De graaf d’Avignon had zijn bezoek aan mevrouw Bishop en hare nicht op
vier uur bepaald. Maar het was nog ruim anderhalf uur vroeger, toen een
rijtuig voor de woning in de G-straat, Piccadilly, stilhield, en een
kleine jongen in livrei hem aandiende.
„Ik ben zooveel vroeger gekomen,” verklaarde de bezoeker, „in de hoop,
dat u uw bekoorlijke nicht wel zult willen toestaan mij op een ritje in
het park te vergezellen.”
„Daar heb ik niets tegen,” antwoordde mevrouw Bishop welwillend, „als
mijn nichtje er pleizier in heeft.”
Toen de jonge dame de kamer binnentrad, beantwoordde zij koel den
beleefden groet van den graaf. Maar tot groote verwondering van mevrouw
Bishop, nam zij, na eenig wederstreven, de uitnoodiging voor het ritje
aan. „Het lieve kind is verstandiger dan ik dacht!” riep de oude dame
uit, toen zij het rijtuig zag wegrijden.
Mevrouw Bishop keerde naar de huiskamer terug, waar zij zich een
schitterende toekomst voorstelde, die de rijkdom van den graaf haar
zoude verschaffen, weinig denkende, dat het rijtuig, dat al haar hoop
bevatte, in plaats van naar het park te rijden, links afsloeg en zoo
snel mogelijk den weg naar het Charingcross-station insloeg. Het kwam
daar aan, vijf minuten, voordat de trein naar Parijs afreed. Eenmaal in
een gereserveerde coupé gedoken, haalden de samenzweerders weder ruim
adem.
„Je hebt je rol prachtig gespeeld, Ernest.”
„Vindt je? Ja, toen ik aan de Apollo-opera was, zei men altijd, dat ik
beter acteerde dan zong.”
„En wat een prachtige vermomming heb je aan,” ging Mabel voort, terwijl
zij naar den langen baard, het lorgnet en de slobkousen keek, die, met
andere hulpmiddelen, Riordan tot een getrouwe kopie van den graaf
gemaakt hadden. „Ik was half en half bang, dat het toch nog de echte
graaf was”, zei Mabel lachend.
„Ja, dank zij de grime en een weinig bedrevenheid in het buikspreken.
Arme graaf, ik kan me zoo voorstellen, hoe hij zich de haren uit het
hoofd rukt, als hij ziet, welk een poets wij hem gebakken hebben.”
„Ernest, denk je heusch, dat in de liefde en den oorlog alle middelen
geoorloofd zijn?”
„Natuurlijk zijn ze dat, engel.”
Nu besprak het paartje de plannen, die Ernest ontworpen had. Hij had
een vriend, Karslake genaamd, bij de Engelsche ambassade te Parijs en
door bemiddeling van dezen vriend kon een huwelijk binnen een paar
dagen voltrokken worden. Waren zij eenmaal getrouwd, dan zouden zij
naar Londen terugkeeren en met mevrouw Bishop vredesonderhandelingen
aanknoopen. De vrouw van zijn vriend was voor hun plan gewonnen en
Mabel kon bij haar logeeren.
Juist toen de trein Calais verliet, keek een Franschman in den coupé en
nam de reizigers doordringend op.
„Ik vraag u wel excuus,” zei hij beleefd, „ik meende een vriend te
herkennen.”
„Zeker een vriend van den graaf,” zei Ernest een oogenblik later.
„Zoodra wij bij Karslake zijn, moet ik mij van die vermomming ontdoen.”
De nieuwsgierige Franschman snelde naar het telegraafbureau en verzond
een telegram, van den volgenden inhoud:
„Graaf d’Avignon passagier naar Parijs, trein 10.47. Zou goed zijn,
ambtenaren te hebben om identiteit vast te stellen.”
Dit telegram werd direct daarop aan het politiebureau te Parijs
ontvangen en het gevolg hiervan was, dat, toen Ernest den trein
verliet, hij onmiddellijk door rechercheurs werd aangehouden, waarvan
er een zeide:
„Monsieur le comte d’Avignon, ik arresteer u op grond, dat gij verdacht
wordt medeplichtig te zijn aan een samenzwering tegen de republiek.”
Ernest en Mabel waren sprakeloos van ontzetting.
Het aanbod van de politiemannen, dat de jonge dame den gevangene naar
het politiebureau mocht vergezellen, werd zwijgend aangenomen en
spoedig was het commissariaat bereikt.
„Maar ik ben de graaf d’Avignon niet,” verzekerde Ernest keer op keer.
„Ik ben een Engelsch onderdaan.”
„Dat hebt ge ons te bewijzen,” antwoordde de hoofdcommissaris, „gij
zijt tweemaal herkend voor den graaf en wij wisten wel, dat gij in
Engeland verblijf hield.”
Ernest zond natuurlijk een boodschap naar Karslake en het resultaat
hiervan was, dat de politie den gevangene weder in vrijheid stelde.
„Wij kunnen den vogel nu toch knippen,” zei de commissaris, „als hij
maar niet weet, dat wij hem op het spoor zijn. Zend dit telegram
dadelijk naar den graaf d’Avignon G-hotel Londen.
„Ben hotel C. Parijs. Kom mij te hulp. Durf niet aan tante
schrijven.
Mabel.”
Twaalf uur later werd de echte graaf d’Avignon gearresteerd, op het
oogenblik, dat hij het hotel C. wilde binnentreden, met mevrouw Bishop
aan zijn arm. Zoodra deze dame zich aan de politiebeambte verstaanbaar
had kunnen maken, snelde zij naar het huis van de Karslakes. Ernest en
haar nichtje waren uit.
„Ze trouwen van middag,” deelde Karslake kalmpjes mede, toen hij er in
geslaagd was, mevrouw Bishop eenigszins tot bedaren te brengen.
Op deze mededeeling ontvlamde haar woede opnieuw, maar wederom wendde
de attaché zijn diplomatieke welsprekendheid aan, en een paar minuten
later zat mevrouw Bishop kalmpjes te luisteren naar zijn verhaal van de
vreeselijke straffen, zoo als verbeurdverklaring van alle goederen, die
een samenzweerder tegen de Republiek moesten treffen, welk verhaal
doorspekt was met lofredenen op Riordan’s deugden en artistieke
talenten.
„Eén vogel in de hand is beter dan tien in de lucht,” philosopheerde
mevrouw Bishop. „De graaf verliest misschien zijn goederen en wordt
wellicht in de gevangenis gezet. Riordan zal er niets tegen hebben, dat
Mabel voortgaat met zingen, en ze zullen wel nooit zoo onaardig zijn om
mij een fatsoenlijk inkomen te weigeren.”
Bij het geluk, dat Mabel in haar wittebroodsdagen smaakte, was één
wanklank—de gedachte, dat zij de onwillekeurige oorzaak was van de
gevangenneming van den graaf.
Het was dan ook met groote vreugde, dat zij hoorde, dat hij
vrijgesproken was.