EEN KRIJGSLIST.

In den artisten-foyer van een concertzaal in een bekend provinciestadje

zat Mabel Morris, de jonge Amerikaansche zangeres, die stormenderhand

de harten der onmuzikale Britten had veroverd, lusteloos naast mevrouw

Bishop, haar tante en wettige beschermster. Zij stelde hoegenaamd geen

belang in het gesprek, dat gevoerd werd door een stuk of vijf heeren en

dames, die tot de „Mabel Morris Concert Company” behoorden.

Daar komt Ernest Riordan, de opkomende jonge bariton (zooals hij

bescheidenlijk met kleine letters op de aanplakbiljetten wordt genoemd)

van het tooneel, waar hij zich juist zeer goed onderscheiden heeft met

de voordracht van het zangnummer Maritana. Mabel sloot haar oogen met

een glimp van genoegen, want het publiek roept bis en bis is een voor

den jongen bariton zeldzame weelde.

„Mag ik een lied voor u uit zoeken, mijnheer Riordan?” vraagt Mabel,

als hij zijn muziek opslaat.

„Zoudt u werkelijk zoo vriendelijk willen wezen?”

Mevrouw Bishop werpt een gestrengen blik van misnoegen op hare nicht,

maar tracht het meisje toch niet tegen te houden, als dit naast Riordan

gaat staan. Mabel neemt snel een blad muziek uit zijn voorraad en

terwijl zij hem dit ter hand stelt, fluistert zij hem in:

„Ernest, ik heb je wat te zeggen, voordat je van avond naar huis gaat.”

De jonge man werpt een veelbeteekenenden blik op mevrouw Bishop, maar

hij heeft geen tijd, iets te antwoorden. Zoodra hij evenwel weer in den

foyer is teruggekeerd, spreekt hij eenige woorden tot zijn vriend

Trewley, den violist, en weldra is deze heer in een diepzinnig gesprek

met mevrouw Bishop gewikkeld. Aldus onttrokken aan haar vorschend oog,

kunnen Mabel en Ernest zich in een ongestoord tête à tête verheugen,

terwijl het orkest in de zaal den Tannhäuser speelt.

„Raad eens wat er vandaag gebeurd is, Ernest,” zegt Mabel, van

onderdrukte opgewondenheid rillend. „De graaf d’Avignon—”

„De graaf d’Avignon!”

„Ja, je weet wel, die mij zoo dikwijls bouquetten gegeven heeft—”

„O ja, ik ken hem, ik ken hem maar al te goed,” zeide Ernest, als om

bij voorbaat af te keuren, wat de jonge zangeres te zeggen had.

„De graaf is ons aan ons hotel komen bezoeken. En zij,”—Mabel wees met

haar oogen naar tante, die nog in druk gesprek zat met den gezelligen

violist—„zij vertelde mij naderhand, dat hij—e—o, Ernest, het is zoo

mal—dat hij mij wenscht te trouwen.”

De bariton mompelde iets tusschen de tanden, dat beter is hier niet te

herhalen.

„En tante wil, dat ik met hem zal trouwen.” Er lag oprechte droefheid

in Mabels stem, en het kleine schepseltje, gewoonlijk zoo vroolijk en

opgewonden, keek nu haar geliefde treurig aan.

„En wat wil jij?” kon Ernest zich niet weerhouden te vragen.

„Ernest!”

„Ah! Ik dacht wel, dat mijn lief meisje hem niet om zijn titel en stand

zou willen hebben. Maar je tante—” en de jonge man haalde beteekenisvol

de schouders op.

„Zij heeft hem verzocht, ons aanstaanden Dinsdag te Londen te komen

bezoeken. Maar ik wil hem niet meer zien. Hij moet al wel vijftig jaar

zijn en telkens als ik hem in de zaal heb gezien, kreeg ik een afschuw

van hem.”

Trewley’s onderhoudendheid was eindelijk voor een oogenblik uitgeput en

van dat oogenblik maakte mevrouw Bishop gebruik om met schelle stem uit

te roepen:

„Mijnheer Riordan, ik moet u herinneren, dat mijn nichtje straks nog

moet optreden en als u haar nu met praten vermoeit, zal zij geen stem

hebben om te zingen.”

„Ik vraag u wel excuus, mevrouw,” mompelde Ernest onderdanig, terwijl

mevrouw Booth, een levendige vrouw van middelbaren leeftijd, met een

eenigszins grof gezicht, beslag op Mabel legde, onder voorwendsel, dat

zij iets aan het doekje wilde veranderen, dat den hals van het jonge

meisje tegen de tocht van de zaal beschermde.

Ernest Riordan ging dien avond in een wanhopige stemming naar zijn

hotel. De omstandigheden schenen al zeer te zijnen nadeele te zijn. De

tournee door de provincie, waarop hij Mabels liefde had gewonnen, liep

Zaterdag ten einde en daarmede zijn engagement bij de Concert Company

en elke gelegenheid om de schitterende jonge „ster” te zien.

De graaf d’Avignon daarentegen, van wien Riordan wist, dat hij tot de

talrijke bewonderaars behoorde, die Mabel, evenals alle prima donna’s

had, was nu stoutmoedig den aanval begonnen en in zijn onderhoud met

mevrouw Bishop, had hij klaarblijkelijk op deze dame den indruk gemaakt

van een idealen pretendent naar de hand harer nicht.

Het zou nutteloos zijn, met mevrouw Bishop te spreken.

Riordan kende de lage en baatzuchtige motieven te goed, waardoor deze

dame zich liet lijden. „Ze bederft de stem van het jonge meisje

heelemaal door haar zooveel te laten zingen,” mompelde hij bitter, „en

dat alleen om er voordeel van te hebben en zij zou haar ziel voor een

titel en een positie verkoopen.

Zou Mabel wegloopen en met mij trouwen? Mij dunkt, dat de zelfzucht van

haar tante haar nu toch moet beginnen tegen te staan. Maar al zou ze

wegloopen, hoe zou ze dat moeten doen? De oude Gorgon verliest haar

nooit uit het gezicht!”

Tot laat in den nacht was hij aan de oplossing van dit probleem bezig,

met de pijnlijke overtuiging in zich, dat, als hij niets deed, alvorens

de Concert Company te verlaten, dit wellicht noodlottig voor zijn

verwachtingen kon wezen.

Eindelijk kwam er een plan in hem op. Den geheelen volgenden dag hield

hem dit bezig.

Des avonds vertelde hij het, bijna bevend van vrees, zoo goed als kon,

aan Mabel.

Lord Lister No. 0111: De gestolen familiejuweelen · 第 25 / 26 题