ZESDE ORDE.

DE VLOOKREEFTEN (Amphipoda).

Ongeveer 600 soorten vormen deze over de geheele wereld verbreide

orde, welker leden meestal tot tallooze scharen vereenigd

voorkomen. Gezamenlijk heeten zij Vlookreeften, omdat zeer vele zich

bij rukken, zwemmend en springend, buitengewoon vlug door 't water

bewegen en daarbuiten dolle sprongen maken, welker hoogte dikwijls

het honderdvoud bedraagt van de lichaamslengte. Vele soorten hebben

een zijdelings samengedrukten stam en herinneren hierdoor eenigermate

aan Garnalen, hoewel deze en de andere Tienpootigen een aanmerkelijk

verschillende geleding vertoonen. Een juistere voorstelling dan

een beschrijving kan geven, levert de beschouwing van den Gewonen

Vlookreeft, ook wel Zoetwaterslikvloo of Zoetwatergarnaal genoemd

(Gammarus pulex), die men bij duizenden onder steenen, hout en rottende

plantendeelen, op den bodem van stroomend water en aan de oevers van

meren en groote plassen kan vinden.

De kop, die 2 zittende (ongesteelde), in facetten verdeelde oogen, 2

paar sprieten en 3 paar kaken draagt, is vergroeid met den voorsten

borstring, waaraan 1 paar kaakpooten voorkomt. De beide vrije

"borstringen" gelijken op de 5 voorste "achterlijfssegmenten" en

vormen met deze het "middellijf" (pereion), dat 7 paar "ware" pooten

draagt. De volgende afdeeling van den stam heet pleon (post-abdomen

of na-achterlijf) en bestaat uit 6 segmenten met ledematen en het

pootlooze staartlid (telson). De 3 voorste paren "valsche" pooten,

die in vorm en functie van de 3 achterste paren (of staartpooten)

verschillen, voeren onophoudelijk water toe aan de plaatvormige

aanhangselen van de heupen der middelste ware pooten (gewoonlijk die

van het 2e tot 6e paar); hun voortdurende beweging valt spoedig in 't

oog, wanneer de andere ledematen in rust verkeeren. De Vlookreeften

hebben veel lucht noodig; de gevangen exemplaren sterven spoedig,

tenzij de planten, die in het door hen bewoonde water groeien, een

voldoende luchtverversching teweegbrengen. Aan de heupen van sommige

ware pooten komen bij het wijfje plaatvormige aanhangsels voor,

die een onder de borst gelegen broedholte omgeven.

De grootste Amphipoden worden meer dan 10 cM., de meeste echter

nauwelijks 1 cM. lang; vele blijven kleiner. In zoetwater leven

slechts weinige soorten. Verreweg de meeste houden zich bij de kust

op en zijn dan onder den naam van "Strandvlooien" bekend, of leven

in de volle zee. In de noordelijke zeeën spelen de tallooze scharen

van Vlookreeften een belangrijke rol door het uit den weg ruimen van

rottende stoffen. De lijken van Cetaceën en andere groote waterdieren,

die bij langzame ontbinding het water ver in 't rond verpesten en

hierdoor den dood van een menigte jonge Visschen veroorzaken zouden,

worden in korten tijd door de millioenen Vlookreeften, die zich op hen

verzamelen, tot op de beenderen afgekloven. In de zee oefenen zij een

soortgelijk sanitair toezicht uit en bewijzen soortgelijke diensten

als de Aasgieren met zooveel ijver in de tropische gewesten verrichten;

zij verdelgen echter een veel grootere hoeveelheid schadelijke stoffen

dan hunne ambtgenooten.

Bij de Zwemmende Vlookreeften (Gammaridae), kan het klauwvormige

eindlid van de beide voorste paren ware pooten naar het voorlaatste

lid teruggeslagen worden, zoodat beide te zamen een grijphand

vormen. Voor het zwemmen dienen vooral de 3 eerste paren valsche

pooten. Zooals reeds gezegd is, leeft de Gewone Vlookreeft op den

bodem van ondiep, zuiver water, liefst onder groote steenen en stukken

hout, en voedt zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen; in den

herfst o.a. skeletteert hij op meesterlijke wijze de in 't water

vallende bladen. Bij het plotseling optillen van een in 't water

liggenden steen vindt men er dikwijls Watervlooien onder; gewoonlijk

zitten en liggen groote en kleine exemplaren dicht opeengedrongen

bijeen. Dadelijk stuiven zij echter in alle richtingen uit elkander

om zich achter het eerste, het beste voorwerp te verbergen. Zij, die

aan den opgetilden steen blijven kleven, maken krachtige bewegingen

met het achterlijf om zich zijwaarts te verplaatsen en zoo weer

in hun eigenlijke element terug te komen. Als hun dit niet spoedig

gelukt, sterven zij door het verdrogen der kieuwen, die vooral bij

zonneschijn snel verschrompelen. Zij worden trouwens niet uitsluitend

door vrees voor een vijand, maar vooral door lichtschuwheid tot

een snelle vlucht genoopt. In een glas met water is hun eerste zorg

onder een blad of een steentje het donkerste plaatsje op te zoeken,

dat hier te vinden is. Zij overwinteren in den grond; het voorjaar is

hun voortplantingstijd; de eieren ontwikkelen zich in den broedzak

van het wijfje, dat haar kroost gedurende geruimen tijd leidt en

hoedt.--De meeste soorten dezer familie zwemmen in zee.

Verscheidene soorten van Springende Vlookreeften (Orchestidae)

bewonen onze zeekust; een der meest bekende is de Strandvloo of

Springer (Talitrus locusta); deze begeeft zich nooit te water, maar

volgt het bij ebbe en bij vloed over het strand, of blijft bij eb

in den lagen dam van aangespoelde waterplanten achter. Hier maken

deze 10 mM. lange, helder witte diertjes dikwijls sprongen van een

voet hoogte; wegens hun groot aantal is de beweging reeds op eenigen

afstand zichtbaar. Dit geldt echter alleen voor 't warme jaargetijde;

's winters verbergen de bewoners van de kusten der noordelijke zeeën

zich in de rottende algen, die bij gewoon hoog water niet door de

golven worden medegenomen. Allerlei Vogels en ook een op het strand

veelvuldig voorkomende Loopkever (Cephalotes vulgaris) maken jacht op

de Springer. Het laatste paar staartpooten is in deze familie korter

dan de overige; bij de Gammariden bestaat de omgekeerde verhouding.

Eenige familiën kan men samenvatten onder den naam van Nestenbouwende

en Gangengravende Amphipoden (Domicola). Het laatste paar

staartpooten en soms ook het telson is bij hen meestal voorzien van

haakvormige organen, waarmede zij zich vasthouden in hun woning. Deze

vervaardigen zij van stukjes hout of steen en ook wel van slib; als

metselspecie dienen hunne eigene excrementen. Daar hun lichaam niet

of niet sterk zijdelings samengedrukt is, kunnen zij zich loopend

voortbewegen, zonder dadelijk om te vallen, zooals de leden der

vorige familiën. Amphitoë littorina (7 mM. lang) maakt een nestje van

samengerolde stukjes algen; Podocerus pelagicus (6 mM. lang) bouwt een

buisvormige woning uit slijk. De (8 à 11 mM. lange) Diksprietgarnaal

(Corophium longicorne), die soms in grooten getale op ons zeestrand

voorkomt (Ritzema Bos), graaft met hare dikke, 12 mM. lange sprieten

gangen in het slijk, dat bijna of geheel bij eb drooggeloopen is. De

hier genoemde Corophiidae zijn onschadelijke dieren: zeer schadelijk is

daarentegen de werkzaamheid van de Borende Vlookreeften (Cheluridae),

welker eenige, 4 à 5 mM. lange vertegenwoordiger (Chelura terebrans),

evenals de Boorpissebed, in dokken en dammen het houtwerk van den

bodem tot den waterspiegel door zijne 1.5 mM. wijde, cilindervormige

gangen beschadigt. Men heeft hem aan de zuidelijke en westelijke

kusten van Europa, in West-Indië en in Noord-Amerika waargenomen,

aan onze kust echter slechts éénmaal in een drijvend stuk wrakhout.

De Parasitische Amphipoden (Hyperiidae en Phronimidae) onderscheiden

zich door een eigenschap, die men gewoonlijk bij parasieten niet

aantreft; zij hebben n.l. zeer groote oogen; hierdoor en omdat zij

zeer goed zwemmen, is het hun mogelijk dikwijls van gastheer te

veranderen. De Hyperia's en hare verwanten leven in de zakvormige

holten van de onderzijde der Kwallen. Gedurende den zomer laten zij

zich door hunne gastheeren rondvaren; in den winter leven zij vrij op

den bodem der zee. Op en in Kwallen aan onze kust werd de 8 mM. lange

bruinachtige Hyperia galba gevonden.--Phronima sedentaria heeft een

andere levenswijze; het wijfje althans kiest Ribkwallen of Manteldieren

van de geslachten Doliolum en Pyrosoma tot woonplaats en vreet deze

zoover uit, dat er slechts een glashelder huidje overblijft, waarin

zij met haar kroost woont. Het mannetje heeft men nog niet anders

dan vrij zwemmend aangetroffen.

Een afzonderlijke onderorde vormen de zeer zonderling gebouwde

Spookkreeftjes, die Keelpootigen (Laemadipoda) worden genoemd, omdat

door vergroeiing van den kop niet slechts met den eersten maar ook

met den tweeden borstring, het eerste paar ware pooten schijnbaar

aan den kop is gehecht. Het achterlijf is bij hen zeer weinig of

niet ontwikkeld en bezit geen of slechts rudimentaire ledematen. De

talrijke, meestal niet meer dan 15 mM. lange Caprella's, waarvan

eenige ook aan onze kust gevonden zijn, leven op ondiepe plaatsen op

zeeplanten. Hare werkzaamheden leveren een aardig schouwspel op. Zij

zijn de beste acrobaten van hare klasse; behendig als Apen en met

vele buitelingen en lichaamsverdraaiingen bewegen zij zich langs en

tusschen de takken van de onderzeesche miniatuurwouden. Door haar

voortdurende bedrijvigheid steken zij gunstig af bij de verwante

Walvischluizen (Cyamus), welker eivormig, van boven naar onderen

samengedrukt lichaam een klein, smal kopgedeelte heeft. Aan de huid

van de Dolfijnen en andere Walvischachtigen, waarop zij parasieteeren,

zijn zij met hare krachtige klauwen vastgehecht.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen · 第 21 / 27 题