Veel adels uyt het hof, veel ridderlicke mannen,
Veel herders uyt het wout, te samen aengespannen 1),
Gaen jagen opten wolf, die met een fellen tant
Verscheurde wat hy vont in al het platte lant;
5 De tocht gaet dapper aen: een deel verwoede dieren,
Gedreven uyt het bosch, door roepen en door tieren,
Vervallen 2) op een hoeck, daer menigh warre-net
Staet listigh uytgebreydt, en na de kunst geset:
Hier staen de jagers vast om dit gebroet te quellen,
10 Hier siet men menigh beest ter aerden neder vellen,
Een wreede wollevin, wel van de grootste slagh,
Vocht daer een lange tijt, tot datse neder lagh;
Hy, die het monster treft, vint sich in haest besprongen
Niet van een ander beest, maer van een naeckten jongen,
15 Out, soo het schijnen mocht, ontrent de seven jaer,
Die huylde door het bosch, en maeckte vreemt gebaer;
Hy was van bruyne verw 3), en toond' een selsaem wesen,
Syn haer door al het lijf als borstels op-geresen,
Syn nagels, wonder lanck, syn stemme bijster wreet,
20 Men hoord een luide galm, maer echter geen bescheet 4).
De jagers, die het kint in dit gewoel vernamen 5),
Syn dapper in de weer, en voegen hen te samen,
Daer staet de jongen vast, daer wort hy opgevat,
En van de rouwe jeught gedragen in de stadt;
25 Maer siet, het mensche kint wil geene menschen kennen,
Noch by de menschen sijn, noch by de menschen wennen;
Ten spreeckt geen menschen tael, maer eenigh dom geraes;
1) toegerust 2) saamgejaagd 3) kleur 4) redelijke taal
5) opmerkten
[p.33]
Ten wil geen menschespijs, maer niet als bloedigh aes;
Het schopt de pap-pot om, het bijt die hem genaecken,
30 En wat de keucken schaft en kan hem niet vermaecken;
Sijn wesen is verwoet, en bijster onbevreest,
Het beelt gelijck een mensch, de reste maer een beest;
Met vasten niet te min, tot op gesette tijden,
En weder, als het dient, hem eten voor te snijden,
35 Soo wert het selsaem kint ten lesten noch getemt,
Sijn wilde sucht verjaeght, sijn harden. aert gedemt 1).
Hier dient voor al bemerckt en waer te sijn genomen,
Hoe dat een mensche-vrucht is in het bosch gekomen,
En door wat ongeval een redelicke siel
40 Tot bloet en rauwe spijs, tot beeste lusten viel:
Eens als de koude lucht haer rijm begon te worpen 2),
Soo was er schamel volck uit veelderhande dorpen
Getogen in het bosch, gevallen in het wout,
En kapte daer het viel, sijn noodigh winter-hout;
45 De wachters, die de sorgh van alle groene dreven,
Van boomen, van het wilt, van haegen is gegeven,
Sijn dapper in de weer, om even dit gewelt
Te weeren van het bosch, te drijven uyt 'et velt;
Soo haest sy mette stem maer aen het wout genaecken,
50 Soo kraemt een ieder op 3) en pooght hem wegh te maecken;
Een deel laet in het bosch al wat 'er is gekapt,
Een deel laet bylen selfs, om niet te sijn betrapt.
Een vrou, die met haer kint was tot den houw 4) gekomen,
Door onverwachten schrick ten hoogsten ingenomen 5),
55 Geeft sich met al het volck soo jachtigh opte vlucht,
1) verzacht 2) werpen 3) breekt ... op 4) het houtkappen
5) bevangen
[p.34]
Dat sy door grooten haest daer laet een teere vrucht:
Sy gaet in desen angst een ruyme wijle dwalen,
Tot nae een lange wijl de son begon te dalen,
Doen keertse wederom, maer sy (eylaes!) en vint
60 Noch haer vergeten tuygh, noch haer verlaten kint,
Stracx hier op naer het dorp, om vrienden, boeren, magen,
Om ieder diese kent naer dit verlies te vragen;
Sy roept 'et door het bosch, sy klaeght 'et alle man,
Sy spreeckt de wachters selfs, maer niemant weet 'er van:
65 Hier over is de vrouw in groot verdriet geslagen,
Haer man is ongesint 1), de rechter laetse dagen 2),
En doet een hoogen eysch, en maeckt het wijf verdacht
Haer kint met eygen wil te hebben omgebracht:
Sy, van een kleyn beleyt, en kleynder van vermogen,
70 Is met haer droeven man in stilte wegh-getogen,
En sedert haer vertreck en heeft men noyt verstaen,
Waer dit verdrietigh paer te samen is gegaen:
Dan, wat het kint belanght, men hout, op vaste gronden,
Dat, als het van den wolf was in het bosch gevonden,
75 Het, na dier beesten aert en aengeboren kracht,
Is in het duyster hol syn jongen toegebracht.
(Veel schrijven dat het beest syn vreeselycke tanden
Kan voegen na den roof, gelijck als menschen-handen,
En dat het schapen zelfs kan dragen in den mont,
80 En evenwel het vee kan laten ongewont),
Sijn jongen, soo het schijnt, te voren sat gegeten,
En hebben op het kint niet happigh aen gebeten,
Maer, door het voorigh aes ontsteken van den dorst,
Sijn met een grooter lust gevallen aen de borst;