DE PISSEBEDDEN (Isopoda).
De Isopoden en de op hen volgende Amphipoden hebben, evenals alle
vroeger behandelde Schaaldieren, een uit 19 segmenten samengestelden
stam (de aarsplaat of "telson" wordt niet als een segment beschouwd);
zij missen echter de bij deze nagenoeg altijd voorkomende oogstelen en
dragen daarom den gemeenschappelijken naam van Hedriophthalmata. Bij
beide orden ontbreekt een rugschild, zooals bij de vorige Crustaceën
(de Podophtalmata) gevonden wordt. Deze heeten daarom ook wel
Grootschaligen (Thoracostraca), gene Ringschaligen (Arthrostraca). De
kop (die ook hier uit 5 vereenigde segmenten bestaat) is n.l. met
slechts 1 (of hoogstens 2) borstsegmenten tot een kopborststuk
vergroeid. De 7 volgende segmenten, die het "middellijf" (pereion)
vormen, zijn in den regel vrij en dragen ieder 1 paar pooten. Het
"achterlichaam" (pleon) bestaat uit 6 (soms gedeeltelijk vergroeide)
meestal ledematen dragende segmenten (en den telson). Een belangrijk
verschil tusschen de Pissebedden (Isopoda) en de Amphipoden,
hare naaste verwanten (van welke zij zich bovendien door haar in
den regel van boven naar onderen afgeplat lichaam onderscheiden),
is gelegen in de vervorming der valsche of na-achterlijfspooten in
dubbele plaatjes, die als ademhalingsorganen dienen. Die van het
laatste paar hebben dikwijls een afwijkenden vorm en worden daarom
"staartpooten" (uropoden) genoemd. De middellijfspooten van de wijfjes
dragen plaatvormige aanhangsels, die een broedholte begrenzen, waarin
de eieren uitkomen en de jongen hunne eerste dagen doorbrengen. Deze
gelijken veel op hunne ouders, maar missen nog het laatste segment
van het middellijf en de daarbij behoorende ledematen. Over 't
algemeen behooren de Pissebedden tot de kleine Schaaldieren; haar
lengte bedraagt gemiddeld 18 à 26 mM. Zij voeden zich hoofdzakelijk
met rottende stoffen en hebben zich gewijzigd in overeenstemming met
zeer verschillende levensomstandigheden. Men vindt onder hen echte
landdieren en echte waterbewoners; deze zoowel in zoetwater als in
de zee, gene op vochtige zoowel als op droge plaatsen. De meeste
leven vrij, sommige parasiteeren echter op andere Schaaldieren of op
Visschen. Er zijn ongeveer 800 soorten bekend, waarvan ongeveer het
derde deel op het land leeft.
Een kenmerk van de familie der Landpissebedden (Oniscidae) is o.a.,
dat een der takken van elk der beide uropoden stijlvormig verlengd
is, zoodat twee staartjes aan weerszijden voorbij de spits van
het achterlijf uitsteken. Alle overige valsche pooten hebben twee
bladvormige takken, waarvan de achterste, dunste en kleinste als kieuw
dienst doet en door den voorsten beschut wordt. De meeste soorten
moeten, om te kunnen ademen, door een met waterdamp verzadigde lucht
omgeven zijn en houden daarom gewoonlijk verblijf op vochtige plaatsen,
aan den voet van muren, onder groote steenen, in kelders en dergelijke
donkere ruimten; zij mijden het licht. Sommige soorten, o.a. van de
geslachten Oniscus en Armadillidium, die op volkomen droge en zelfs op
zonnige plaatsen leven, hebben, naar het schijnt, behalve de bedoelde,
zwakke kieuwademhaling, ook nog een soort van luchtademhaling, die
tot stand komt, doordat de beide voorste kieuwdekselplaatjes een
stelsel van holten en fijn vertakte kanaaltjes bevatten, welke door
spleten met de buitenwereld in gemeenschap staan. Algemeen bekend
zijn Muurpissebedden of Kelderpissebedden, in sommige deelen van ons
land ook wel Varkentjes genoemd (Oniscus murarius), en de door haar
korrelige lichaamsbekleeding gekenmerkte Ruwe Pissebedden (Porcellio
scaber). Beide worden door sommige lieden als afschuwwekkende wezens
beschouwd. Daar zij, behalve rottende, ook wel gave plantendeelen
aantasten, richten zij in tuinen schade aan. Een veel bollere rugzijde
hebben de Rolpissebedden (Armadillidium), die het vermogen hebben om
zich bij dreigend gevaar tot een kogeltje op te rollen. Het meest vindt
men in tuinen onder bloempotten, doch ook wel vroeg in 't voorjaar
op straatwegen de Gewone Rolpissebed (Armadillidium vulgare). Een
verwante soort uit Zuid-Europa, Noord-Afrika en Klein-Azië (Armadillo
officinarum) werd vroeger als geneesmiddel gebruikt en kwam daarom
in gedroogden toestand in de apotheken voor.
Van de Landpissebedden verschillen de Waterpissebedden (Asellidae) door
den meer langwerpigen vorm van het lichaam, dat nagenoeg overal even
breed is; de segmenten van 't achterlijf zijn kort, met uitzondering
van het laatste, dat lang en schildvormig is. Deze dieren bewegen zich
loopend en niet zwemmend. Bij de Gewone Zoetwaterpissebed (Asellus
aquaticus) bestaat het achterlijf nagenoeg geheel uit een enkel groot,
schildvormig segment, waarachter 2 rolronde, tweetakkige staartpooten
uitsteken. De grootste mannetjes zijn 14 mM. lang, de wijfjes 7 à 8
mM. Zij komen voor in slooten en grachten, waar planten groeien of
bladeren rotten, zitten dikwijls op de wortels en wortelstokken van
oever- en waterplanten en voeden zich hoofdzakelijk met rottende
stoffen. Daar zij gewoonlijk in ondiep water leven, komt het niet
zelden voor, dat hun woonplaats in den zomer uitdroogt; zij kruipen
dan zoo diep mogelijk in den modder en vervallen hier in een soort
van zomerslaap, die voortduurt, totdat een regenbui hen tot nieuw
leven opwekt.
De Zoetwaterpissebedden bewonen allerlei niet te snel stroomende
wateren. De soorten, die men in onderaardsche en diepe meren aantreft,
missen de oogen.
De Zeepissebedden (Idotea) hebben een lang en smal lichaam; de 3 of
meer laatste segmenten zijn tot een lang staartschild vergroeid. De
meest gewone soort aan onze stranden, de langwerpig ovale, 20 à 30
mM. lange Idotea tricuspidata, vertoont veel verscheidenheid van vorm
en kleur. Zij is donkerbruin onder de bruinzwarte blaaswieren (Fucus),
lichtgroen onder de groene watervliezen (Ulva). De Zeepissebedden
gebruiken zoowel dierlijk als plantaardig voedsel.
De beide volgende familiën (Sphaeromidae en Cymathoidae) kan men onder
den naam van Zwemmende Pissebedden (Natantia) samenvatten, daar de
staartpooten plat zijn en met het eindlid van 't lichaam een voor
't zwemmen geschikte staartvin vormen.--Een algemeen verbreid, doch
vooral aan de kusten der warme zeeën talrijk vertegenwoordigd geslacht
wordt gevormd door de Kogelpissebedden (Sphaeroma), zoo genaamd,
omdat zij zich bij aanraking tot een bal ineenrollen. Veelvuldig vindt
men bij ons aan 't strand en in brak water de 10 mM. lange Sphaeroma
rugicauda, die zeer snel (dikwijls ook op den rug) zwemt en gezellig
onder steenen rust.--Merkwaardig is de 4 à 5 mM. lange Boorpissebed
(Limnoria terebrans) door de verwoestingen, die zij in verschillende
zeeplaatsen (o.a. te Havre en te Plymouth) heeft aangericht. Zij knaagt
n.l. in het hout van havenwerken cilindervormige gangen van hoogstens 2
mM. middellijn, die zoo dicht bij elkander liggen, dat er slechts dunne
schotten tusschen overblijven; eerst wordt de buitenste laag, later het
geheele voorwerp in een sponsachtige massa veranderd. Men heeft haar
aangetroffen op verschillende plaatsen van de Europeesche kust, van
de Middellandsche Zee tot aan de oostkust van Sleeswijk-Holstein. Ook
bij ons komt zij nevens den Paalworm geregeld voor.
Tot de Cymathoïden, die zich van de vorige familie onderscheiden door
de beweegbaarheid van den binnensten tak der staartpooten, behoort
o.a. de hoogstens 7 mM. lange en 3 mM. breede Agaatpissebed (Eurydice
pulchra). Haar vorm is langwerpig eirond, op den rug tamelijk bol, de
kleur wit, met sierlijke, bruine figuurtjes op verscheidene afdeelingen
van het lichaam; de schitterende, donkerzwarte oogen zijn gefacetteerd,
half aan de buikzijde, half aan de rugzijde gelegen en dus geschikt
om gelijktijdig in alle richtingen te kijken; de achterste sprieten
zijn zeer lang en reiken tot voorbij het begin van den staart. Van de
levenswijze geeft Ritzema Bos de volgende interessante beschrijving:
"Aan 't strand van Rottum zag ik ze op eenigen afstand van den vasten
wal steeds bij ebbe over het water rondzwemmen. Nooit vond ik ze
ver in zee, maar ook nooit in poelen of kreekjes, waar minder dan
ongeveer 1 voet water stond. Het meest zag ik ze daar rondzwemmen,
waar bij ebbe het zeewater het strand nog ter hoogte van 2 à 3 voet
bedekte. Naarmate het water verder terugweek, gingen zij ook verder
zeewaarts op. Zij zijn dus geen eigenlijke stranddieren, maar leven
meest pelagisch en wel aan de oppervlakte van laag water. Zij zwemmen
zeer snel en herinneren van verre gezien aan de Draaikevertjes onzer
slooten: dezelfde vlugge beweging over de oppervlakte des waters,
dezelfde grootte, dezelfde glans, als de zon hen beschijnt. Zij zijn
zeer vraatzuchtig en schijnen uitsluitend van dierlijk voedsel te
leven. Ongeveer een twaalftal vond ik op en in een klein scholletje;
zij waren druk bezig het te verslinden. Sprinkhanen en Kevers,
die van de duinen in zee waren gewaaid of gevlogen, werden geheel
leeggevreten, zoodat slechts het huidskelet overbleef. Ook vond ik
ze op en in Kwallen, zoo levende als doode. Als men gaat baden, dan
hechten zij zich graag op de huid vast en bijten vrij gevoelig. Met
het leven van dierlijk voedsel zijn de krachtige, van scherpe tanden
voorziene bovenkaken in volkomen overeenstemming. Zoo is het ook met
de zeer groote, bijkans het geheele "middellijf" vullende kauwmaag,
wier wand dikke spierlagen bevat en waarvan de binnenste bekleeding
van scherpe, tandvormige, chitineuze uitsteeksels voorzien is."
De leden van het typische geslacht Cymothoa parasiteeren op Visschen.
De parasitische levenswijze heeft ook uit Pissebedden wezens
van zeer zonderlinge gedaante doen ontstaan. Voorbeelden hiervan
leveren de familiën der Garnalenpissebedden (Bopyridae) en der
Krabbenpissebedden (Entonicidae). Bij beide zijn de mannetjes veel
kleiner dan de wijfjes, langwerpig van vorm, regelmatig geleed,
symmetrisch, kortom nog duidelijk als Pissebedden te herkennen. De
wijfjes, die in haar prille jeugd een dergelijk voorkomen hadden,
dalen allengs tot een veel lageren trap van organisatie af. Die
der Bopyriden verkrijgen een afgeplatte, asymmetrische gedaante,
naar rechts of naar links gebouwd al naar de plaats, die zij op haar
gastheer innemen; gewoonlijk vestigen zij zich in de kieuwholte van
Garnalen en Steurkrabben (gelijk Bopyrus squillarum), zeldzamer
in die van Krabben.--Een nog zonderlinger vorm van parasitisme
komt bij de Krabbenpissebedden voor. De gastheer van Cryptoniscus
pygmaeus is niet de Krab zelf, maar een op haar levende parasiet, de
vreemdsoortig gebouwde Peltogaster paguri. Alleen de wijfjes ontaarden
door parasitisme tot ongelede, dikwijls asymmetrische, worst-, buis-
of blaasvormige wezens, zonder ledematen.