[p.62]
Of door een harden val gebracht in bitter lijden?
Of is uw bloet verhit door al te langen dans?
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Een maeght magh aen een maeght wel seggen haren noot.
205 Spreeckt ront gelijck het dient van uw verholen wesen,
Ghy sult door mijn behulp in korten zijn genesen;
Ick weet wat aen de jeught by wijlen kan geschien,
En schoon al ben ick jongh, ick hebbe veel gesien."
Giralde seyde neen op al haer snege vragen,
210 Dies gaet Constance voort en opent nieuwe lagen 1);
"Hoort," seytse, "kenje niet een hups en aerdigh quant,
De schoonste van de stadt, jae van het gansche lant.
Hebt ghy hem menighmael niet geestigh hooren praten,
Of door een gunstigh oogh tot in het hert gelaten?
215 Waerom doch soo geveynst, dat ghy soo langen tijt
Hem in bedencken hout en niet te wil en zijt?
Ey lieve, zoo je meent den vryer oyt te trouwen,
En wilt hem niet te langh in angst en twijffel houwen.
Een die syn tanden breeckt als hy een note kraeckt,
220 Diens vreught is niet te groot schoon hy de keren 2)
[smaeckt."
Giralde kreegh een blos, en werf geheel ontsteken,
Als sy dit geestigh dier van vryen hoorde spreken;
En schoon sy veynsen wou, haer bloet is boven haer 3),
Dat maeckt haer innigh hert ten vollen openbaer.
225 Haer geest is op den loop, haer pols begon te jagen,
En al met vreemt gewoel van ongelijcke slagen.
Constance wederom: "Nu sie ick wat'er schort;
Ghy, wat ick bidden magh, en doet u niet te kort.
Spreeckt soo de reden eyscht, en laet uw moeder weten,