ACHTSTE ORDE.

DE RANKPOOTIGEN (Cirripedia).

Een zeer eigenaardige verandering van gedaante ondergaan de

Schaaldieren, die men naar hunne in gelede takken--ranken

(cirri)--gesplitste pooten Rankpootigen (Cirripedia)

heeft genoemd. Alle oudere schrijvers hebben hen wegens hun

schelpachtig omhulsel tot de Weekdieren gerekend. Ontmaskerd, in

den letterlijken zin van 't woord, werden zij eerst, toen men hun

ontwikkelingsgeschiedenis leerde kennen. De toestand, waarin zij

onmiddellijk na het verlaten van het ei verkeeren, wordt door de

achterstaande afbeelding verduidelijkt. Nadat deze larve eenigen

tijd vrij rondgezwommen en eenige malen van huid verwisseld heeft,

maakt zij aanstalten om zich voor geheel haar volgend leven vast

te hechten. Onmiddellijk na de vervelling, die aan de vasthechting

voorafgaat, is zij, op de wijze van Cypris, door een van de rugzijde

uitgaande, aan de buikzijde geopende, tweekleppige schaal omgeven,

die men als een sterk vergroot rugschild kan beschouwen. Met de

buiten de schaal uitstekende sprieten klemt zij zich vast aan 't

voorwerp, waarmede haar kopeinde zich weldra steviger en over een

grootere oppervlakte zal verbinden door het afscheidingsproduct der

zoogenaamde "cementklier", die aan het grondstuk der voorste sprieten

uitmondt. In het rugschild, dat zich eenigermate afscheidt van de

overige lichaamsdeelen en nu "mantel" genoemd wordt, ontstaan in den

regel kalkplaten; deze vormen te zamen een soort van schelp, die aan

de buikzijde een spleet overlaat, waardoor de veelledige ranken van

de pooten (in den regel 6 paar) uitgestoken worden.

Men kent tegenwoordig meer dan 220 soorten van Cirripediën, die alle

de zee bewonen en een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied hebben,

omdat vele van de levende of levenlooze voorwerpen, waaraan zij zich

vasthechten, drijven of zwemmen, en, evenals hare kleine larven, zich

gemakkelijk verplaatsen of door de stroomingen worden medegevoerd. Dit

en de groote vruchtbaarheid van deze dieren maakt het begrijpelijk,

dat men de rotsen van kusten, die op honderden mijlen afstands van

elkander liggen, langs de strandlijn met millioenen exemplaren van

dezelfde soort van Zeepokken bezet vindt.

De schaal is uit verscheidene platen samengesteld en kan hermetisch

gesloten worden, zoodat het dier zonder nieuwen toevoer van water

geruimen tijd in 't leven kan blijven. In 't water houdt het de

schaal geopend en brengt door voortdurende beweging der ledematen een

maalstroom teweeg, die allerlei kleine zeedieren naar den mond voert.

De Eendenmossels (Lepadidae), die, van buiten gezien, veel gelijken op

sommige Mossels, danken het eerste gedeelte van haar naam aan het oude

wanbegrip, dat uit deze dieren Rotganzen zouden ontstaan. Zij zijn

aan een buigzamen gespierden steel gehecht en hebben een platte,

driezijdige schelp. Naar het aantal en de meerdere of mindere

ontwikkeling der kalkplaten onderscheidt men een groot aantal

geslachten. Tot de meest gewone behooren Lepas en Otion. Ongeveer de

helft van alle Lepadiden-soorten hechten zich vast op voorwerpen, die

zich in het water bewegen, op de kiel van schepen, op stukken wrakhout,

enz., of op dieren, die dikwijls van plaats veranderen. Anelasma

squalicola b.v. leeft parasitisch op Noordsche Haaien, in welker huid

zij met haar steel is doorgedrongen; met Lepas anserifera en eenige

andere soorten zijn de schepen bij hun terugkomst uit nagenoeg alle

zuidelijke en tropische zeeën niet zelden begroeid.

De Zeepokken of Zeepuisten (Balanidae) zijn aan andere voorwerpen

bevestigd met de bodemvlakte van hun ongesteelde, cilinder- of

kegelvormige schaal, die gesloten kan worden door een dekselvlies,

waarin 1 of 2 paar platen voorkomen. Zoodra de eb invalt, kan men

dit o.a. zien bij Balanus balanoides, die op onze kusten veelvuldig

voorkomt. In warmere zeeën is Balanus tintinnabulum, die vele

verscheidenheden vertoont (o.a. kan de kleur van bleekrood tot

donkerpurperrood afwisselen), een van de meest gewone soorten. Haar

eigenlijk gebied strekt zich uit van Madeira tot aan Kaapland en van

Californië tot Peru. Dikwijls vindt men deze dieren in wonderbaarlijk

groot aantal vastgehecht aan schepen, die van West-Afrika, West-

en Oost-Indië en China in Europeesche havens terugkeeren.

Sommige groote Cetaceën worden door bepaalde soorten van Zeepokken,

minder dikwijls door Eendenmossels, bij voorkeur tot verblijfplaats

gekozen. Daar Diadema balaenaris op den Keporkak of Groenlandschen

Bultrug geregeld voorkomt en zelfs zeer jonge dieren bewoont,

beweren de Groenlanders, dat de jongen er reeds in 't lichaam van de

moeder mede bezet zijn. Twee andere soorten--Coronula balaenaris en

Tubicinella trachealis--schijnen uitsluitend den Gladden Walvisch van

het Zuidelijk halfrond (Leiobolaena australis) te bewonen. Daarentegen

vestigen zich nooit Cirripediën op de huid van den Gladden Walvisch

van het hooge noorden (of Groenlandschen Walvisch); evenmin worden

op Vinvisschen Balaniden gevonden.

De Wortelkoppigen (Rhizocephala), die in haar eerste levenstijdperk

met de larven van andere Lagere Schaaldieren overeenkomen en dus

achtereenvolgens in den Nauplius- en den Cypris-toestand verkeeren,

verkrijgen een zakvormigen mantel met kleine opening, nadat zij zich

op een der Hoogere Schaaldieren hebben vastgehecht. De ontaarding

ten gevolge van de parasitische levenswijze gaat bij haar zoover, dat

slechts geringe sporen van spijsverteringsorganen overblijven en geen

enkele eigenaardigheid meer aan den Arthropodentypus herinnert. Voordat

men haar ontwikkelingsgeschiedenis kende, hield men ze voor Zuigwormen

(Trematoden).

Sacculina carcini hecht zich in het Cypris-stadium vast aan de

onderzijde van den staart van de Strandkrab (Carcinus maenas),

welker bloed zij zuigt. Zij verkrijgt hier een nieuw omhulsel;

de holle wortelvormige aanhangselen, die de mantelopening (a)

omgeven, groeien uit en omstrengelen de buikingewanden, doch

laten de organen, die voor het leven en gedijen van den gastheer

(en bijgevolg van den gast) volstrekt noodig zijn--het hart, de

kieuwen en het zenuwstelsel--ongemoeid; deze blijven dus op normale

wijze werkzaam.--Meestal vindt men op de uitverkoren Krab slechts

1 Sacculine, vrij dikwijls 2, zelden 3.--De geheele zakvormige

lichaamsholte van het woekerdier wordt ingenomen door de eierstokken

en hunne afvoerwegen, waarin de eieren zich ophoopen. Het geheele dier

is dus niet veel meer dan een zich voedend voorttelingsorgaan. De

jongen, die zich in dezen zak tot Nauplius-larven ontwikkelen,

verlaten hun geboorteplaats door een opening (b), die tevens water

in den mantel toelaat.

Vooral op Eremietkreeften parasiteeren de 7 soorten van Peltogaster,

welker langwerpig, zakvormig lichaam vastgehecht is met wortelvormige

aanhangselen, die in het lichaam van haar gastheer een spons- of

viltachtige massa vormen.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen · 第 23 / 27 题