NEGENDE ORDE.

DE ROEISPRIETIGEN (Copepoda).

Deze vormenrijke, meer dan 1000 soorten omvattende groep van

microscopische of althans kleine, hoogstens 1 à 3 cM. lange

Schaaldieren bestaat voor een deel uit vrij levende, met goed

ontwikkelde monddeelen uitgeruste wezens, voor een deel uit

parasieten, die door hun levenswijze alle uitwendige geleding

verloren hebben en monddeelen bezitten, die tot een zuigsnuit

vervormd zijn. Roeisprietigen heeten zij, omdat bij alle vrij

zwemmende soorten de voorste sprieten een paar krachtige roeiorganen

vormen. Het achterlijf is duidelijk van het kopborststuk gescheiden

en draagt tweetakkige pooten. Het lichaam eindigt in twee gaffelvormig

uiteenwijkende platen, aan welker top verscheidene lange staartborstels

voorkomen. Organen die meer in 't bijzonder voor de ademhaling dienen,

zijn niet aanwezig, de dunne huid is over 't geheele lichaam voor

deze verrichting geschikt.

De ontwikkeling der parasiteerende vormen gaat met teruggaande

gedaantewisseling gepaard, met het afdalen tot een lageren trap

van organisatie, het te niet gaan of rudimentair worden van sommige

lichaamsdeelen. Alle larven hebben een ovaal lichaam, met onparig

voorhoofdsoog en 3 paar ledematen in de omgeving van den mond,

zooals de afgebeelde larve van Lepas. Met een aantal vervellingen

gaat het allengs ontspruiten voor middellijfs- en achterlijfsringen

en van ledematen gepaard. Sommige parasiteerende soorten hechten

zich onmiddellijk na de eerste vervelling vast, andere, nadat zij

eenige vervellingen hebben ondergaan en reeds een hoogeren trap van

organisatie bereikt hebben; in beide gevallen gaat daarna aan het

geheel eivormig wordend lichaam alle geleding verloren; de roeiorganen

verminderen tot kleine stompjes of gaan geheel te niet, evenals het

oog, dat zulke goede diensten bewees gedurende de jeugd.

De onderorde der Echte Roeisprietigen (Eucopepoda) omvat nagenoeg alle

leden der orde en wordt in 2 groepen verdeeld naar de monddeelen. Alle

Kauwende Eucopepoden zwemmen vrij rond en voeden zich met dierlijke

stoffen: zij azen op lijken van groote dieren, of maken kleinere wezens

buit. De wijze van beweging en de verblijfplaats is voor de leden

van verschillende familiën ongelijk, in verband met het voedsel, dat

zij gebruiken. De langwerpige, slanke Calaniden en Pontelliden zijn

de beste zwemmers en bewonen bijna uitsluitend de zee; met vlugge

sprongen, veroorzaakt door het gelijktijdig achteruitslaan van de

roeisprieten, schieten zij soms pijlsnel door het water. Soms rusten

zij van den arbeid uit, zonder zich ergens op neer te zetten. Aan

één punt vastgehecht, doch overigens in evenwicht te midden van het

water, wegens het geringe soortelijk gewicht van hun lichaam, brengen

de aanhoudende, snelle schommelingen van de vedervormig behaarde

bovenkaken intusschen een maalstroom in 't water teweeg, waardoor

de tot voeding dienende kleine diertjes haar in den mond gevoerd

worden. Vele soorten leven voortdurend in de bovenste waterlaag;

sommige zijn hier niet zelden ontzaglijk sterk vertegenwoordigd en

maken een aanzienlijk deel uit van de voeding van allerlei waterdieren,

zelfs van zeer groote; de Groenlandsche Walvisch b.v. bevredigt soms

zijn reuzenmaag door haar te vullen met tallooze exemplaren van Calanus

finmarchicus. Wel is het opmerkelijk, dat de Copepoden der arctische

zeeën niet slechts door verscheidenheid van soorten en talrijkheid

der individuën, maar ook door grootte uitmunten.

Een andere levenswijze hebben de Cyclopiden, die wel vlugge sprongen

doen, maar met de monddeelen geen maalstroom in 't water veroorzaken;

de borstels van de kleine sprieten dienen haar tot steun, wanneer zij

tegen waterplanten rusten. In nog hoogere mate zijn de Harpacticiden

en Peltidiën aan het leven op en tusschen wieren en andere waterplanten

gebonden. De zoetwatervormen dezer familiën vindt men het veelvuldigst

in welig met planten begroeide, ondiepe poelen en slooten, de "marine"

vormen minder dikwijls in de volle zee dan dicht bij den oever tusschen

zeeplanten, ook wel bij planken en andere stukken rottend hout,

voorts tusschen Sertularinen, Tubularinen en andere polypenstokken.

Bij de Corycaeïden, die, evenals de Calaniden, in de volle zee leven

en uitmuntend zwemmen, zijn de kaken in steekorganen veranderd,

maar niet door een zuigbuis omsloten. De wijfjes worden veel in

Salpen aangetroffen. In verband met het maaksel der monddeelen en

der voor 't vastklemmen geschikte sprieten levert dit gegronde

redenen op voor 't vermoeden, dat zij tijdelijk een parasitisch

leven leiden. Een tot deze familie behoorende soort (Sapphirina

fulgens) verdient een afzonderlijke vermelding wegens de wijze,

waarop de vrij in zee rondzwemmende mannetjes hun tegenwoordigheid

verraden. Zij zijn afgeplat eirond en 3.5 à 5 mM. lang. "Wanneer men",

schrijft Gegenbauer, "op kalm water uit een boot in de diepte kijkt,

vertoont zich niet zelden een schouwspel, dat, zij het dan ook minder

imposant dan de meeste verschijnselen, die de zee oplevert, door

weinige overtroffen wordt, wat liefelijkheid en gratie betreft. Men

ziet ontelbare lichtende stipjes oprijzen, schijnbaar hoog genoeg

om ze gemakkelijk te bereiken, en toch minstens een vadem onder

den waterspiegel. Nu eens in deze, dan weer in een andere richting,

ook wel omhoog of omlaag beweegt zich iedere vonk met korte, doch

snelle rukken; zij schittert achtereenvolgens met saffierblauwen,

goudgroenen en purperen glans, een nu eens sterker dan weer

zwakker licht verbreidend. Het is als 't ware het lichten der zee op

klaarlichten dag! Iedere beweging brengt een verandering van tooneel

te weeg, bij iederen riemslag wordt de boot over nieuwe scharen van

vonkjes gevoerd, totdat een windvlaag, die den waterspiegel rimpelt

en golven doet ontstaan, een einde maakt aan het schouwspel en het

naar de diepte doet zinken". Het lichtgevend vermogen is uitsluitend

aan de mannetjes eigen; het zetelt in de laag cellen, waardoor het

huidpantser wordt gevormd en houdt op, zoodra het dier dood is.

De Eucopepoden, die op andere dieren leven en hieraan haar

voedsel ontleenen, worden gewoonlijk samengevat onder den naam van

Vischluizen. Zij kenmerken zich door het bezit van een zuigbuis,

die de stiletvormige, in steekorganen veranderde kaken omgeeft,

en door de vervorming van één paar sprieten en één of meer paren

kaakpooten in hechtorganen. Meer of minder innig zijn zij verbonden

met de Visschen, die van alle waterdieren het meest door haar

begunstigd worden. Het eene uiterste is, dat de Vischluis het door

haar bezochte dier naar verkiezing kan verlaten, het andere, dat de

gast met zijne hechtorganen of met het voorste deel van zijn stam

zoo ver in den gastheer doordringt, dat er een mes noodig is om den

parasiet in onbeschadigden toestand los te maken. De laatstgenoemde

wijze van vasthechting gaat altijd, althans bij de wijfjes, gepaard

met teruggaande gedaantewisseling, waarbij alle voor een zelfstandig

leven vereischte organen verloren gaan en van de oorspronkelijke

geleding geen of slechts onbeduidende sporen overblijven. Zoo

verkrijgen de Kieuwwormen (Lernaeidae, Lernaeopodidae)--b.v. de

4 cM. lange Schelvisch-kieuwworm (Lernaea branchialis), en in nog

meerdere mate het 1 cM. lange, op dezelfde Visschen levende Ankertje

(Anchorella uncinata)--hun zonderlinge gedaante, verfraaid of ontsierd

door allerlei knobbels en getakte of gelobde uitwassen. De meestal

niet misvormde mannetjes zijn dwergachtig in verhouding tot hunne

wanstaltige levensgezellinnen, waaraan zij na den larvetoestand

levenslang vastgeklemd blijven en met welker levensvocht zij zich

voeden.

De familie der Botluizen (Caligidae) omvat 150 soorten, die haar

naam eer aandoen, eensdeels, omdat zij zich vrij kunnen bewegen en in

het bezit zijn van krachtig ontwikkelde klauwen, hechttoestellen en

zuigorganen, anderdeels, wegens de platte gedaante van haar lichaam,

dat uit een groot, schildvormig kopborststuk en een klein, meestal

ongeleed, in twee vorkplaatjes eindigend na-achterlijf bestaat. De

middelste afdeeling van het achterlijf (met de geslachtsopening

aan de buikzijde) loopt naar achteren uit in 2 lange eierenzakken,

die ieder één reeks van eieren bevatten. Volgens Van Beneden spelen

deze Crustaceën bij de Visschen, waarop zij leven, dezelfde rol

als de Haar- en Vederluizen bij de Zoogdieren en Vogels. Door zich

te voeden met afscheidingsproducten van de huid, zorgden zij als

't ware voor het toilet der door hen bewoonde zeedieren en zijn

dus geen parasieten in den gewonen zin van het woord. "Terwijl de

echte parasieten een onbehaaglijken, zonderlingen vorm verkrijgen,

behouden de Caligiden levenslang de jacht- en reisbenoodigdheden,

die zij gedurende haar jeugd verwierven en het bevallig voorkomen

dat aan dezen leeftijd eigen is. Zelfs de wijfjes verschillen alleen

door meerdere grootte van de mannetjes, zijn, evenals deze, altijd

met een sierlijk borstpantser bekleed en met groote, slanke pooten

uitgerust; zij maken een bekoorlijken indruk gedurende haar beweging

en niet minder, terwijl zij stil zitten. Hoewel stevig vastgehecht

aan de huid van allerlei Beenige Visschen, hebben zij haar vrijheid

niet geheel ten offer gebracht. Tal van dieren van dit slag vinden

de visschers in hun schuit bij het aan wal brengen van de gevangen

zeebewoners. Iedere vischsoort herbergt haar eigen vormen van

Caligiden; deze gaan zelfs de Haaien en de Roggen niet voorbij,

ondanks de hardheid van hun huid. Soms is de Kabeljauw met deze

commensalen bij wijze van schubben bedekt."

Tot de onderorde der Kieuwstaartigen (Branchiura) brengt men een

18-tal voor 't meerendeel op zoetwatervisschen levende Schaaldieren,

die, naar de meest bekende soort, gewoonlijk Karperluizen worden

genoemd. Volgens Van Beneden komen zij met de Caligiden in levenswijze

overeen en moet men ze niet als echte parasieten beschouwen. Zij

bewegen zich vlug en verhuizen dikwijls van het eene dier naar het

andere. De Gewone Karperluis (Argulus foliaceus) is groenachtig van

kleur en 5 à 6 mM. lang; zij heeft een schijfvormig kopborststuk en

een rudimentair, in 2 lobben verdeeld na-achterlijf. Twee groote,

samengestelde oogen zijn aan de rugzijde zichtbaar. De sprieten

komen aan de buikzijde voor: het voorste paar is haakvormig,

het achterste 4-ledig. Vóór den mond bevindt zich een stekel. De

beide paren priemvormige organen in de zuigbuis worden als boven-

en onderkaken beschouwd. Daarop volgen 2 paar kaakpooten, waarvan

de voorste in groote, voor vasthechting dienende zuignappen vervormd

zijn; daarachter treft men 4 paar langwerpige, tweetakkige zwempooten

aan. Het wijfje bergt de eieren in een tusschen de pooten voorkomenden

zak.--Behalve op verschillende Karperachtige Visschen, wordt deze

soort veelvuldig gevonden op Stekelbaarzen, zeldzamer op Snoeken,

Baarzen, Zalmforellen, soms zelfs op larven van Padden en Kikkers.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen · 第 24 / 27 题