Dit--vooral wegens de plastiesche voorstelling--zeer moeielijk te
spelen stuk wordt met de allerprimitiefste hulpmiddelen weêrgegeven
op eene wijze, die stellig groote bewondering en hooge achting
verdient. Ik heb reeds gezegd, dat het tooneel niets meer dan een
houten stelling is, van alle zijden open, van achteren alleen beschut.
Op den achtergrond zitten de bij elk tooneelspel onmisbare
muzikanten. Er is geen kapelmeester, en zij spelen allen uit het hoofd,
zonder muziekboeken. Het orkest is samengesteld uit drie bestanddeelen:
slaginstrumenten, strijkinstrumenten, en blaasinstrumenten. De eerste
soort telt gewoonlijk twee groote gongen van koper, geslagen met een
hamerstok; deze heeten "lô"; verder twee "poáh", koperen bekkens,
die, als de europeesche, tegen elkaar geslagen worden, een "piah ko",
een soort tambourijn, van paardehuid, en een grootere trommel, die
van boven en van onderen is bespannen met ossehuid, "t'ong ko".
[**ERROR: Contains unhandled entity &ecibb;]
De violensoort heeft één viool van hout, "kóng-á hiên", met twee
snaren, en één kleinere--"ho hiên"--; twee tweede violen--"dsi
hiên"--een "gi ho&ecibb;"--tokkelinstrument, gelijkende op een cither,
een "sam hiên", viool met drie snaren, en een "pak pê", een zeer groot,
rond, viersnarig bord, waarop met trommelstokjes wordt getokkeld. Elke
vioolsnaar geeft vier tonen. De snaren zijn gemaakt van de slijmerige
draden, die slakken achterlaten.
De blaasinstrumenten zijn twee dwarsfluitjes, "p'in-á", en twee lange
fluiten, "tông siao", twee klarinetten, groote, "toa ts'e" en twee
kleinere, "sìo ts'e"; een groot, erg gecompliceerd instrument, "sing",
van meer dan twintig fluitjes, uitkomend in ééne opening; dit is het
moeielijkst te bespelen van allen, en weinige longen kunnen er lang
tegen. Dit en de eerste vier instrumenten zijn geheel van bamboe. De
klarinetten zijn half koper, half hout. Verder is er een paar lange
horens, die worden uit- en ingeschoven als schuiftrompetten, en zeer
lange, donkersombere geluiden geven, "ho t'aô".
Daar er slechts acht muzikanten zijn, kunnen al deze instrumenten nooit
tegelijk bespeeld worden. Verbazend snel verwisselt een muzikant dan
ook midden onder het spel van instrument. Wonderlijk is het keurige
in-de-maat blijven bij de begeleiding van een solozang. Dan wordt
met vier kleine houtjes tegen elkaar de maat getikt.
Niet elk Chineesch tooneelspel heeft, als onze opera's, zijn eigen
muziek. Maar er is muziek apart voor elke soort gebeurtenis in een
spel, en deze wordt in elk spel op de behoorlijke plaats gespeeld. Een
vreemdeling, die voor het eerst in China is, denkt licht, dat er zoo
maar in 't wild weg lawaai wordt gemaakt door het orkest, en voelt
zich alsof er iets in hem verscheurd wordt, zoo valsch klinkt de
muziek in zijne ooren. Maar als men geregeld veel spelen bijwoont
leert men al spoedig onderscheiden, en begint de vreemde muziek wel
degelijk emoties te geven. Ik weet nog den geweldigen slag, als boven
op mijn hoofd, dien ik kreeg, toen ik bij den dood van een held bij
zijn fellen smak op den grond één ontzettend somberen gong-bom hoorde,
en daarna alles stil totdat een clarinet en een zeer droeve fluit in
zacht-klagend geween uitschreiden.
Er is voor elk geval in het spel een afzonderlijk motief. Als een
civiel mandarijn opkomt is dat anders, dan wanneer er een militair
mandarijn komt. Er is een vaste krijgsmuziek, een muziek van aanval,
van aftocht, en een jubileerend-feestelijk keizersmotief. Een Chinees
weet door de muziek al in de verte, wat er gebeurt, al kan hij
het tooneel nog niet zien. Hij kan hooren, waar een leger optrekt,
waar het strijdrumoer is, en waar in de verte de trommen den aftocht
slaan. Hij weet, waar de muziek van liefde zingt, en de muziek van
haat schettert. Mooi is het aanvallen van legers gedaan door de
muziek. Dan slaan eerst even de gongen met zacht gebom, waarop de
kleine trommels even roffelen, en langzaam sneller, sneller, als het
aanstormen van veel soldaten, met wild paardengetrappel, en eindelijk,
bij den strijd zelf, gaat het in razende vaart, zonder ophouden, met
zulk een snelheid van bekkengeklang en tromgeratel, dat het op verren
afstand werkelijk als het lawaai is van duizenden krijgers, in een
mêlée van stormgeluid. Dán somtijds een, twee doffe gongslagen, en het
is even stil. Er is een leven neêrgedonderd door het Noodlot. En als de
blaasinstrumenten dan huilend klagen is dat het smartgeluid der kleine
menschen, dat schreiend opkomt na het donderstormen van het Fatum.
Het is hoofdzakelijk het angstig-makende, het overspannende van
de muziek, dat het tooneel zoo aantrekkelijk maakt. De Chinees is
dol op lawaai van koper, en er is gloed en schittering van oogen
te zien in de gezichten, die in het zachte avondlicht opzien naar
het tooneel, beschenen door het fakkellicht. Vooral de strijdmuziek
is overweldigend, door de stijging van het langzaam aankomen en dan
razend voortratelen van trommen, dat de emotie geeft van op een wagen
een eindeloozen afgrond in te rollen. Er is dan een dol verlangen,
om toch eindelijk de sombere, eenzame gongslagen te hooren, die de
dood zullen zijn.
Mét de muziek is de voornaamste aantrekkelijkheid het gewaad van
den tooneelspeler. Wordt alles van omgeving en oogengenot volkomen
verwaarloosd, aan de gewaden van de acteurs wordt de grootste zorg
besteed. De gewaden zijn geen gewone kleeren meer, zij zijn een kunst
apart. Si Dzîn Kuì had een lang staatsiekleed van groene zijde,
wijd om hem heen, met statige plooien neerhangend. De mouwen tot
over de knieën reikend, in superben val. Hij kan zich in dit gewaad
alleen langzaam bewegen, met den deftigen stap, die een oud man
past. Op zijn kleed een creatie van goud [9]. Om zijne voeten de zee,
van dikgouden golven, die in hoogen zwaai opbruisen, met spatting
van vonken. Daaruit rijzen in wilde kronkeling twee gouden draken
naar gouden wolken, van prachtigen vorm, met luchtige zweving als
voortgaande, zoo fijn gedaan. Op zijn borst een dikke, gouden zon,
waarom weder twee gouden draken, met oogen van een groenen steen,
en lange, lekkende tongen. Draken op zijne mouwen, zijn rug, om zijn
hals. Het goud is als eene levende glorie, die hem met een eigen licht
omstraalt. Als hij maar even beweegt, en zich wendt, zwaait het kleed
met breed gebaar om hem mee, en is het of de draken zich kronkelen,
licht uitstralend naar alle zijden. Ook is er zacht geruisch van goud,
dat het tot iets levends maakt. De plooien van het gewaad zeggen zijn
ouderdom en zijn deftigen ernst. Zijne gebaren zijn alle langzaam
en kuisch, alsof ze weten, dat ze rondom zwaaiingen maken, die het
karakter van den speler moeten weêrgeven.
Si Ting San is in harnas van zilveren schubben, weêrgegeven door
zilverachtige zijde, met goud. Hij heeft niet een uit één stuk gemaakt
wijd gewaad, maar borst-, arm- en beenstukken. Bij de schouders en de
knieën twee leeuwenkoppen. Zijn zilverzijden harnas glanst maar éven
heel fijnzacht door de dik-gouden draken en zonnen die een fel licht om
hem schijnen. Hij is van hoog-schitterend goud, als een immense trots,
met zacht-schemerend zilverlicht daaronder, als liefde. Op zijn rug
een koker met vijf puntige vlaggen, die als een krans van pracht om
zijn hoofd opkomen. Op zijn metalen helm twee enorme faizanten-veeren,
die hoog boven alle andere spelers uitsteken, en over het geheele
tooneel zweven. Als hij het hoofd maar even beweegt zwaaien de twee
veeren met breed gebaar hoog achter hem.
De generaal To It Ho is in gewaad van donkerpaarsche, bijna zwarte
zijde, met groote gouden bloemen. Hij mag niet de draken dragen van
de hoogste mandarijnen. Maar er bloeien schitterende gouden bloemen
om zijn zwarte verschrikkelijkheid. Zijn gezicht is ook geheel zwart,
uit de mondhoeken komen vier witte strepen, die naar ooren en oogen
gaan. Zijn zwart gezicht en zijn gewaad geven hem zooals hij in het
hoogste moment van zijn rol het hevigste is. Dit karakter houdt hij
het geheele stuk door, ook in vredelievend gesprek.
Zijn vriend Lô Tsiong is in helrood, waarover dezelfde gouden
bloementooi, en het gezicht eveneens helrood, met zwarte
beschildering. Hij is de roode, en To It Ho de zwarte, zoo zijn ze
in den dichtsten strijd dadelijk te herkennen aan hunne kleur.
De andere mandarijnen zijn in blauw, in groen, in paarsch, wit [10]
en weêr rood, maar allen in een glorie van goud, en met een fellen
glans om zich heen, die in den avond gezien als een droom van licht
is. Het goud is voor het eerst gezien in de zachte donkerheid van den
avond als een immens orkest, dat luid uittrompettert uit een stilte.
Han Lee Hoa is gekleed als een jonge vrouw, die niet allereerst
vrouw wil wezen, maar een leerling van een in mysterieën ingewijde
toovenares, als een mensch, die weldra een Geest zal kunnen
worden. Daarom is zij zonder waaiend gewaad, zonder eenig sieraad,
en zonder harnas, want zij is onkwetsbaar. Zij heeft een nauw vest van
eenvoudige zwarte stof, vast om het lichaam gekneld, dat daarin slank
en tenger te zien is, een blinkende gordel, en een nauwe broek. Al
hare bewegingen zijn uiterst gevoelig en sierlijk. Er is als een
slangachtige kronkeling in haar lijf, en ze kan zóó lucht omhoog
springen in het nauwe kleed, met haar zeer fijn, elastiesch lichaam,
dat het is, alsof ze vanzelf, door een zachten ademtocht gedragen,
omhoog zal gaan. De haren zijn heel eenvoudig op het hoofd vastgebonden
in een wrong.
Het eenige uitsluitend vrouwelijk mooie is haar gezicht. Dit is teêr
beschilderd en bepoederd met rood en wit, tot een superbe kleur,
"als perziken" zooals een chineesch dichter zegt. Oogen, die somtijds
zoo sereen-zacht kunnen zijn "als een stil water in den herfst bij
avond", en wenkbrauwen, met statig gebaar opgaande, "als de omtrekken
van heel verre bergen" zoo teer. De lippen wijnrood, als voor veel
vurige kussen.
De meer ondergeschikte spelers, gevolg, dienaren en soldaten zijn
eveneens in kleurige dracht, zonder goud, maar meestal hel rood, dat
onder het fakkellicht vlamt met den glans van moord en oorlogsgeweld,
die bij dit spel van strijd en doodslag behoort.
Met alléén de superbe kleuren der gewaden, en de actie der spelers
als middelen, wordt het moeilijke stuk gespeeld, met een zekerheid en
een aplomb, alsof de beste monteering medewerkte, om den geweldigen
indruk te geven.
Als Si Dzîn Kuì met zijn leger naar Han Kong Koan optrekt, wordt
eerst voorgesteld, hoe hij zijne bevelen geeft. Er is een tafel,
waarvan een rood kleed afhangt met gouden draken. Hierachter zit Si
Dzîn Kuì, zeer statig in de nu stille zwaaiingen van zijn wijd gewaad,
waarvan de omlijning zijn hooge waardigheid uitdrukt. Aan weerszijden
staan de hooge mandarijnen, en daarachter geschaard de soldaten. Het
orkest speelt de eere-muziek, die past bij den generaalsrang. Si Dzîn
Kuì doet niets dan zijne bevelen geven. Hij roept zijne generaals
To It Ho en Lô Tsiong. Deze naderen met ernstigen stap, buigen,
en blijven gewichtig staan. Schittering gaat er over hen bij elke
kleine beweging, zachte glans van zijde en fonkeling van goud. Si
Dzîn Kuì geeft een keurig teeken met zijne hand, waarop zij neigend
teruggaan. Hijzelf weer roerloos, machtig van ernst. Somtijds neemt
hij zijn lange baard in de hand, en laat hem zachtjes op zij weer
neerglijden, als het bewijs van zijn waardigen ouderdom, dat hij even
heeft willen voelen. Hij geeft weer een teeken. Een andere mandarijn
nadert. Weer hetzelfde tooneel. Dit is voor een westerling vervelend,
en hij begrijpt er de bedoeling niet van. Een Chinees ziet er met
groote verrukking naar. Hij is dol op mandarijnen. Een mandarijn is
iemand, die in vorige levens bizonder goed is geweest, en daarom nu
belooning heeft gekregen in dit leven. Mandarijn worden is het beste
wat iemand van zijn leven overkomen kan. Een mandarijn, weet hij,
heeft ander gewaad dan hij, draagt de kristallen knoop op zijn hoed,
en is onzeggelijk "t'é bièn", ongeveer ons "fatsoenlijk". En dan de
keizer! De Zoon des Hemels wien de geheele Aarde toebehoort! En zoo'n
Si Dzîn Kuì, een opperbevelhebber, die met den keizer omgaat, en met
eerbewijzen en gunsten wordt overladen. Een hoog mandarijn alléén,
zonder tooneelspel, is al iets enorm gewichtigs om naar te zien.
En wat de Chinees nu zoo verrukkelijk vindt in deze vertooning
is het deftige zitten van Si Dzîn Kuì, met die verbazende wijde
mouwen, die zoo diep neervallen, en waardoor hij zijne handen alleen
met heel statige, voorname gebaren kan oplichten, en het zijn de
keizerlijke draken, die hij mag dragen, omdat hij zoo'n allerhoogst
mandarijn is, en het zijn de almachtige bevelen, met hooge keelstem
uitgestooten in het aristocratische mandarijndialect. En hoe die
andere mandarijnen--zelf ook hooge--voor hem neerbuigen, hoe ze hun
handen dan houden, en hoe ze hun voeten zetten; hoe verschrikkelijk
voornaam zulke dingen zijn, dat prachtige stappen en dat plechtige
buigen, en dan weer heel stil staan met dat goud, ja vooral dat
goud zoo overal om hun lijf--al deze dingen is een Chinees nooit
moe om te zien, hij groeit er in, hij vindt het enorm gewichtig,
hij voelt er zich van watertanden. Want een Chinees is een kind
als het op zaken van mandarijnen aankomt. Hij mag geen halve cash
overhebben voor een liberaal werk, maar hij betaalt gaarne duizenden
om mandarijn te zijn. En dit is onschuldiger dan het lijkt. Een Chinees
is verbazend gevoelig voor voornaamheid, maar voornaamheid van gewaad,
van gebaar, van kleur en lijn. Een prachtig gewaad maakt zijne zorgen
blij als een prachtige dag. Een mooi gebaar vindt hij mooi, omdat een
mensch er zoo mooi mee uitziet, omdat er iets van zijn ziel in is,
waaraan hij hem kennen kan. Een mooie vrouw vindt hij niet mooi om
het zinnelijke alleen, maar wel degelijk om de gevoelige teêrheid van
haar wenkbrauwen, en de avondrood-kleur van haar wangen, en de gracie
van hare bewegingen. In het land, waar op dit oogenblik literatuur
en teekenkunst, en bijna alle kunsten kwijnen, zijn de tooneelspelen
het eenige, wat er nog voor een gewoon Chinees te genieten valt En
hij is daarin gaan onderscheiden, en fijn gaan leeren zien, met al
de bevattelijkheid, en de studie, die hij niet meer kan gebruiken
voor andere soort kunst. Ik zou kunnen zeggen, de tooneelkunst is de
Kunst van het hedendaagsche China.
Zijn de bevelen gegeven, dan gaat het leger op weg naar de schepen. Een
statige ommegang op het armzalig tooneeltje, de mandarijnen voorop,
gevolgd door dienaren die hunne wapenen dragen.
Het tooneel is in vier groote stappen overgestoken, maar onverstoorbaar
gaat de optocht eenige rondten door, de roode, groene, blauwe zwarte,
witte gewaden verward door elkaar, met overal goudschittering, niets
dan kleur en goud, die bewegen op maat van een oorlogsmuziek. Een
groot feest voor de oogen van het Chineesche publiek, die zoo van
licht en pracht houden. Het voelt zich gelukkig door het gewaai van
de kleuren, en vooral door dat goud, dat vlammen van draken en bloemen.
Eindelijk weêr stilstand. Er wordt een breede plank gelegd op het
tooneel. Dit is de loopplank over de zee, naar het admiraalschip. Nu
gaat Si Ting San vooruit, voorzichtigjes, en reikt zijn vader Si
Dzîn Kuì de hand. Een eerbiedig gebaar, waarbij hij het voorname lijf
heel teeder voorover buigt, om te zien, hoe de voeten van den ouden
vader stappen, en met een voorzichtige zorg in zijne oogen, die deze
simpele beweging tot iets subliems maakt. Want in China is de Haò
[11] de eerste deugd van den mensch, waaruit alle andere deugden
voortkomen. Zachtjes, stapje voor stapje, o! zoo voorzichtigjes
en teêr gaat Si Ting San over het plankje, en leidt den ouden man
voort, die zoo heel bezorgd achter hem aanstapt, dat zijn wijde
gewaad bijna niet waait, en de gouden draken maar éven fonkelen,
en dan weer stil lichten.
En dit kleine tooneeltje, dat enkele oversteken van het plankje, op
het armzalige houten stellinkje dat nu heusch een zee moet verbeelden,
is van een heel superieure kunst, die het symbool van de Haò van het
volk geeft. Niet licht zal een ernstig toeschouwer het vergeten,
hoe in deze miserabele omgeving zoo iets groots werd gedaan, door
twee heel gewone tooneelspelers, met die prachtige simpelheid van
bewegingen en gebaren, die juist de eenige ware kunst zijn.
Ook de andere generaals steken het plankje over, somtijds naar beneden
ziende, waar de zee ergens moet bruisen en zelfs een slip van het
gewaad optillend, bang voor zeewater op de zijde. En dit alles zóó
gedurfd, met zoo'n dappere verachting voor het feit dat er in 't geheel
niets is dan een planken vloer, en zelfs geen flauwe nabootsing van
water, dat niemand onder het publiek het maar een oogenblikje gek
vindt, en durft te lachen. Want het spel zelf van de acteurs moet
den Chinees de omgeving doen zien.
Als allen over het plankje zijn worden er gewone rieten stoeltjes
gezet, en is het tooneel opeens een admiraalschip geworden. De
generaals gaan allen om Si Dzîn Kuì zitten, die weer heel deftig in
het midden is, omlijnd door de breede gebaren van zijn gewaad. Op de
vier hoeken van het tooneel gaan twee mannen staan met lange riemen,
en beginnen zeer ernstig te roeien. Keurig is hun roeibeweging,
waarbij zij het lijf achteruit buigen, en weer vooruit, met telkens
een stap achter of voor van het been. De muziek speelt nu weer een
ander motief, met lang uitgestooten, monotone horentonen, die prachtig
het windgezang geven over het water.
Nu is dus het publiek door roeigebaren aangetoond, dat de spelers
op de zee zijn. Als nu straks deze menschen van hunne stoelen gaan,
en opeens de vijandelijke strijders komen, gebeurt dat nog alles op
de zee, alleen op een andere plaats.
Nu komen de zonen van Han Hông op het tooneel, met hunne troepen. Zij
zijn in blauw en groen, op dezelfde wijze beschilderd als To It Ho en
Lô Tsiong. Plotseling komen de vorige spelers weêr op, met zwaaien
van lansen, en oorlogskreten. Alles is nog op zee. En het gevecht,
dat volgen zal gebeurt op oorlogschepen. Han Liông en Lô Tsiong raken
handgemeen, en steken met hun lansen naar elkaar. Zij houden hun wapen
met twee handen boven het hoofd, en vechten met prachtige bewegingen,
in een bepaalden stijl, want het strijden in de oudheid was een kunst,
met vaste wetten van schoonheid en gratie. Om nu de zee wat meer
aan te geven, en te zeggen, dat elk strijder op zijn eigen schip is,
gaat naast elk een roeier, met gebukt hoofd om slagen te vermijden,
die onder de snelle uitvallen en parades altijd door zijn keurige
roeigebaar maakt. Mooi zijn de rechte lijnen der lansen, die elkaar
steeds kruisen, en andere figuren maken.
De muziek is nu een bommen van trommels, ál sneller en sneller, om
het stijgen der woede te geven. Als eindelijk Han Liông overwonnen
is, valt hij niet, maar gaat eenvoudig uit de gelederen. Ik zag hem
achter bij de muzikanten kalm een kopje thee drinken, en zich in een
spiegeltje bekijken, of zijn helm wel goed zat. De Chinees is door
zoo iets niet geschokt en uit zijn emotie gebracht, want hij kijkt
er niet naar. Hij ziet alleen naar wat voor op het tooneel gebeurt,
waar de strijd nog voortduurt, en waar nu Han Ho door To It Ho wordt
verslagen. De behaalde overwinning wordt nu vertoond door een omgang
van de krijgers, met lansen triomfantelijk omhoog gehouden, en onder
luid victoriegeschreeuw.
Dan worden plotseling twee lange stokken in de hoogte gestoken,
waarover een groot zeildoek is gespannen. Wij zijn nu in een volgend
bedrijf. Onnoodig te zeggen dat, daar er in 't geheel geen scherm is,
de bedrijven allen met open tooneel achter elkaar worden gespeeld. De
stokken met het doek stellen de stad Han Kong Koan voor. Er worden
banken en stoelen achtergezet, waarop de bewoners in dreigende houding
zóó gaan staan, dat ze met hunne hoofden juist boven het doek uitkomen,
en lansen er over heen kunnen zwaaien. De troepen van Si Dzîn Kuì
staan er tegenover. Het is heen en weêr een gedreig van woorden en
gebaren. Lansen en zwaarden worden gestoken naar het stuk zeildoek. En
alles steeds door met den bewonderenswaardigen ernst, die bij sommige
heel romantische jongens is te zien, als zij roovertje spelen. Er
wordt een verbazende kracht voorgewend om tegen het stuk doek te
loopen, en met de handen worden denkbeeldige pijlen afgeschoten,
terwijl de oogen eerst heel lang en ingespannen mikken. Eindelijk
valt het zeildoek weg, en er is dan een uitval gedaan.
Han Lee Hoa verslaat hare verschillende vrouwelijke tegenstanders, tot
ten laatste Si Ting San opkomt. Dit wordt door de acteurs eenigszins
anders gespeeld dan precies in den tekst staat.
Han Lee Hoa geraakt met den held in verwoed gevecht. Maar op eens,
na het felle strijden, na het stormgebom en slagroffelen van het
orkest, is het heel stil, en staan zij schouder aan schouder,
elk nog met de hand opgeheven, terwijl hunne oogen in eene wondere
schittering elkander bestralen. Het is of zij in hun moordende driften
opeens betooverd zijn geworden, roerloos geslagen door den immensen
slag op hunne zielen van een als bliksem gekomen sensatie. Hunne
borsten hijgen, als op den rhythmus van de woelende beweging in
hunne harten. Zilver glanst op Si Ting San's borst heel zacht, en
als wondere geheimen bloeien daarover de roode bloemen, wijl gouden
draken bewegingloos schitteren. De lange veeren op zijn helm lijnen
ver over het tooneel, en trillen zachtjes. Hij ziet met zwarte oogen
naar haar, met de wildheid van een bloedlustig beest, getemd door
een betoovering, waar het niet tegen in durft gaan. Maar zij ziet
hem aan met den langen blik van herkenning, als een ziel een andere
ziel vermoedt, uit een vorig leven. Zij tracht hem te temmen door
haar oogenlicht, en staat onbewegelijk, alleen somtijds heel even
spiertrillend als onder de inspanning, om al haar magnetisme en haar
blik te concentreeren. Het zijn donkere oogen van noodlot, als met
licht blinkend, dat niet van deze wereld is.
De muziek is stil.
Dit tooneel duurt lang. Zij staan heel lang zóó roerloos, zóó in een
hoog moment van noodlot.
Totdat er een zacht zingen opklinkt van violen, wat weemoedig-blij.
En haar stem gaat tot hem uit. Hij antwoordt zingend, op rhythmus
van zangmuziek. Het is of hunne zielen wiegend samenkomen, zacht
samenhuwen in naar elkaar toeneigende klanken.
Maar: "Bom!" een doffe gongslag, en een woedend uitgehuil van sombere
horens. Hij schreeuwt zijn oorlogskreet, en zwaait zijn lans. Wijd
waaien de lange helmveeren sidderend in de hoogte. Tromgeroffel gaat
versneld op, en het oorlogsmotief klinkt bommend.
De strijd is weêr begonnen. Si Ting San stormt vooruit, met woedende
stappen, en fel gebaar. Han Lee Hoa draait rustig om hem heen, haar
slank lijf lucht bewegend in licht wijken, en met twee zwaarden
kalm de zware lansstooten opvangend. Zij strijd als een, die zeker
is onkwetsbaar te zijn, en achteloos, vreezeloos in haar weten van
het noodlot. Zij is in zacht en stemmig grijs als kleurloos, als in
rust, wijl voor haar het schitterende goud vlamt van Si Ting San,
die zoo wild stormt, dat het is of zijn gouden draken woest om Han
Lee Hoa kronkelen. De strijd duurt tamelijk lang. Het publiek houdt
hiervan. De muziek is onrustig stormend als de bewegingen van den
held, en de kronkelingen van de gouden draken. Eindelijk geeft Han Lee
Hoa een teeken met haar hand. Zij heeft een klein schaaltje daarin,
waarin buskruit ontvlamt. De bovenaardsche krijgers, hiermede door
haar opgeroepen, kunnen niet naar waarheid voorgesteld worden,
volgens de handeling in het boek. Daar hebben de Chineezen geen
middelen voor. In plaats hiervan worden dus booze demonen, "kuí", [12]
op het tooneel gebracht. Een Chinees is heel bang voor kuí. Kuí zijn
booze geesten van afgestorvenen, die altijd op de aarde rondwaren, en
de menschen kwaad doen op allerlei lage manieren.
Heel curieus is de manier, waarop de Chinees zich zoo'n geest
voorstelt. Het is als een mensch, met gewoon, klein lijf, waarop een
enorm groote kop. Door de zwaarte van het hoofd beweegt het lichaam
lomp en potsierlijk, zoo los alsof er geen beenderen in zitten. De
kop is niet bijzonder verschrikkelijk, of duivelachtig, maar heel erg
dol, een glimmend, rood gezicht, als van iemand die veel gegeten en
gedronken heeft. Het heeft dikke, uitpuilende lodder-oogen.
Si Ting San wordt door vier zulke personages omringd. De geesten
dreigen of slaan hem niet, maar zij dansen spottend om hem heen, met
hun kleine handjes waaierend naar hun kolossaal waterhoofd. Zij loopen
lustig te spelen, als dronken menschen, en maken gracieuse beweginkjes
met hun waaiers, die ridicuul zijn bij hun waggelende koppen. Er is
niettegenstaande het koddige iets moeilijk te beschrijven, "funèbre's"
aan hen.
En Si Ting San, die niet vreest voor zwaarden en lansen, duikt in
elkaar van angst. Later richt hij zich weer op en slaat met zijn
strijdbijl naar de geesten, maar zij voelen het niet, bewaaieren hem
spottend, en duwen hem weg met hunne hoofden. Eindelijk valt hij
met een acrobatische vlugheid door één beweging languit, bonsend
op de houten planken. De vier geesten dansen nu om hem heen, met
hunne groote hoofden zóó waggelend, alsof die van de zwaarte straks
zullen afvallen, en altijd door met hun waaiertjes wuivend. Als zij
uitgedanst hebben binden zij Si Ting San vast, en trippelen weg,
hoofdwiegelend en waaierend.
En nu komt Han Lee Hoa weêr aan, langzaam stappend, en met die haar
eigen beweging van haar slank lijf, waardoor het ieder oogenblik lucht
omhoog zou kunnen zweven. Zij buigt zich over den liggenden, gebonden
man, en lacht zacht. Haar oogen lichten als in herkenning, en hoop,
en liefde, en ook wel wat zachte verachting over zijn wildheid. Zij
is een echt chineesch-mooie vrouw. Prachtig zijn hare wangen gekleurd
met wit en rood poeder, zóó fijn saamgewreven, dat het als een teêre
droom van gloed is geworden, iets mystiek zachts op haar gezicht. De
lichtvolle oogen schijnen onder wenkbrauwen zóó mooi gepenseeld,
met zóó'n superbe lijning, dat alleen een kunstenaar ze zoo getrokken
kan hebben.
Aan hare voeten ligt Si Ting San verslagen. De draken liggen stil,
als getemd, hun goud fonkelt nu niet in zijn kleed. En zijne twee
lange helmveeren liggen treurig in het stof, roerloos, en zonder
pracht. Zij zingt een lied boven hem, op een monotone wijs, van
onregelmatigen rhythmus. Deze chineesche muziek is heel moeilijk te
begrijpen, en stellig mooier dan een westerling zonder jarenlange
studie kan voelen. Ik hoorde er alleen iets weemoedig-liefs in,
iets van herinnering.
Maar Si Ting San begint onder haar zacht lied te bewegen. De veeren
schuifelen opeens met een langen zwaai over het tooneel. De draken
kronkelen weêr, en lichten. En hij uit geluiden met een hooge keelstem,
en wringt zich wild onder de touwen.
Zij lachend boven hem, haar oogenlicht naar hem toe. En zij weet
hem te overreden, zonder spreken, alles door gebaren en blikken,
om den eed van trouw te zweren. Als hij gezworen heeft bindt zij hem
los. Maar hij heft zijn lans weêr op, en de strijd begint weer. Hij
weêr de wilde, met draken draaiende, zij de rustige, vlugge, de
zekere. Op het laatst vlucht zij achter op het tooneel. Er komen twee
koelies op, die een allerprimitiefst toestel brengen. Een lange paal,
waaraan van boven een lat, met een touw. Dit stelt den afgrond voor,
waarin Si Ting San terecht komt, door het schenden van zijnen eed. Si
Ting San gaat daaronder liggen en bindt het touw om zijn middel. En
het tooneel is klaar. Hij begint wanhoopsgebaren te maken en om hulp
te roepen onder de paal, die de hooge rots met den afgrond is. En om
meer waarschijnlijkheid aan de vertooning te geven, worden er boven
op de lat twee houten muisjes gezet, die heen en weer kunnen bewegen,
terwijl een muzikant een piepend muizengeluid maakt met twee houtjes.
Een Europeesch toeschouwer zal met veel moeite zijn lachen bedwingen
bij dit tooneel. Een Chinees vindt het diep tragisch en heel
ernstig. Want het houten paaltje, en het latje, en de muisjes hinderen
zijne fantazie niet. En zijne spanning breekt niet bij het feit, dat
Han Lee Hoa achter op hetzelfde stellinkje iets met twee eetstokjes
uit een bakje zit te eten, en Si Dzîn Kuì, die nog lang niet behoeft
op te komen, ergens zit te slapen, met zijn prachtige gewaad nog even
mooi om zich heen. De Chinees heeft alleen te maken met wat er vóór
op het tooneel gebeurt, en met de muziek. Wat er verder voorvalt,
daar omheen, gaat hem niet aan, en hij kijkt er niet naar.
Het in het boek beschreven tooneel met de vreemde prinses wordt niet
voorgesteld, maar na een korte poos door gebaren en geluiden zijn
wanhoop te hebben weêrgegeven, wordt Si Ting San weêr losgebonden,
zweert hij weêr zijn eed aan Han Lee Hoa, en begint weêr onvermoeid
tegen haar te strijden.