plucker vint,

Dat treet men met den voet.

445 _Prec:_ Wel hoe! wat koomt hier voor geluyt

Geresen uit het Wout?

My dunckt hier sit een slimme 1) guyt

Gedoken in het hout.

Het mocht wel zijn de bocx-voet Pan,

450 Die woont hier in het groen.

Dat is van outs de rechte man

Om vrijsters leet te doen.

Wel lincker 2), wie ghy wesen meught,

Ick bid u weest gerust!

455 Mijn bloem, mijn roem, mijn teere jeught

Is niet voor uwen lust.

Ick wachte voor mijn beste pant,

Tot troost van mijn verdriet,

Ick wachte vry een waerder hant;

460 Maer u en wacht ick niet."

Terwijl hem 3) dit gebeurt met wonder groot vernoegen,

Soo komt de Nachtegael sich by de vrijster voegen,

En queelt daer uyt de borst met soo een bly geschal,

Dat haer 1) vermenghde stem verheught het gansche dal.

465 De Ridder onder dies gevoelt syn geest beroeren,

Terwijl hy op de maeght alleen heeft sitten loeren.

"Wel, of dit Heydens kint (seyt hy met vollen mont)

Eens op syn hoofs gekleet voor ons ten toone stont,

Jacob Cats · 第 49 / 86 题