DE CUMACEËN (Cumacea).
Deze orde bevat een 70-tal soorten van kleine, deels bij de kust,
deels op grootere diepte levende Schaaldieren, waarvan enkele,
o.a. de 12 mM. lange Diastylis Rathkei, in de Noordzee niet
zeldzaam zijn. Als Garnalen rusten zij over dag op den bodem;
's nachts zwemmen zij rond. Zij onderscheiden zich van de vroeger
genoemde en gelijken op de beide volgende orden door het gemis van
oogstelen. Het rugschild is nog korter dan bij de Stomatopoden,
daar het de 5 leden van het achterlijf, die bij de Decapoden met het
kopborststuk vereenigd zijn, onbedekt laat. De kieuwen (één paar)
zijn aan het eerste paar kaakpooten gehecht. Vroeger hield men de
Cumaceën voor larven van Decapoden; het is echter gebleken, dat zij
zelf eieren leggen. De hieruit voortkomende jongen gelijken bijna
volkomen op hunne ouders en ondergaan dus geen gedaantewisseling;
ook in dit opzicht komen de Cumaceën met de beide volgende orden
overeen.--De hierboven genoemde soort, die, behalve de Noordzee en de
Oostzee, ook de Noordelijke IJszee bewoont tot op 50 vademen diepte,
is van groot belang als voedsel voor allerlei Visschen.