TIENDE ORDE.

DE SCHELPKREEFTEN (Ostracoda).

Op plaatsen waar Vlookreeften gedijen, zal men in den regel ook

Schelpkreeften of Schelpvlooien (Ostracoda) aantreffen. Het onduidelijk

geleed, in een kort na-achterlijf eindigend lichaam, draagt 7 paar

ledematen en is geheel omgeven door een ruime, tweekleppige, vliezige

of verkalkte, min of meer eironde schelp, welke herinnert aan die der

Mossels en Oesters. De kleppen zijn n.l. langs het middelste derde

gedeelte van den rugrand vereenigd door een band, welks veerkracht de

schelp zal openen bij het verslappen van de sluitspier, door welker

samentrekking de randen der kleppen tegen elkander worden gedrukt. Dat

de Ostracoden niet tot de Weekdieren behooren, blijkt duidelijk, zoodra

zij zich bewegen en hunne gelede roeiriemen van voren en van achteren

buiten de schelp steken. Zij zwemmen vlug door snel opeenvolgende

slagen van de achterpooten en de sprieten (die dikwijls kwastvormig

bezet zijn met talrijke zwemborstels). Ook voor 't kruipen zijn

deze organen geschikt. De in zee levende Cypridinen hebben 3 oogen

(aan weerszijden één samengesteld en in 't midden één enkelvoudig

oog). Deze hebben zich bij de talrijke leden van het soortenrijke,

uitsluitend in zoetwater voorkomende geslacht Cypris tot één centraal

oog vereenigd. De 1.5 mM. lange, O.8 mM. hooge, lichtbruine Gewone

Schelpvloo (Cypris fusca) kan men gedurende het grootste deel van 't

jaar in alle slooten en plassen in grooten getale vinden; zij plant

zich gedurende den zomer en den herfst parthenogenetisch voort. De

grootste soort van dit geslacht is nog geen 3 mM. lang.--Sommige leden

van het geslacht Leperditia, dat in de Silurische periode leefde,

bereikten een lengte van 20 à 22 mM. De zeer talrijke fossiele

Ostracoden hadden een sterker verkalkte schaal dan de hedendaagsche;

vooral de Cypridinen hebben uitgestrekte aardlagen gevormd.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen · 第 25 / 27 题