[p.30]
Een herder uyt het wout, terwijl hy aen der heyde
10 Sijn jonge geyten dreef, sijn oude schapen weyde,
Sagh van een hoogen berg, sagh in het lage dal,
Sagh onder aen de strant een droevigh ongeval:
Daer was een seker schip met roovers aengekomen,
Die hadden Galathee sijn vrouwe weggenomen,
15 Oock eenigh ander volck, dat onder aen de zee
Was vlijtigh aen het werck, en wies het jonge vee
De droeve Celadon, die sijn geselschap kende,
En sagh hoe al het volck sich van den oever wende
Sloegh op sijn droeve borst, en sagh den hemel aen
20 En seyde: "lieve God, wat dient 'er nu gedaen?"
Hy geeft hem 1) naer de zee, de tranen op de wangen
En riep: "hou vrienden, hou! hier is al meer te vangen
En scheyt niet van de wal, tot dat 'er volle vracht
Is op het lant gerooft, en aen het boort gebracht.
25 Ghy hebt myn echte deel 2), van Gode my gesonden,
En scheyt, dat reyne sucht te samen heeft gebonden.
Ghy scheyt het beste paer dat oyt het echte bet,
Dat oyt den hemel selfs te samen heeft geset.
Ey lieve, waerom dat? ey, laet ons weder paren 3),
30 Soo magh uw snelle barck geluckigh henen varen;
Niet, dat ick weder eysch mijn lieve Galathee,
Maer wensch benevens haer te varen over zee.
Neemt my oock in den boot, al moet ick dapper roeyen
Of harder dienst begaen, ten sal my niet vermoeyen:
35 Neemt my oock in den boot, een kloeck, een rustigh man
Die met een vollen wil een slave wesen kan;
Neemt my oock in den boot, al moet ick sijn geslagen
En dienen evenwel, ick sal het willigh dragen,