1) begeeft zich 2) huwelijkspand 3) samenzijn

[p.31]

Ick sal het willigh doen: neemt my oock in den boot,

40 Of sooje niet en meught, soo schenckt my dan een loot 1)!"

Dit seyde Celadon, en gaf hem in de baren,

En bad al even-staegh om meê te mogen varen;

De roovers sijn verbaest dat iemant tranen schreyt,

Om vast te sijn geboeyt, en wegh te sijn geleyt.

45 Na langh en droef gepragh 2), men laet hem naerder komen,

Men wijst hem na den boot, daer wort hy in genomen,

En, als de rouwe jeught sijn handen binden wou:

"O, bint my, sprack de man, aen mijn geminde vrou!

Een knoop van soete min heeft my en haer omvangen,

50 Laet hier oock éénen bant op onse leden prangen!"

Hy bid noch andermael, en biedt sijn rechter-handt,

En geeft hem mette vrou gewilligh aen den bant.

Het schip doet sijnen loop, en snijt de soute baren,

En komt in korten tijt te Thunis aengevaren;

55 Daer wort het lieve paer den koninck voorgestelt,

Den koninck alle dingh van eersten aen gemelt.

De vorst die prijst de daet, besiet de jonge lieden,

En toont met sijn gelaet haer gunst te willen bieden;

Hy laetse metter daet verlossen uyt den bant,

60 En maeckt van Celadon sijn eygen lijf-trouwant 3).

De trouwe wort geloont 4), en hy, die aen der heyden

Een bock, een schaep, een kalf, een geyte plagh te weyden,

Is hoeder van den prins, niet sonder grooten lof,

En, voor een vuylen stal, geniet het lustigh hof.

1) schiet mij dan maar dood 2) gesmeek 3) trawant

4) beloond

[p.32]

Jacob Cats · 第 24 / 86 题