1) bende 2) behendig 3) naar hetgeen er 4) voorwerp

[p.58]

85 Sy wist al wat'er loopt op 1) in de hant te kijcken,

En hoe dat iemants aert kan uyt het wesen blijcken,

En wat een kleyn, een groot, een puntigh hooft beduyt,

En wat men uyt een oogh of ander lit besluyt.

Oock uyt den neus alleen soo kanse gronden 2) trecken,

90 Waer heen dat yemants lust of gulle 3) sinnen strecken

Want isse plomp, of scherp of hoogh, of bijster plat,

Sy heeft van stonden aen syn aert daer uyt gevat.

Sy wist, als op een draet, na mate van de jaren,

Wat yder over-koomt en plagh te wedervaren,

95 En wat een teere maeght in haer gewrichte voelt,

En wat een jonge wulp 4) ontrent den boesem woelt.

Sy weet, gelijck het schijnt, de gangen van de sterren,

Waer in het kloeckste breyn by wijlen kan verwerren:

Sy weet en wat de Son en wat de Mane dreyght 5),

100 En waer toe sich het jaer en al den Hemel neyght.

Een wie haer openbaert wanneer hy is geboren,

Dien weetse by gevolgh syn leven na te sporen:

Nu spreecktse wonder breet van druck en ongeval,

En of'er yemant arm of machtigh werden sal.

105 Sy weet den levens-streep in yders hant te wijsen,

Daer uyt een vremt gevolgh en groote dingen rijsen;

Want is de liny recht en sonder krommen tack,

Soo roemtse stage vreught en nimmer ongemack.

Maer valtse dickmael scheef en in verscheyde bochten,

110 Soo wort hy dien het raeckt met droefheyt aengevochten.

Indiense somtijts rijst, en dan eens neder koomt,

Soo dient'er voor gewis een swaren val geschroomt.

1) betreft 2) zin, beteekenis 3) weelderig 4) jongeman

5) voorspelt

[p.59]

Sy gaet hier bijster hoogh, sy kent een yders wesen,

Sy kan oock rijcken selfs uyt hant of vingers lesen:

115 En somtijts groot verlies, en somtijts grooten schat,

En somtijts wel een galgh, of oock een schendig 1) rat.

Sy wijst een vrijer aan, wanneer hem staet te paren,

Een vrijster ofse veel of luttel heeft te baren.

En ofse by den man sal wesen liefgetal 2),

120 Dan of hy buyten haer syn lust gebruycken sal.

Dit meynt schier al het volck alsoo te moeten wesen;

Soo dat haer laegen naem gansch hooge was geresen,

En al vermits sy breet in desen handel weyt 3),

En van het naer 4) geheym soo klare reden seyt:

125 Genaeckt men eenigh dorp daer weetse flucx te vragen,

Hoe sich in haer bedrijf de meeste lieden dragen,

En wie sigh daer ontgaet 5) in lust of dertel bloet,

Doch meest wat over al de losse jonckheyt doet.

En als sy gasten vint daer iet op valt te seggen,

130 Soo weetse na de kunst haer saken aen te leggen;

Sy maeckt aen yder mensch syn feylen openbaer,

Als of uyt syn gesicht het quaet te vinden waer.

Wat sy van iemant weet dat veynst sy als te lesen

Of uyt het oogh alleen, of uyt het ander wesen:

135 En dit noch al-te-mael met soo een gauwen streeck,

Dat oock de sneeghste 6) man verwondert stont en keeck.

Als haer een Juffer vraeght, wat man haar staet te trouwen,

Sy kan het nieusgier volck gansch aerdigh onderhouwen;

Sy spreeckt als door een wolck en noyt met open mont 7),

140 En al haer gansch beleyt dat heeft een loosen gront.

1) schandelijk 2) lieftallig, bemind 3) veel doet aan

4) duister 5) te buiten gaat 6) behendigste

7) duidelijk

[p.60]

Hoe oyt de sake valt sy kan het al verdrayen,

Sy kan de gauste selfs met schijn van reden payen;

En alsse dan een reys de rechte gronden treft,

Dan isset dat men haer tot in de lucht verheft.

145 Men hielt dat sy gestaegh een geest met haer geleyde,

Die haer als in het oir verholen dingen seyde:

En mits dit al geschiet door soo een jonge maeght,

Soo isset dat het spel hun des te meer behaeght.

't Geviel om desen tijt dat in dien eygen lande

150 Een jongh een aerdigh dier door jeught en liefde brande,

En hy die haer het breyn en oock den geest besat 1),

Was even als de maeght met hare min gevat,

Maer daer en was geen raet om oyt te mogen paren,

Vermits sy niet gelijck in goet of staet en waren;

155 De Juffer is te rijck, als maer een eenigh kint,

Soo dat haer droeve vrient voor hem geen troost en vint.

Giralde lijckewel die bleef tot hem genegen,

En is om synent wil als sieck te bed gelegen;

Maer seyt het niet een mensch wat haer van binnen schort,

160 Soo datse menighmael veel droeve tranen stort,

Of schoon een ander lacht, sy kan geen vreughde rapen,

Sy kan haer in den nacht niet geven om te slapen,

Sy klaeght, en, zoo het schijnt, sy voelt gestage pijn,

En desen onverlet 2) sy wil geen medecijn 3).

165 Haer vader niet-te-min die liet een doctor halen,

Maer die gingh even-staeg 4) als in het wilde dwalen;

Hy weet niet wat'er schort, hy weet niet wat te doen,

Hy weet voor hare quael geen sap of heylsaem groen;

1) met wien zich al haar gedachten bezig hielden 2) desondanks

3) dokter 4) voortdurend

[p.61]

Hy staet als buyten spoor, en is geheel verlegen,

170 En al wat hy begint dat zijn bekaeyde wegen:

Dies seyt hy, dat het quaet een langer tijt behoeft,

En siet, hier is het huys ten hooghsten in bedroeft.

Iuyst op dien eygen tijt soo quam'er Preciose,

Op datse daer ontrent een goede plaets verkose

175 Voor haer en haar gevolgh, en voor het gansche rot;

Dies wortse veel gesien ontrent het naeste slot.

De vrouwe van het huys, bewust van hare saken,

Wou door het aerdigh dier 1) haer dochter wat vermaken;

En daerom sents'er om, en leytse voor het bedt,

180 En seyde: "Niemant weet wat dese vrijster let.

Ghy, siet eens wat haer schort, en soo ghy weet te seggen

Hoe wy dit selsaem stuck behooren aen te leggen,

Mijn gunste, soete maeght, die sal u zijn getoont,

En ghy van mijner hant ten hooghsten zijn geloont."

185 Daer vingh het geestigh dier de vrijster aen te spreken

Met wonder soet beleyt en ongewoons streken;

Het queelt een geestigh dicht, het speelt een

[aerdigh liet;

Maer wat het immer doet ten 2) baet de siecke niet.

Als dit Constance merckt, sy gaet sich naerder setten,

190 Sy gaet in meerder ernst op alle dingen letten,

Sy bid, dat al het volck wil uyt de kamer gaen,

En sprack de siecke maeght in dese woorden aen:

"Ey lieve, segh een reys (ick dien het toch te weten)

Hebt ghy ontijdigh 3) fruyt of harden kost gegeten,

195 Of is u swacke maegh met suycker overlast,

Of hebje by geval te langen tijt gevast?

Of is u 't lijf verdraeyt van op de jacht te rijden,

Jacob Cats · 第 44 / 86 题