En hij kalm, en kortaf, als verveelde hem mijn gevraag: "Siao
Iaô"!!! (zweven!)
Dat is typeerend voor zoo'n chinees. Zweven! Zweven in horizonnen
en verten, in mysterieën van hemel en lucht, deze ellendige chinees,
die mij zoo bedroog!
En toch is het zoo, toch is het mogelijk. De chinees houdt dol van
de natuur. Dit is voor ons onbegrijpelijk. Maar de chinees is ook een
mysterie, waar geen mensch ooit in doordringt, ook een andere chinees
niet. Een chinees is een wereld apart. Hij heeft eene geheele,
diepzinnige filosofie, waar hij een ander niet mede vermoeit,
en waar hij zich onverstoorbaar in wegdroomt, als een slimme,
spinnende kat in een veilig hoekje. Het helpt u niets of gij die al
met stomme verbazing aan zit te kijken, en hem diepzinnige betoogen
voororakelt. De imperturbabele poes knijpt de oogen even dicht, en
snort kalmpjes verder. Nu komt dit ook wel voor een groot gedeelte
hierdoor, dat een chinees geen zenuwen heeft, maar het is toch wel
ferm en sterk, zoo'n vaste onverstoorbaarheid, en zoo'n kalmte.
Laat ik toch vooral altijd om die liefheid en die kalmte denken, als
ik weer tegen de chineezen uitvaar. Die kinderen, die primitieven,
die halve dwazen, die zoo prozaïsch om centen grabbelen, en toch zoo
poëtisch de haren tooien met witte tempelbloemen in de lente. Arme
duivels, kromloopende onder lasten, zwoegende in het zweet des
aanschijns, hebben in dien tijd coquet een witte bloem, nonchalant
in het zwarte haar! En na den vermoeienden dag lang als beesten
gesjouwd te hebben, staan ze nog tot een, twee uur in den nacht in
eerbiedige aandacht voor een tooneelvoorstelling te kijken om dan,
dikwijls hand aan hand, naar huis te gaan, zingend een zacht-droef
wijsje in den nacht! Menschen, millioenen, het overgroote deel van
het volk, weten vandaag niet of zij morgen te eten zullen hebben,
maar morren niet bizonder, luisteren als kinderen naar vertelseltjes,
steken bloemen in het haar en gaan neurieënd, met luchten stap!
En dan die sampan-roeiers voor het havenhoofd dicht bij mijn huis. Arme
drommels, die dag aan dag tobben, meestal vechtend met zware golven en
winden en daarmede, als het véél is, als maximum dertig cent verdienen,
wat zagen zij er altijd vroolijk uit, en hoe lustig lachten zij! Hoe
gezellig bakten zij samen hun vischje, ieder in zijn eigen schuitje
en bereidden de natte rijst. Zij hadden geen huis dan hun broos
schuitje--waar toch nog bloemen en plaatjes in waren--zij werkten en
sliepen daarin, en wisten niet beter of het hoorde zoo. En hoe mooi
speelde er een de fluit, hoe puur en teer klonken die tonen over
het water 's avonds, als ik stond te luisteren in mijn tuin aan de
zee. Meestal speelde hij een eentonige, droeve melodie, onder het
zachte golfgeklots, in het vage licht van den nacht, een oud, oud
volkslied, waar de ziel van schreit.
Somtijds heb ik wel zoo'n mensch willen zijn, eenvoudig en sterk,
onwetend en onbewust, altijd levend op de zee, onder den hemel,
de groote lucht indrinkend als een plant en zingend zonder te weten.
Maar laat ik nu niet te véél goeds van de chineezen zeggen na zooveel
kwaads. Laat de poëzie van den schoonen schijn mij niet verblinden,
en vooral, laat de chinees het niet van mij merken. Want dan neemt
hij mij diep-buigend, gracieus-gebarend bij den neus en leidt mij
met lief gezang op gevaarlijke, al te mooie paden. En als hij weg is
en vér nog wuift zijn prachtig zijden gewaad, merk ik, dat ik mijn
porte-monnaie kwijt ben en te grazen ben genomen.