[p.34_illustratie]
[Illustratie: TITELBLAD VAN HET "HOUWELICK"
(naar een oude gravure).]
[p.35]
85 Hier meynt men dat het kint, als onder hen gelegen,
De spenen van den wolf heeft in de mont gekregen,
En dat hier uyt het beest, verweckt tot beter sucht,
Het kint heeft aengeveert 1), gelijck een eygen vrucht.
't Is menighmael gesien, gelijck men kan betuygen,
90 Wanneer daer eenigh beest komt vreemde borsten suygen,
Dat stracx het voetster-dier het suygelingh bemint,
Niet als een vreemt gebroet, maer als een eygen kint;
Siet, wat de borst vermagh! misschien om dese reden,
Soo heeft de felle wolf het menschen-kint geleden 2);
95 Doch hoe het wesen magh, of wat 'er is geschiet,
Men twijffelt aen de saeck en haere waerheyt niet;
't Is ja het eygen kint, dat, in het bosch gebleven,
Had bij de seven jaer in 't wilde moeten leven,
Dit blijckt eerst uytten tijt, die op den jongen past,
100 Maer dit bewijs alleen en ware niet te vast;
Men weet op beter gront de saecke na te sporen,
Om dat men aen het kint, juyst als het was geboren,
Een selsaem overschot van kleyne leden vant,
Ses teenen aen de voet, ses vingers aen der hant;
105 Dies als de gansche buert quam, met een groot verlangen,
Het vreemde maecksel sien, wanneer het was gevangen;
Soo wert er vast gestelt, dat hy de jongen was,
Wel eer door ongeval verloren in het gras.
Het kint, door goet beleyt van wreetheyt afgeweken,
110 Begon op d' achtste maent naer menschen aert te spreken,
Ontdeckt 3) voor al het volck, hoe dat hy was gevoet,
Met vlees van eenigh beest, of met geronnen bloet;
Seyt mede, dat de wolf en alle wilde dieren
Hem plegen over al te streelen en te vieren;