I.

Om een goed denkbeeld te geven van een Chineesche tooneelvoorstelling

zal ik er een uit velen beschrijven. Een der populairste is wel het

stuk, waarin een vrouwelijk krijger, Han Lee Hoa, de heldin is.

Dit stuk is getrokken uit het zoo populaire boek Tsing Se,--en speelt

ten tijde van keizer T'ai Tsung van de Thang dynastie, dus ongeveer in

de eerste helft der zevende eeuw na Christus' geboorte. In deze periode

was de beroemde veldheer Si Dzîn Kuì over de Westersche grenzen van

het rijk aan het oorlogen met de Se Liông en andere barbaren. Hij had

onder zijne bevelen den grijzen generaal T'ia Kao Kim, die "de pilaar

des rijks" werd genoemd, en den titel van koning voerde, benevens de

hooge militaire mandarijnen Lô Tsiong en To It Ho. De held van het stuk

is Si Ting San, de zoon van den opperbevelhebber Si Dzîn Kuì. Na een

reeks van schitterende overwinningen behaald te hebben trekken deze

veldheeren met een groote vloot op naar de vijandelijke provincie Hân

Kong Koan. Op dezen tijd--in het vierde deel van den Tsing Se--begint

het tooneelstuk, dat gewoonlijk Han Lee Hoa wordt genoemd.

Ik zal eerst den loop der gebeurtenissen beschrijven, en vervolgens

het spel der acteurs verklaren.

In de te veroveren stad Hân Kong is bevelhebber de oude Han Hông,

die den titel van koning had, een beroemd wijze en tacticus. Hij

zendt zijne twee zonen met een groote vloot uit, den Chineeschen

vijand tegemoet. Deze twee, Hân Liông en Han Ho, vallen de Chineesche

vloot aan. De slagen in die oude tijden werden niet geleverd, zooals

nu de gewoonte is. Het ging in de oude Chineesche oorlogen als in

de oude grieksche. Meesttijds daagden de opperhoofden elkander uit,

terwijl de legers lijdelijk toezagen. De twee zonen van den ouden

Han raakten slaags met de Chineesche generaals To It Ho en Lô Tsiong,

elk op hun schuit. De Chineezen bleven overwinnaars, en Han's zonen,

beide gewond, vluchtten in allerijl, gevolgd door hun vloot, waarvan

het grootste gedeelte veroverd werd door de Chineezen. Nu was de

zeeslag gewonnen, maar de stad Hân Kong nog niet ingenomen. Deze stad

lag bijna onneembaar, op hooge rotsen. De bewoners vluchtten binnen

de muren, en wierpen van daar groote rotsblokken en brandende palen

naar beneden. Toen Si Dzîn Kuì dus zag, dat de stad moeilijk door

bestorming te veroveren was, besloot hij haar te omringen, en sloeg

een kamp van tenten op in de vlakte. Inmiddels was in de stad de oude

koning Han in groote rouw, toen zijne twee zonen, de beste krijgers

die hij bezat, gewond en verslagen waren teruggevlucht. Hij zat in

diepe droefenis verzonken, toen zijne vrouw hem kwam vertellen, dat

hun dochter Han Lee Hoa juist denzelfden dag was teruggekomen. Dit

meisje is de heldin van het stuk. Zij was op achtjarigen leeftijd

door een oude toovenares, genaamd de oude moeder Lee San, gestolen,

en opgevoed op een verren berg. Deze toovenares was ingewijd in alle

mysteriën van leven en dood, kon van gedaante veranderen, en beschikte

over alle krachten in de natuur. Zij had Han Lee Hoa van jongs af

aan van hare tooverkunsten en wonderkruiden geleerd. De oude koning

Han voelde de hoop herleven, toen juist in dezen uitersten nood zijn

dochter was teruggekomen, liet haar dadelijk roepen, en vroeg haar,

of zij niet door wondere geneesmiddelen haar zwaar gewonde broeders

kon genezen. Dit was voor Han Lee Hoa een kleinigheid. Zij bestreek

de wonden met een tooverkruid, en de beide krijgshelden waren weer

even gezond als te voren.

Han Lee Hoa had nog wel erger tooverkunsten tot haar beschikking. Zij

had onder anderen de macht om geheele bergen te verzetten waar

zij maar wilde, van de zee boven het land uit te storten; zij bezat

wonderboonen, die, als zij ze om zich heen strooide, in onoverwinlijke

helden veranderden. Zij had een knots, waarmede zij geesten kon

verslaan, een tooverspreuk, op een amulet, waardoor zij een tweede

lichaam kon aannemen, een wonderring om vijanden in te vangen, en

een discus, die na den worp weer bij haar terugkeerde.

Koning Han vertelde haar, hoe de Chineesche veldheer Si Dzîn Kuì en

zijn zoon Si Ting San de stad belegerden, na zijn vloot verslagen

te hebben, en smeekte haar, hem met hare geestenmacht te helpen,

en hare broeders te wreken. Toen Han Lee Hoa dit hoorde, was er

heimelijk groote vreugde in haar hart. Zij wist meer dan gewone

menschen konden weten. Hare Meesteres, de oude Moeder Lee San, had

haar namelijk van tevoren gezegd, dat zij met den held Si Ting San

"verwantschap-uit-een-vorig-leven had", dat is, dat hun vorige levens

zóó waren geweest, dat zij in dit leven onvermijdelijk man-en-vrouw

moesten worden. Zij was dus niets verwonderd, dat Si Ting San de stad

van haar vader belegerde. Het heel natuurlijke Noodlot had hem zoo

vlak bij haar gebracht, opdat hij haar op den vooraf vastgestelden

tijd zou ontmoeten. Han Lee Hoa zeide hiervan voorloopig niets aan

haren vader, en verklaarde zich bereid, om met het leger een uitval

te doen op de Chineesche belegeraars.

Het was in dien tijd volstrekt niet bijzonder merkwaardig dat vrouwen

krijgshelden waren. Vóór Si Ting San tegen Han Kong optrok had hij

juist de koningin So overwonnen, van het Se Liông volk, een heldin,

die door middel van tooverkunsten door vuur al hare vijanden kon

verbranden. Si Ting San was in den strijd tegen haar verslagen, en

vluchtte te paard door de bergen. Toen hij op het punt was door de

koningin achterhaald te worden, zag hij een gewoon boerenmeisje, dat

zich bezig hield tijgers dood te slaan met een knots. Dit zonderlinge

meisje wees hem een schuilplaats aan in een boschje, en toen de

koningin hem wilde vervolgen, gooide het sterke kind haar met een

dooden tijger van het paard. Si Ting San snelde toe, en hieuw zijne

vijandin het hoofd af. Uit dankbaarheid moest hij het vreemde meisje

wel tot zijn vrouw maken. Dit was Tân Kim Ting. Zij was, evenals haar

heer en meester, een beroemd krijgsheld.

Den volgenden dag trok Han Lee Hoa met haar leger uit de poorten van

Hân Kong Koan om slag te leveren met den vijand. Volgens oorlogsgebruik

werden donderbussen afgestoken, en op zware trommels geslagen. De

legers kondigden meestal hun komst ridderlijk aan, om den vijand tot

het gevecht op te roepen. Han Lee Hoa, die in smachtend verlangen was

om te zien wie Si Ting San was, reed te paard buiten de gelederen,

en riep uitdagend, dat Si Ting San uit het vijandelijk leger moest

treden, om met haar den eersten kamp te strijden. De oude veldheer

Si Dzîn Kuì, die een trotsch en hooghartig man was, voelde zich

echter beleedigd, dat een barbaren-vrouw zóó zijn eigen zoon durfde

bevel te geven, en verbood hem, gehoor te geven aan de uitdaging. Hij

gelastte zijn' mandarijn To It Ho om het meisje te grijpen. To It Ho

zag, hoe verleidelijk schoon Han Lee Hoa was, zooals zij, in volle

wapenrusting, te paard gezeten in fiere houding tusschen de beide

legers alleen stond, en antwoordde met graagte aan het bevel, zeggende,

dat hij haar als vrouw zou houden, als hij haar kon gevangen nemen. De

mandarijn Lô Tsiong was even getroffen van hare schoonheid als To It

Ho, en vroeg Si Dzîn Kuì verlof, om ook uit de gelederen ten strijde

te mogen treden, wat toegestaan werd. Beide mandarijnen reden het

meisje tegemoet. Hoe dichter zij haar naderden, des te schooner zagen

zij de begeerde vrouw. Han Lee Hoa ontving hen met scheldwoorden, en

riep: "Jelui twee mannen met die verschoten gezichtskleur, barbaren,

hoe durf je hier te komen! Je hadt beter gedaan met mijn zwaard te

vermijden, dat je tot een vleeschbrij zal maken. Ik heb Si Ting San

geroepen." Lô Tsiong greep zijn lans, en To It Ho zijn geelgouden

strijdhamer, en zij riepen spottend: "Zijn wij dan soms óók geen

mannen? Als gij ons eerst overwint, kunt gij Si Ting San roepen." Han

Lee Hoa riep in woede: "Wil jelui wel eens ophouden zoo onbeleefd

te zijn?" greep haar twee zwaarden, en viel aan. De lans en de hamer

van hare vijanden werden naar haar hoofd gezwaaid, maar zonder zich

verschrikt te toonen gaf zij een teeken met haar zwaard. Toen kwamen

op dit tooverteeken van alle zijden reusachtige strijders opdagen met

groene gezichten en lange slagtanden, in gouden harnas, en gewapend

met zwaarden en bijlen. De twee mandarijnen schrikten "tot hun ziel

niet meer paste bij hun lichaam" en vluchtten. Het geheele Chineesche

leger in paniek hun achterna. Zóó kwam het verslagen leger weer in

het versterkte kamp, waar Si Dzîn Kuì op den uitslag van den strijd

wachtte. Deze was woedend over dezen vreemden soort veldslag en

zeide: "Dit verachtelijke meisje heeft in 't geheel geen beleefdheid

[4]. Zij heeft heksenkunsten." Toen wees hij To Sien Tong aan, om

uit de gelederen te treden, want het paste niet aan Si Ting San om

met zulk een vrouw te gaan strijden.

Het ging To Sien Tong niet beter dan de twee mandarijnen, want zij

werd gewond door de knots van Han Lee Hoa, die met dit wonderwapen

zelfs Geesten kon verslaan. Aan den schouder gewond vluchtte zij

terug in het kamp. Nu zond Si Dzîn Kuì Si Ting San's vrouw Kim Ting

uit, dezelfde, die als meisje Si Ting San gered had, door koningin

So met een dooden tijger van het paard te gooien. Tân Kim Ting was

een gevaarlijke vijand voor Han Lee Hoa, want zij was ook bedreven

in tooverkunsten, en zou stellig de middelen van hare vijanden

onschadelijk kunnen maken. Toen Han Lee Hoa haar tooverspreuk zeide,

en de bovennatuurlijke krijgslieden met de slagtanden om Tân Kim Ting

verschenen, uitte deze haar eigen tooverspreuk, waarvoor de monsters in

angst weêr wegvluchtten. Han Lee Hoa was echter sterker, want met een

wonderzwaard, van hare leermeesteres gekregen, wist zij Tân Kim Ting

aan den schouder te wonden, en op de vlucht te jagen. De oude Si Dzîn

Kuì bleef hardnekkig weigeren om Si Ting San uit te zenden, en beval

zijn eigen dochter Kim Liên een laatste poging te wagen. Toen de beide

heldinnen elkander zagen, werden zij echter beide zoo getroffen door

elkanders schoonheid, dat zij geen vijandschap, maar sympathie voor

elkaar voelden. Han Lee Hoa vertelde nu openlijk, dat hare Meesteres

haar bevolen had, Si Ting San's vrouw te worden, omdat zij in een

vorig leven daar onvermijdelijk voor bestemd was. Zonder te strijden

beloofde Kim Liên, aan haren vader deze gewichtige mededeeling over

te brengen. Er werd een wapenstilstand gehouden tot den volgenden dag.

In den vroegen morgen reed nu Si Ting San zelf het kamp uit. Hij was

diep beleedigd door het voorstel van Han Lee Hoa, en had plechtig

verklaard haar te zullen dooden. Han Lee Hoa zag dadelijk zijne

wondere schoonheid en voelde zich dankbaar jegens haar Meesteres,

dat zij hare onvermijdelijke verwantschap met den held vooruit had

mogen weten. Maar terwijl zij hem in aanbidding aanstaarde riep hij

schimpend: "barbaren-kind! kijk naar mijn zwaard!" en sloeg naar

haar. Zij greep in elke hand haar korte sabel en weerde den houw

af, roepende: "Mijne meesteres heeft mij gezegd, dat ik uit vorige

levens de verwantschap van vrouw-en-man met u had, en ik moet met

u trouwen. Als gij er in toestemt zullen mijne ouders u helpen,

en zal ons rijk zich aan uw rijk onderwerpen." Si Ting San was in

't geheel niet ontroerd door deze naïeve bekentenis en schold terug

als antwoord: "Schaamteloos, verachtelijk mensch, dat zelf over zoo

iets durft te beginnen! Ik ben een groot generaal der Thang-dynastie,

hoe zou ik ooit met een barbaren-meisje willen trouwen! Ge hoeft niet

zoo verkeerd te denken, hoor." Dit gezegd hebbende stak hij weer

naar haar met zijn zwaard. Zij weerde den steek af, en vocht met

hem tot over de dertig parades. Toen uitte zij "de rechte woorden"

van haar tooverspreuk en ziet: hemel en aarde werden duister. Han Lee

Hoa riep hare krijgslieden, die in het donker den held zonder moeite

grepen en vastbonden. Zij ging vóór hem staan en zeide, half-lachend:

"Ziezoo Si Ting San, nu zit je daar vastgebonden, als je nu mijn man

wilt worden zal ik je vergeven en je loslaten." Hij zag in, dat hem

niets anders overbleef dan toe te geven, en dacht: "laat ik haar nu

maar eens een keertje beet nemen," en beloofde, als hij haar losliet,

naar huis te gaan, en haar dadelijk de koppelaars te sturen [5]. Maar

zij glimlachte, en zeide: "Generaal Si, meent ge die woorden wel? Leg

een eed voor mij af, dan zal ik u gelooven." Si Ting San dacht bij

zich zelven: "laat ik voor dat meisje maar zoo'n beetje een hol eedje

afleggen, waaróm niet?" en zwoer: "Als gij mij loslaat om in mijn kamp

terug te keeren, en ik ondankbaar tegen u mocht zijn, moge ik halverweg

tusschen Hemel en Aarde opgehangen worden, dat mijn lichaam moeilijk

een veilig plaatsje kan vinden." Toen Han Lee Hoa dezen eed hoorde

bond zij hem zelf los, en liet hem zijn paard terug geven. Maar vóór

hij een pijlschot ver weg was keerde Si Ting San zich om in den zadel

en riep schimpend: "Schaamteloos, verachtelijk wezen, ik ben daar

zooeven in je duivelsche listen gevangen, en door je vastgebonden,

hoe zou ik dus ooit je man willen worden. Denk er maar niet verkeerd

over. Laat je paard loopen en kom er met mij om vechten!" Toen volgde

weer een strijd van tallooze parades. Eindelijk sprak Han Lee Hoa weer

de tooverwoorden, en vóór hen verrees een hoog gebergte. Het meisje

veinsde te vluchten, en de held vervolgde haar tot in het midden van

de bergen. Plotseling hoorde hij een' geweldigen donderslag. Achter en

vóór hem was nergens meer een weg. Er was ook niets meer van Han Lee

Hoa te zien, en Si Ting San zag dat hij beneden in eene diepe kloof

was, met hooge bergen overal om hem, zoo steil, dat hij ze onmogelijk

kon beklimmen. Hij was in radeloozen angst. Gelukkig zag hij héél

boven op een berg een sprokkelaar aan het werk. Hij riep zoo luid

hij kon om hulp, en toen hij gezegd had wie hij was, wist hij den

man te overreden, om een lang touw neer te laten. Het touw werd om

een boom op den berg geslagen, en Si Ting San werd door zijn redder

opgeheschen, nadat hij het neêrgelaten eind om zijn middel stevig had

vastgebonden. Maar juist was hij over den halven afstand van beneden

tot boven opgetrokken, toen de sprokkelaar kalm heenging. In grooten

angst riep de held: "Oude man, hoe laat ge mij nu zoo in het ledige

hangen?" maar de sprokkelaar antwoordde: "Jonge veldheer! ge hebt zóó

maar achteloos uw leven verpand door een valschen eed. Gij bedriegt

anderen, laat ik u nu ook maar eens een keertje bedriegen! Dít is

nu inderdaad halverweg tusschen Hemel en Aarde opgehangen zijn, en

moeilijk een veilig plaatsje te vinden om uw lichaam te bewaren. Ik

ga eens wat eten. Wacht dus maar een beetje!" En de sprokkelaar ging

zijn weg. Tot overmaat van ramp zag Si Ting San van boven uit den

pijnboom, waar het touw aan vastgehecht was, twee ratten komen, die

aan de knoopen begonnen te knagen. Twee van de knoopen waren al gauw

doorgebeten, en er bleef nog maar één over, die weldra ook door zou

zijn. De held vreesde "tot zijn ziel niet meer bij zijn lichaam paste,"

[6] toen hij op eens boven op den berg een meisje zag, gevolgd door

acht slavinnen. Hij riep luid om hulp. Een der slavinnen antwoordde

hem, dat hij zijn naam moest noemen, en na over-en-weer gesprek bleek

het dat het meisje een prinses was, en dat zij hem wel wilde redden,

mits hij beloofde, elken wensch dien zij hem zou zeggen, welken ook,

dadelijk te vervullen. Si Ting San beloofde gehoorzaamheid, en werd

door de slavinnen opgetrokken. Boven op den berg was een bloemenprieel,

waar de prinses hem opwachtte. Hij bedankte haar, en vroeg, welken

dienst hij haar terug zou mogen doen. En de prinses antwoordde:

"Han Lee Hoa, de discipel van de oude Moeder Lee San, heeft met u

de verwantschap uit vorige levens. Hoe zoudt gij er over denken,

om mij in deze zaak tot koppelaarster te nemen, of ben ik daar te

min voor?" Maar hij antwoordde: "Ik ben al driemaal getrouwd. Deze

zaak zal heel moeilijk gaan." Toen de prinses dit hoorde riep zij:

"Ondankbaar wezen, nu ik u gered heb, wilt gij mij niet gehoorzamen! Ik

zal u door mijne slavinnen laten binden!" Vóór dat de slavinnen hem

konden grijpen hoorde hij echter opeens een donderslag. Het prieel

veranderde in een gevangeniswagen, waarin hij zat opgesloten. Naast den

wagen reed Han Lee Hoa, die haar zwaard ophief en hem toeriep: "Als gij

mij nu weêr niet gehoorzaamt sla ik u het hoofd af." Toen antwoordde

Si Ting San in grooten angst, dat hij berouw had, en nu stellig haar

tot vrouw wilde nemen, als zij hem nog eens wilde loslaten. Hij moest

eerst een nieuwen eed zweren, maar weêr bedacht hij zich, en zeide

opzettelijk een valschen eed: "Als ik ondankbaar mocht zijn moge ik

in den oceaan terecht komen--en toch niet sterven!" Toen werd hij

losgelaten, en reed te paard weg. Nog was hij niet op een pijlschot

afstands, of hij keerde zich weer om, en riep scheldend, dat hij het

barbaren-meisje nooit tot vrouw zou nemen, en daagde haar weer uit te

komen strijden. Zij hadden niet meer dan tien parades gevochten, of Han

Lee Hoa sprak weer de tooverwoorden. Hemel en Aarde werden duister,

en er verschenen vier reusachtige helden uit de lucht. Vóór Si Ting

San van den schrik bekomen was en met de reuzen kon gaan strijden,

lag hij plotseling midden in een grooten oceaan. Gelukkig ging er

juist een schip voorbij, waarin een vreemde prins met zijn gevolg

voorbijzeilde. De drenkeling werd behoorlijk aan boord geheschen en

voor den prins gebracht. Deze hoorde eerst het verhaal van Si aan,

hoe hij daar zoo in de zee kwam te liggen, en zeide toen, dat het

onvermijdelijk en noodzakelijk was, dat de Chineesche generaal met

Han Lee Hoa trouwde. Si Ting San had echter een beetje moed gekregen

doordat hij er telkens zoo goed van afkwam, en antwoordde trotsch,

dat hij in 't geheel niet van plan was te gehoorzamen, en dat hij een

beschermgeest had, die hem in alle gevaren beschermde. De prins riep

dadelijk zijne soldaten, en liet Si Ting San zonder vorm van proces, op

een stuk steen gebonden, weer in zee gooien. Gelukkig voor den jongen

held had hij echter van te voren in zijnen eed gezegd, dat hij in den

oceaan zou mogen terecht komen, maar toch niet sterven. Hij verdronk

dus niet. Door een wondere tooverij was het prinselijk schip plotseling

verdwenen, en zag hij vlak vóór zich de kust, waar zijn eigen kostbaar

strijdpaard op hem stond te wachten. Hij bleef echter gebonden aan den

steen, en wist, dat hij nooit zijn paard zou kunnen bestijgen als er

geen redding kwam. Toen zag hij in de verte een ruiter aan galoppeeren,

en weldra was Han Lee Hoa zelf vóór hem op de kust. In groot berouw

smeekte hij om vergeving, en beloofde plechtig, haar tot zijn vrouw te

maken. Hij zwoer nu een ernstigen, en zeer zwaren eed dat, als hij weêr

ondankbaar was, zijne geheele familie en hijzelf door duizend messen en

zwaarden zouden moeten sterven. Han Lee Hoa bond hem zelf van den steen

los. Dezen keer brak de held zijn woord niet, maar galoppeerde terug

naar zijn kamp. Met groote vreugde werd hij door zijnen vader Si Dzîn

Kuì ontvangen. Iedereen in het Chineesche leger was in groote vrees

voor Han Lee Hoa en hare tooverkunsten, zoodat Si Dzîn Kuì dadelijk

er in toestemde, dat zijn zoon het barbaren-meisje tot vrouw nam,

en zóó haar geheele rijk aan de Thang dynastie onderwierp.

Ook Han Lee Hoa keerde naar hare familie terug. De oude Han Hông

bewees haar groote eer, en noemde haar bij hooge eerenamen, maar

toen zij hem zeide, dat zij den volgenden dag met Si Ting San zou

trouwen ontstak hij in hevige woede, en sloeg met zijn zwaard naar

haar om haar te dooden. Han Lee Hoa weerde behendig den slag af met

hare twee korte sabels. Ongelukkig gleed de oude koning uit over een

stukje glad leer van zijn schoen, en viel recht in de zwaarden van

zijn dochter. Hevig kermend viel het meisje neer bij het lijk van

haren vader, toen hare twee broeders, dezelfde, dien zij het leven

gered had, kwamen aanstormen, met hunne zwaarden zwaaiende. Han Lee

Hoa smeekte hun, toch niet met hun zuster te gaan strijden, en legde

hun uit, hoe haar vader bij toeval in haar zwaard was gevallen. Maar

de twee broeders luisterden niet en sloegen scheldend naar haar. Toen

greep zij hare gevaarlijke twee tooverzwaarden en sloeg hare beide

broeders dood. In grooten rouw kwam hare moeder aanloopen, en knielde

weenend bij de lijken neder. Han Lee Hoa troostte haar met de naïeve

verzekering "dat doode menschen nu eenmaal niet meer terugkomen",

en raadde haar aan, liever in stilte de lijken te laten begraven,

vóór deze daad bekend werd, die misschien haar huwelijk zou kunnen

onmogelijk maken. De koppelaars waren ook aangekomen. Den volgenden

dag ging zij met hare moeder naar het kamp van Si Dzîn Kuì, waar zij

met groote praal ontvangen werd. Toen haar gevraagd werd, waarom

haar vader en hare broers niet mede waren gekomen, antwoordde zij

"dat deze stellig al hunne beleefdheid verloren hadden," maar dat zij

ziek waren geworden, en te bed lagen. Daarop werd het huwelijk gesloten

en Si Ting San met Han Lee Hoa alleen gelaten in de bruidskamer.

Tot zoover het tooneelstuk, zooals het vertoond werd. De geschiedenis

zelf is nog lang niet uit. De twee jonggetrouwden zitten nog geen half

uur bijeen, of zij slaan elkaar in fellen strijd met hunne zwaarden,

zoodat alle vrienden en verwanten te hulp moeten komen. Er komt geen

eind aan de ellende. Later wordt Si Ting San herhaaldelijk door Han

Lee Hoa uit groote gevaren gered, heeft weer berouw, verzoent zich

weer, en eindigt weêr met zijn zwaard tegen haar te trekken.

Eigenaardig is de verklaring, in het boek Tsing Se gegeven, waarom

dit echtpaar zoo voortdurend in twist en ellende is. Dit is alweer

het Noodlot, het onvermijdelijke, dat ook in de grieksche spelen zoo

almachtig is. De oude Moeder Le San verklaart het zelve aan Han Lee

Hoa, als deze haar komt vragen, wat toch de oorzaak van al den strijd

is. Eens, op een heiligen dag, was Giók Tè, de Koning des Hemels, op

zijnen troon gezeten, om de Geesten, uit alle sterren saamgekomen,

van den perzik te doen eten, die onsterfelijk maakt. Naast Giók Tè

stonden zijne geestendienaren Kim Tong en Giók Lú, die een bokaal

moest dragen, voor den perzik. Zij stoeiden samen een beetje. Giók

Lú liet den kristallen bokaal uit hare handen glippen, dat hij tot

gruis verbrijzeld werd.

In groote woede wilde Giók Tè zijne dienaren straffen, toen de oude

geest Lâm Kik uit het gelid der geesten trad, en eerbiedig een voorstel

deed. De twee dienaren, zeide hij, hielden te veel van spelemeien, en

hadden wereldsche gedachten, zoodat de schaal aan hen was ontglipt. Zij

moesten beide wèl vergeven worden, maar tot hun straf--en volgens

de Oorzaak [7], door hen zelven gecreëerd--op de aarde als mensch

geïncarneerd worden, en weêr bij elkaar zooals in de hemelen, maar nu

als man en vrouw. Dit voorstel werd aangenomen, en Giók Tè deed de

beide dienaren nederdalen. Maar juist toen zij door de hemelruimte

nederdaalden kwamen zij een boozen demon tegen, die er afschuwelijk

uitzag. Giók Lú moest uitbundig om het leelijke gezicht van den duivel

lachen. Dit had tot gevolg, dat de duivel, die als alle duivelen, heel

dom en verwaand was, ging denken dat Giók Lú hem een lonkje gegeven

had, en toen hij zag, dat zij op weg naar het Stof, de Aarde, was,

volgde hij haar, en werd geïncarneerd als een mandarijn van koning

Han Hông, genaamd Iông Hoân. Het andere gevolg van haar ondoordacht

lachen was, dat Kim Tong woedend van twijfel en jaloerschheid was,

zoodat hij reeds met ongeloof en wrevel jegens Giók Lú in 't hart op

de aarde verscheen. Giók Lú nu was niemand anders dan Han Lee Hoa,

en Kim Tong was Si Ting San. De domme duivel was Iông Hoân geworden,

de vriend van koning Han Hông, die oorspronkelijk door hem als Han

Lee Hoa's echtgenoot was aangewezen. Daarom weigerde haar vader ook

vooral later, om haar aan Si Ting San te geven. Al de ellende was

veroorzaakt door dat ééne onbezonnen lachje op hunne daling van de

hemelen naar de aarde. [8]

Wijsheid en Schoonheid uit China · 第 8 / 24 题