[p.69]
405 Besiet hoe dat een frissche roos,
(Ick meyn een jonge maeght)
Een die men onder duysent koos,
En al de jeught behaeght;
Besiet hoe licht een schoone blom
410 Verliest haer eersten glans;
Schoon sy was lief en wellekom
By alle jonge mans.
Wel roosjens, ciersels van het velt,
Kan dit alsoo geschiën?
415 En ist met u alsoo gestelt,
Soo dient'er in versien.
Maer segh wat kan u beter zijn,
Als datje wort gepluckt?
Niet door een boek of gortigh 1) swijn,
420 Om soo te zijn verdruckt;
Maer om te zijn een hupsche kroon,
Ter eeren van de jeught.
Uw plucker tot een soete loon,
En tot een stage vreught.
425 En of u tijt is wonder kort,
Maeckt daerom geen getreur;
Want schoon een frissche roos verdort,
Sy hout een soeten geur.
Wel nu wy staen in eenen graet 2),
430 O ciersel van het wout!
Koom geef my doch van uwen raet
Die ghy voor sekerst' hout.
Moet oock mijn bloemtje t'syner tijt
Van yemant zijn gepluckt?
435 _Pan:_ Iae, vryster, sooj'et waerdigh zijt,
En soo het u geluckt 3).