[p.37]
UIT: SPIEGEL VAN DEN OUDEN ENDE
NIEUWEN TIJT.
7. MEN NOOT GEEN ESEL OYT TE GAST,
OF HY EN DRAEGHT'ER PACK OF LAST.
De esel spreeckt:
My seyd' een bode gister noen 1),
Daer ick gingh treden in het groen,
Dat ick te hov' ontboden was,
En daer op scheyd' ick uyt het gras,
5 En gingh vast kneden in het stof,
En gingh vast treden naer het Hof:
Daer sagh ick eerst veel muylen 2) staen,
Geciert en prachtigh op-ghedaen,
Met veêren om den kop geset,
10 En al haer 3) tuygh geweldigh net:
Hier by soo stont een moedigh peert,
My docht, wel hondert kronen weert,
Dat hadt een sadel op het lijf,
Die stont van gout en peerels stijf:
15 Maer noch vernam ick even daer
Ses peerden al van eenen haer 4),
Die pronckten al gelijck een bruyt,
En munten wonder aerdigh uyt,
Een koets te trecken, sonder meer,
20 't Zy met een juffer of een heer;
Daer in bestont geheel haer werck.
Ick nam hier op mijn oogh-gemerck,
En dacht: hier ben ick wel geraeckt,
Hier word' ick mede groot gemaeckt,
25 Dewijl dat oock van mijn geslacht