HET CHINEESCHE TOONEEL.

In geen land is op het oogenblik het tooneel zóó populair als in

China. Ik zal alleen met zekerheid kunnen schrijven van de spelen,

die ik in de stad Amoy--in de Fohkien provincie--gezien heb, maar

waarschijnlijk kan men deze gerust als voorbeeld nemen van het geheele

tooneel in het gansche Hemelsche Rijk.

De inrichting van het tooneel is zoo primitief en gemakkelijk

mogelijk. Er is geen tooneelverbond, en geen schouwburg noodig,

alles geschiedt voor en door het volk. Is er een "gelukkige dag"--de

verjaardag van een of anderen "poet" (Boeddha)--dan wordt eene

inschrijving gehouden onder de bewoners van een zekere buurt. Ieder

Chinees offert gaarne zijn weinige "cash" en de vereischte som wordt

altijd volteekend. Op een geschikte plek, liefst tegenover een tempel,

wordt een houten stelling--taî--opgeslagen, die in een uur tijds

gereed is, en het tooneel voorstelt. Het is een allerprimitiefst

getimmerte, niet veel meer dan een estrade, waarop kwakzalvers op

onze groote markten hunne vertooningen houden. Juist genoeg planken

om een dertigtal menschen te dragen. Geen coulissen, en in 't geheel

geen décors. Er is evenmin een aparte plaats voor toeschouwers. De

kunstliefhebbers kijken staande, in de open lucht, of wel zittende op

eenvoudige rieten stoeltjes, die zij zelve medebrengen. Entrée is er

niet, elke Chinees kan vrij komen zien naar wat de samenwerking van

een of andere buurt hem voor moois aanbiedt.

Het is mij een genoegen dit alles te kunnen schrijven zonder vrees,

dat het een slechten indruk van het Chineesch tooneel zal geven, want

juist het primitieve van de samenstelling geeft aan de voorstellingen

iets aantrekkelijks en weldadig-poëtisch, dat ik nog nooit bij eenige

uitvoering in Holland heb genoten. Vooral bij avond doet een Chineesche

tooneelvoorstelling op zijn mooist. In de zoele lucht zitten de in

lichtblauw of groen gekleede Chineezen zoo mooi van kleur onder de

majestueuse takken van den grooten banyan-tree,--anderen staan gracieus

geleund tegen de pilaren van den tempel, met die gemakkelijke losheid,

die elk gewoon oosterling iets schilderachtigs geeft. Prachtig doen

de zachte kleuren van hunne gewaden in het avondlicht, en somtijds

vlamt er de weerschijn over van de helle fakkels op het tooneel. Er

is een eerbied en een stilte onder de honderden toeschouwers, bijna

ongeloofelijk voor een westerling, die nergens politie of soldaten

ziet. Er wordt niet eens geapplaudisseerd, en als men beweegt, of

van zijn plaats gaat is dat bedaard, met zachten stap. Er is een

eerbied en een liefde voor het tooneel in China, die bewijst, dat

zelfs in dezen laatsten, verdorven tijd der Tai Ts'ing dynastie het

kunstgevoel van het volk nog even levendig is als in den gouden eeuw,

toen de groote tooneelspelen werden geschreven.

De voornaamste klassieken, waaruit de spelen zijn getrokken, zijn de

Tong Tsiu Liet Kok, de Sam Kok Tsi--of Annalen der drie Rijken--,

de Tông Su, of Dingen der Thang-dynastie--, de Se Iû, of Reizen in

het Westen, de Tsing Tong, of de Strijd in het Oosten, de Tsing Se,

Strijd in het Westen, en anderen, te veel om op te noemen.

Deze--klassieken en legenden--zou men de romantiek der allereerste

Chineesche middeleeuwen kunnen noemen. Dit was de tijd der groote

oorlogen, toen de Chineezen de veroveraars van bijna geheel Oost-Azië

waren. Men vindt er dezelfde wonderen in terug als die uit de

Nibelungen--en andere liederen. Er zijn helden, die onoverwinlijk

zijn, die beroemde zwaarden hebben, waarmede zij zelfs duivels en

geesten weêrstaan, er zijn wonderkappen, die onzichtbaar maken,

wonderspreuken, die legers demonen te hulp kunnen doen roepen, en

bokalen, waaruit een groot vuur wordt getooverd, dat de vijanden bij

duizenden verbrandt. Er zijn vrouwen, die onverwinlijke krijgshelden

zijn, en hun geliefde met geweld van zwaard, en met duivelskunsten

veroveren. Doodsvijanden vervolgen elkaar onder de zee, in de lucht,

en tot in het binnenste der aarde. Er komen wereld-branden, die de

legers verdelgen, maar goede Geesten laten hemelwolken neêrvallen,

om ze weer te blusschen, en den lievelings-held te redden uit het

vuur. Wonderpaarden vliegen sneller dan met tooverkracht geworpen

speren, en er zijn pijlen, die tot in de wolken gaan.

Er is al het kinderlijke, onware, onbeholpene in van alle romantiek,

maar ook al het geweldige, reusachtig schoone, dat Heine de

Nibelungen-liederen deed vergelijken bij een strijd, in eene eindelooze

vlakte, tusschen immense domtorens, om de ontzaglijke Nôtre-Dame.

En deze kinderachtige, maar imposante romantiek wordt in het tooneel

voorgesteld op een even kinderachtige, imposante wijze, die een indruk

op mij maakte, zooals ik die van ons zoo beschaafd en geavanceerd

Tooneel nooit heb gekregen. De Chineesche tooneelspelen missen het

begoochelende, gemakkelijk makende van onze monteering en décors,

maar er is dat machtig-sterke in, dat grootsch-eenvoudige, dat

een stuk tot groote kunst maakt. En dat de gewone Chinees uit den

lageren stand zóóveel moois voelt van een zoo primitief voorstellen,

dat hij er uren lang in stille aandacht voor in de nachtlucht staat,

na zijn beestachtig zwoegen van dag aan dag, is een bewijs, dat in

het Chineesche volk onder deze treurige regeering nog een intuïtief

gevoel voor kunst sluimert, een gelukkig teeken voor een te herwinnen

beteren tijd, èn voor het volk zelf, èn voor zijn kunst.

Er is toch stellig wel niets primitievers denkbaar dan een tooneel,

waarop de acteur, nadat hij "àf" is, kalm terzijde gaat staan, en een

kopje thee drinkt, of zijn pijp aansteekt, en met een der figuranten,

die "gevolg" voorstelt, een praatje begint. Ook wordt van gewaad

verwisseld op het tooneel, zelfs vlak achter een held, die nog in

de rol is. Men kan, zonder dat dit eenigszins wordt bedekt gehouden,

een acteur zijn gelaat zien beschilderen, of zijn baard vastplakken,

voor een spiegeltje. Als twee lange stokken worden opgericht, en

daartusschen een stuk zeildoek, stelt dit een stadsmuur voor. Als

er met de handen roeigebaar wordt gemaakt, stelt het tooneel een zee

voor, en zijn de spelers op schepen. Een klein kruitvlammetje is een

wereldbrand, en wat neêrgegooid water is een wolkbreuk. Een bijna

onmerkbare houding van de handen bewijst, dat de speler te paard zit,

en als men de voeten op-en-neer stampt, heen en terug, trekt men

een wagen voort. Een plank, waarlangs men voorzichtig vooruitgaat is

een gevaarlijke brug over een zee, en een kleine sprong òp is hoog

wègvluchten in de wolken.

Maar het mooie hiervan is, dat het niet belachelijk wordt gevonden,

en dat de ernst van den toeschouwer niet breekt bij zulke vreemde

voorstellingen. De aandachtige Chinees is zóó in beslag genomen door

de schoonheid in het spel, dat hij het leelijke er vlak bij niet ziet,

zijn fantasie is vlug en gewillig en volgt met wonderlijke snelheid

de bedoeling van een gewichtig feit door het slechts éven aanstippen

er van. Hij is nooit vermoeid, en laat zich door niets van zijn

stuk brengen. De Chinees beschouwt al de primitieve voorstellingen

als heldere symbolen, en hij verlangt volstrekt niet meer dan de

schoonheid van het stuk zelf als geschiedenis. Hij wil alleen de

bewegingen en het stemgeluid der levende menschen vóór hem, begeleid

door den maatgang der muziek.

Wijsheid en Schoonheid uit China · 第 7 / 24 题