1) hindert 2) gezongen, gepraat 3) geef het 4) trekt

[p.51]

Hy komt naeu in het dorp, hy laet den meester halen,

Hy seyt: "hier is een man die sal u wel betalen;

115 Hier is een krepel been, indien ghy dat geneest,

Geen meester is 'er oyt soo wel betaelt geweest."

De meester doet de man sijn hosen 1) strack ontbinden,

Om, watter schuylen magh, te beter uyt te vinden;

En naer hy heeft betast het voeghsel van het been,

120 Soo vint hy stracx de pijp gewassen over een.

Hy voelt noch andermael, hy raeckt aen alle zijden,

Hy grijpt wel happigh toe, oock sonder iet te mijden.

Ten lesten quam 'er uyt: "Ick sie het wat 'er schort:

Alleen door quaet beleyt soo is het been te kort.

125 En om dit wederom in goeden stant te brengen,

Soo moestje vry de slagh van dese vuyst gehengen 2);

Ghy moest niet sijn beschroomt voor ongewone pijn,

En mocht al beter koop den beul gelevert zijn.

Maer al dat meepsche 3) volck, geboren in de steden,

130 En is geen praem 4) gewent ontrent haer teere leden,

't En soeckt maer sijn vermaeck, al wat het hertje lust,

Ghy daerom, keert te rugh, en hout uw hooft gerust."

"Bey 5), holla! seyt de vrient, ick bid u niet te vragen

Of oock mijn tanger lijf sal pijne konnen dragen;

135 Stelt dat tot mijnen last, en seght my slechts alleen

Of ghy geen uytkomst weet voor dit myn krepel been:

Soo ghy u dat vermeet, en gaet op vaste reden,

Daer sal geen mangel 6) zijn aen mijn geheele leden:

Begint ghy slechts het werck, en doet 'et na den eysch,

140 En acht dit gansche lijf niet meer als paerde-vleysch."

De meester stont verbaest van soo gestrenge woorden;

"Tsa," seyt hy, "wacker knecht! loop, hael ons nieuwe koorden,

1) kousen 2) toelaten 3) zachtzeerig 4) druk

5) wacht 6) gebrek

[p.52]

Loop hael ons watter 1) dient, en bint my dese gast;

Maer bint hem, soo het hoort, aen alle kanten vast."

145 Jefron seyt wederom: "'k en wil niet zijn gebonden,

Ick kan oock sonder schrick besien mijn eygen wonden.

Waertoe soo veel geruchts? doet watter dient gedaen,

En tast my soo ghy wilt met rauwe 2) duymen aen;

Ick ben des wel getroost." De meester is verwondert,

150 Hy kent niet eenen boer soo hertigh 3) onder hondert;

Hy siet den vryer aen, hy siet het swacke lit,

Maer weet niet watter schuylt, of watter achter sit.

Hy weet niet dat een maeght, een maeght van teere zeden,

Een vryer stijven kan met krachten in de leden;

155 En schoon hy wonder diep in alle kruyden siet,

Soo kent hy lijckewel 4) de kracht der minne niet.

Hy tijt dan aen het werck, en sonder iet te binden,

Soo gaet hy eerst het been in groene kruyden winden;

Hy stooft 'et voor een wijl, en des al niet-te-min,

160 Hy breeckt-et metter hant, hy set het weder in.

Hy doet den Jongelingh gelijck de rauwe gasten,

En als hy voortijts plagh de boeren aen te tasten.

Hoe seer dat iemant kermt, ja schoon al riep hy moort,

Hy gaet noch even-wel met sijnen handel 5) voort.

165 't En lijt 6), na mijn onthout, naeu ses of seven weken,

De man komt uyt het dorp gelijck een pauw gestreken,

Bly-geestigh, fris, gesont, het been wel in-geset,

En recht gelijck een kaers, en met een vasten tret;

Stracx naer de vrijster toe, en dat met rappe voeten,

170 Hy gaet de soete Maeght met vrolick wesen groeten;

Hy treet vrymoedigh toe, en met een soeten lagh,

Soo geeft hy haer een kus, en biedse goeden dagh.

1) wat er 2) ruwe 3) moedig 4) evenwel 5) werk,

handeling 6) duurt

[p.53]

De vryster siet hem aen, en is geheel verwondert

Van waer hy komen mocht, soo schielick op-gedondert 1),

175 Daer midden in de zael. Want sy en wiste niet

Wat dat hy had gedaen, na dat hy van haer schiet 2),

Sy seyt hem: "Lieve vrient, ghy zijt hier al vergeten,

Geen mensch en is bekent waer dat ghy hebt geseten;

Wat jaeght u weder hier? dat wil ick eens verstaen,

180 Het is u wel bekent, uw saken zijn gedaen."

"Ick kome," seyt de vrient, "om noch een mael te vragen,

Of ghy nu eens de kans met my sout willen wagen?

Ick hebbe dit geluck my heden toegeleyt,

Dat ghy sult beter doen als eertijts was geseyt."

185 Sy antwoort met een lach: "Ja, 't sal eens beter wesen,

Wanneer uw krepel been van hincken is genesen;

Dan wil ick eens met troost versetten uw verdriet;

Maer dat is, na ick acht, uw levedagen niet."

De vryer nam het aen, en seyt: "Ick ben te vreden

190 Te doen, in dit geval, na uw gestrenge reden;

Ick sal versteken 3) zijn, indien ick krepel blijf;

Maer word' ick eens gesont, soo wort mijn echte wijf."

De vrijster stont het toe, en winckte metten hoofde,

Dan 't was maer enckel spot, gelijckse doen geloofde;

195 Maer Jefron, op het woort, die maeckt een capriool,

En toont sijn rappen voet tot onder aen de sool.

Hy sprongh noch andermael, en ging met rappe leden,

En om en wederom voorby de vrijster treden;

En naer een korte wijl, soo springht hij noch een mael,

200 En laet sijn blijde stem dus hooren op de zael:

"Wat schort nu, zoete maeght, wat schort my aen de beenen?

'k En ben soo krepel niet, gelijck de lieden meenen."

Jacob Cats · 第 41 / 86 题