[p.36]
115 En dat 'er nimmermeer een schaep en was gevat,
Of dat hy met 'et beest oock van de bouten at.
Ten lesten, als het kint vergat sijn vinnigh woeden,
Soo woond'et in het dorp, en leerde schapen hoeden;
't Is neerstigh om de kost, en veerdigh over al,
120 En vlytigh in de weer, en yder lief-getal 1).
Maer hoort een selsaem dingh: noyt schapen hem bevolen
En worden aangeranst 2), of van het wilt gestolen,
Geen beir, geen loose vos, geen dier van al het wout,
En beet aen eenigh vee, den jongen toe-betrout;
125 Al wat hy metter hant maer eens en quam te raken,
Dat sagh men nimmermeer by eenigh dier genaken;
Men hout, dat om de kracht van sijnen wilden aert
De kudde was bevrijt en voor het wilt bewaert:
Dit bracht hem groote winst, want als de lieden sagen
130 Dat oock syn speecksel selfs was machtigh wegh te jagen
De klaeuwen van den wolf, soo bracht hem ieder gelt,
En kocht van sijner hant de vrydom van het velt;
Dit bleef den jongen by geheele seve jaren,
En doen is dese kracht allenxen 3) wegh gevaren,
135 Soo dat voortaen de wolf sijn ouden vrient vergat,
En sonder onderscheyt van alle schapen at.