DE KIEUWPOOTIGEN (Branchiopoda).
Ook de meeste leden van deze (uit meer dan 300 soorten bestaande) orde,
hebben een schild- of schelpvormige schaal, een van de rug uitgaande
huidplooi, die het lichaam in den regel tot aan de uiteinden der
ledematen omhult. Behalve door dit niet bij alle geslachten voorkomend
kenmerk, onderscheiden zij zich van de overige Schaaldieren door de
minder duidelijke groepeering der segmenten in grootere afdeelingen,
vooral door het meer of minder volslagen gemis van het borstgedeelte
met de daarbij behoorende ledematen. De kaakpooten der Tienpootigen
(dikwijls ook de onderkaken van het tweede paar) zijn bij hen niet
vertegenwoordigd. De zeer talrijke ledematen van het achterlijf zijn
plaatvormig (althans de voorste paren) om als kieuwen en vinnen dienst
te doen.
Van de meeste soorten vindt men de wijfjes in grooten getale, de
mannetjes daarentegen zelden. Van de Kieuwenpooten (Apus), een der
meest voorkomende geslachten, zijn de mannetjes eerst sedert 1856
bekend. Die van andere geslachten bestaan slechts gedurende een
kort deel van het jaar; in de overige maanden planten verscheidene
opeenvolgende generatiën zich parthenogenetisch voort. De meeste
leden van deze orde leven in zoetwater, althans in binnenwateren.
De onderorde van de Bladpootigen (Phyllopoda), kenbaar aan de talrijke
ringen van het achterlijf, die 10 à 60 paar bladvormige zwempooten
met als kieuwen dienende aanhangsels dragen, bevat de grootste,
thans levende Branchiopoden. Men onderscheidt ze in Schelpdragende
(Estheridae), Schilddragende (Apusidae) en Naakte (Branchiopididae),
al naar een tweekleppige of een schildvormige of geen schaal haar
dunne huid bedekt. De jongen missen zoowel de schaal als de rijke
geleding van het lichaam en hebben bovendien een vreemdsoortig
voorkomen door de als roeiorganen dienende groote sprieten, die bij de
verdere ontwikkeling in meerdere of mindere mate achteruitgaan. Deze
Schaaldieren zwemmen op den rug en wekken door in kolossale menigte
te verschijnen op plaatsen, waar zij jaren achtereen niet werden
opgemerkt, de verbazing van ieder, die onbekend is met het feit,
dat hare eieren voor ontkieming geschikt blijven, zelfs wanneer zij
verscheidene jaren in verdroogden toestand hebben verkeerd. Dit
geldt vooral van de Naakte Bladpootigen, een kleine familie, die
de geslachten Branchipus, Artemia en Polyartemia (met te zamen 18
soorten) omvat--o.a. van de inheemsche Branchipus (Chirocephalus)
diaphanus, welke men na overstroomingen of na hevige regenbuien
soms in zeer groote menigte in slooten, plassen en ander stilstaand
water waarneemt. Voor het ontkiemen van de eieren van sommige soorten
schijnt droogliggen volstrekt noodig. De meeste Naakte Bladpootigen
leven in zoetwater. De kop draagt aan weerszijden, op een beweeglijk
steeltje, een oog. De voorste sprieten zijn borstelvormig en dienen
als zintuigen; de achterste zijn tweeledig, bij 't wijfje klein, bij
't mannetje tot krachtige grijporganen ontwikkeld. Op de 3 paar kaken
volgen de zoowel voor 't zwemmen als voor 't ademen dienende pooten:
11 paar (bij Branchipus en Artemia) of 19 paar (bij Polyartemia). Het
lange na-achterlijf bestaat uit pootlooze segmenten; het laatste
eindigt in 2 beweegbare platen.
Merkwaardig door haar woonplaats is de 8 à 10 mM. lange Artemia salina;
deze leeft in verbazend grooten getale, niet slechts in de zee,
maar ook in kunstmatig aangelegde zouttuinen (b.v. in 't zuiden van
Frankrijk en bij Triëst), in natuurlijke salinen (b.v. die van Odessa
en van Adana bij Tarsus) en in binnenlandsche zoute meren en plassen
op grooten afstand van de kust, waarvan men mag onderstellen, dat zij
vroeger met de zee vereenigd zijn geweest (b.v. in de natronmeren
van Egypte). Belangrijke veranderingen van vorm ondergaat deze
Branchiopodide in watersoorten van verschillend zoutgehalte.
Unger zegt in zijn beschrijving van het eiland Cyprus, dat "vooral
op den heuvel, waar eertijds de uit schuim geboren godin Aphrodite
vereerd werd, ieder jaar ten tijde van de winterstormen dichte,
witte schuimmassa's voorkomen, die de helft van de hoogte van een man
bereiken". Hij brengt dit verschijnsel in verband met de ontzaglijke
hoeveelheid slijmerige overblijfselen van Artemiën en Cypridinen,
die de strandmeren bedekken en een hoofdbestanddeel van dit schuim
uitmaken.--Reeds vroeger werd melding gemaakt van het veelvuldig
voorkomen van Artemia Oudenyi in de zoutmeren van Fezzan.
De familie der Schilddragende Bladpootigen (Apusidae) bestaat
uit het geslacht der Kieuwenpooten (Apus). Twee soorten van deze
zoetwaterdieren komen in Middel-Europa voor, Apus cancriformis en
Apus productus, de laatstgenoemde ook hier te lande. Zij zijn kenbaar
aan den vorm van de staartklep, die bij de eerste soort zeer kort en
ingekorven is. Achter de schildvormige schaal, die het lichaam dezer
dieren aan de rugzijde bedekt, steekt alleen het lange na-achterlijf
uit, welks laatste segment twee lange staartdraden draagt. Op het
voorste deel van het rugschild ziet men de beide, bijna ineenvloeiende
oogen. Er zijn 30 à 40 paar ledematen; het elfde vormt bij het
wijfje 2 broedzakken voor het bewaren der eieren. Aan de rugzijde
zijn alleen de 3 zweepvormige aanhangsels van het eerste paar pooten
zichtbaar. De voorste sprieten zijn klein, 2-ledig, draadvormig, de
achterste alleen in den larvetoestand aanwezig. De Kieuwenpooten leven
in kleine plassen en ander stilstaand water; zij sterven, wanneer
hun woonplaats uitdroogt. De eieren, die in het vastgeworden slijk
achterblijven, behouden zeer lang de geschiktheid tot ontwikkeling.
De Watervlooien (Cladocera) staan als tweede onderorde naast de
Bladpootigen. Des morgens vroeg, maar ook op warme, stille avonden
en bovendien bij bewolkte lucht zwemmen deze diertjes, waarvan de
grootste zelden langer zijn dan 6 mM., dicht bij den waterspiegel;
zij begeven zich echter naar de diepte, zoodra de zon met eenige
kracht op het water begint te schijnen. Sommige soorten houden
zich trouwens altijd liever dicht bij den slijkerigen bodem dan
in hoogere waterlagen op. Dat zij reeds voor lang de aandacht der
natuuronderzoekers trokken, is niet te verwonderen, daar zij gewoonlijk
in groote menigte stilstaand en langzaam stroomend water bevolken. De
Cladoceren en Copepoden maken, volgens Leijdig, nagenoeg het eenige
voedsel uit van de meest geschatte Visschen der Beiersche bergmeren en
van de Bodensee, van de Roode Forellen (Salmo salvellinus) en Blauwe
Houtingen (Coregonus Wartmanni), welker vangst een middel van bestaan
is voor een groot aantal bewoners van de meerdistricten.
De belangrijkste familie is die der Echte Watervlooien (Daphinidae),
waarvan de meest bekende--de Getakte Watervloo (Daphnia pulex)--in
slooten, vijvers en andere ondiepe wateren bij ons zeer algemeen
voorkomt, soms in zoo ontzettende menigte, dat vooral in 't najaar,
als nevens de geelachtige of groenachtige wijfjes ook roode mannetjes
aanwezig zijn, het water in bloed veranderd schijnt, tot groote
ontsteltenis van bijgeloovige lieden.
Swammerdam (1637-1680) heeft het eerst deze soort nauwkeurig onderzocht
en haar in zijn "Bijbel der Natuur" beschreven en afgebeeld. Bij alle
Echte Watervlooien steekt boven de tweekleppige schaal, die den romp
omgeeft, een bollen, gesnavelden, door een afzonderlijken helm bedekten
kop (A) uit. De binnenste sprieten, die fijne, zenuwrijke tastdraden
dragen, zijn onder het uiteinde van den snavel gelegen. Onmiddellijk
boven hun oorsprong bevindt zich het groote oog (O), dat door een
aantal spieren gedraaid kan worden. De buitenste sprieten (T) zijn
tot groote, getakte roeiorganen vervormd, door welker slagen het
dier zich springend, als een Vloo, voortbeweegt. Zeer verborgen
onder den kophelm en de voorste bocht van de schaalhelften liggen
de monddeelen. De tweekleppige schaal (S) is een huidplooi van de
lichaamsafdeeling, die de borst der Insecten vervangt. Er bestaat
een zekere overeenkomst tusschen deze kleppen en de vleugels der
Insecten, waarmede men ook, waarschijnlijk met evenveel recht, de
zijstukken van het pantser der Tienpootigen vergeleken heeft. Slechts
bij enkele doorzichtige Insecten-larven kan men aan het levende dier
zoo nauwkeurig als bij de Watervlooien de werking van het hart (H)
waarnemen. Het heeft meestal den vorm van een rondachtige blaas. Als
ademhalingsorganen dienen de bladvormige aanhangsels van de 5 (zelden
6) paren pooten. Het na-achterlijf van deze Schaaldieren ligt vrij
onder de schaal, eindigt in klauwen of in twee staartborstels (C)
en is een krachtig roeiorgaan.--De mannetjes onderscheiden zich van
de wijfjes door geringere grootte, bij de meeste soorten bovendien
door den vorm der binnenste sprieten, bij sommige ook door een zeer
fraaie, blauwe of roode kleur. Gewoonlijk verschijnen zij eerst in
den herfst. In de lente en in den zomer treft men geen andere dan
vrouwelijke individuën aan, die zich parthenogetisch voortplanten. Hare
zoogenaamde "zomereieren" hebben een lichtgekleurde, dunne schaal
en ontwikkelen zich zeer snel; verscheidene dergelijke generatiën
volgen elkander op. De bevruchte eieren overwinteren en worden
daarom "wintereieren" genoemd; zij zijn grooter, donkerder van kleur,
harder van schaal en bovendien bij de meeste soorten besloten in een
omhulsel, dat "zadel" (ephippium) heet. Dit ontstaat door het geheel
of gedeeltelijk losgeraken van de schaal der moeder; zelden bevat het
slechts 1 ei, gewoonlijk 2, in enkele gevallen verscheidene eieren,
die op deze wijze tegen uitdroging en vorst beschut zijn.
De 4 familiën van Watervlooien (met 25 geslachten en ongeveer 200
soorten) onderscheiden zich van elkander door het aantal paren pooten
en den vorm der roeisprieten. Bij één familie (Polyphemidae) dient
de schaal eenvoudig tot berging der eieren en niet tot omhulling van
den romp en de pooten.