Bankier Steenbergen las dit schrijven wel vier keer over, vóórdat zijn
gedachten weer geregeld konden gaan.
„John C. Raffles,” fluisterde hij toen, „dat is de Groote Onbekende, de
gentleman-dief.
En hij zendt groeten voor den verdwenen Massaar—hij schrijft, dat de
familiejuweelen terecht zijn—dat klopt niet, Massaar, dat klopt niet!”
En de brief ontviel zijn handen.