[p.63]
230 Wat voor een edel geest u sinnen heeft beseten 1):
Want hoe ghy langer swijght, en meer u sieckte deckt,
Hoe dat'et uwe jeught tot grooter hinder streckt."
De siecke vrijster sucht, en al haer leden beven,
Haer sinnen even-selfs die worden om-gedreven:
235 "Nu sie ick," sprack de maeght, "wat kunst en wijsheyt
[doet;
Ghy weet, gelijck het blijckt, den gront van mijn gemoet,
Des wil ick nu voortaen in geenen deel verswijgen,
Waer na te deser uyr mijn jonge sinnen hijgen.
Wat dient'er meer geveynst? ick ben van liefde kranck,
240 En dat heeft nu geduert wel seven maenden lanck.
Wilt dit nu met beleyt mijn ouders openbaren,
En raet hun acht te slaen op mijn bedroefde jaren.
Want soo ick dien ick min niet haest genieten magh,
Soo is de gront geleyt van mijnen lesten dagh.
245 My sal geen spruyt of kruyt, geen sap of pap genesen;
Ick sal begraven zijn, ick wil begraven wesen,
Indien ick niet en krijgh hem die mijn hert bemint,
En sonder wien mijn ziel geen rust op aerden vint."
Terstont na dit gespreck soo stortse duysent tranen,
250 Die met een stage voor 2) haer teere wangen banen.
Constance troost de maeght, en geeft haer goede moet,
En stremt, door soet gespreck, haer gullen tranenvloet.
Hier op is, des versocht, de moeder in-gekomen,
Die had tot haer behulp een doctor met-genomen;
255 Constance gaet'er by, maer trat bezijden af,
Daer sy haer met bescheyt 3) het stuck te kennen gaf.
Het speet de medecijn, dat sy de rechte gronden
Van dese maeghde-quael had kunstigh ondervonden;