1) loopen 2) ernstig 3) bevroren

[p.49]

Ghy weet van myn bedrijf, van alle mijne Saken,

Ghy weet, soo God ons voeght, hoe wy het sullen maken,

55 Ghy weet wie dat ick ben, en kent my vander jeught,

Soo dat ghy nu voortaen geen uyt stel nemen meught.

Uw moeder vint 'et goet, uw vader is te vreden,

Ghy, doet wat u betaemt, en voeght u na de reden:

Want dat een vader prijst, een moeder dienstigh vint,

60 Wort sonder eenigh recht geweygert by het kint."

"Mijn ouders," sprack de Maeght, "ick moet 'et u bekennen,

Die souden, soo het schijnt haer light aen u gewennen:

Ick sie dat uw bedrijf, daer meê ghy omme-gaet,

Ick sie dat uw beleyt haer wel te sinne staet.

65 Ick vond oock in uw doen al eenigh goet vernoegen,

En sou tot u misschien myn sinnen konnen voegen:

Maer siet, daer hapert wat, dat my niet aen en staet,

Dies is het sonder vrucht al wat hier iemant raet.

Ich hoord' een deftigh man eens dese reden zeggen,

70 En sijn bestendigh woort is niet te weder-leggen:

Wanneerder iemant trout een openbaer gebreck,

Noemt dien een gierigh mensch, of wel een rechten geck.

Dit heeft nu langen tijt in mijnen geest gelegen,

En wat gebreckigh is dat is my byster tegen:

75 Word' ick mijn leven oyt tot iemants echte wijf,

Ick wil een fris, een gaef, een rap, een wacker lijf;

Ick wil voor al een man, die met geswinde schreden

Kan vaerdigh op den dam, op beurs en straten treden,

En wie dit niet en heeft, hy zy dan wie hy magh,

80 Dien wensch ick nu ter tijt voor eeuwigh goeden dagh.

Hy sal noyt mijne zijn, en dat op vaste reden,

Daer sal noyt krepel been op mijnen leger treden:

[p.50]

Want soo dat oyt geviel, ick waer een droeve vrou,

En kreegh gewis een kint dat krepel wesen sou.

85 Soo maelt 1) my dit gebreck tot in de diepste sinnen,

En daerom, vrient, vertreckt, op my is niet te winnen.

Gaet heen: want uw bedrijf heeft my nu lang verveelt.

't Is beter korte pijn als lange tijt gequeelt 2)."

De vryer die besterft van soo een harden donder,

90 Sijn brein en gansche kracht, sijn hart beswijckt 'er onder;

Het schijnt als of de man sijn leste vonnis kreegh,

Of, door een swijm geraeckt, ter aerden neder seegh.

Ten lesten gingh hy wegh met wanckelbare gangen,

Het schijnt de bleecke doot die sit hem op de wangen;

95 Hy wist in dit geval niet wat te sullen doen,

Hy laet de vrijster daer, en biet haer niet een soen.

En mits hy nu den moet ten vollen heeft verloren,

Soo hinckt sijn krepel been noch slimmer als te voren;

Sijn oogh is sonder glans, sijn tonge sonder tael,

100 Het waggelt al gelijck, en 't hapert altemael.

Hy geeft hem na het bed, daer gaet hy leggen duchten,

Daer gaet hy met verdriet veel uren leggen suchten;

Daer peyst hy al den nacht, tot aen den dageraet,

Of hem in dit geval geen uyt-komst open staet.

105 Ten lesten roept hy uyt: "ick gevet 3) niet verloren,

My dunckt ick weet een dingh my dienstigh na te sporen;

Te Gisp is nu ter tijt een wonder handigh man,

Die oock het slimste been te rechte brengen kan.

Ick moet het nu ter tijt, ick moet het heden weten

110 Of hy sich over my geen kracht en sou vermeten."

Daer mede scheyt de man uyt syn bedroeft gepeys,

En, sonder langh verblijf, soo tijt 4) hy op de reys.

Jacob Cats · 第 40 / 86 题