TWEEDE ORDE.

DE SPLEETVOETIGEN (Schizopoda).

De naaste verwanten van de Decapoden zijn kleine, weekschalige,

bij oppervlakkige beschouwing aan Garnalen herinnerende Crustaceën,

die op verschillende diepten de zee bewonen en onder bovenstaanden

naam tot een orde zijn samengevat. Bij hen hebben 1, 2 of 3 paar

van de ledematen, die bij de Decapoden als kaakpooten dienst doen,

denzelfden vorm als de volgende ledematen van het kopborststuk,

waardoor het aantal paren gangpooten tot 6, 7 of 8 toeneemt; elk dezer

pooten heeft aan de buitenzijde een lang, veelledig aanhangsel en is

dus als 't ware in twee takken gespleten. In onze zeeën is de genoemde

orde vertegenwoordigd door eenige soorten van Aasgarnaaltjes (Mysis),

vooral door het Kleine (Mysis vulgaris) en het Groote (Mysis flexuosa).

De leden van dit geslacht missen de kieuwen geheel, hun ademhaling

geschiedt hoofdzakelijk door het dunwandige rugschild; bij de overige

geslachten komen aan de pooten pluimvormige kieuwen voor, die echter

niet door de zijstukken van het rugschild overdekt worden.

Deze diertjes, die voor 't meerendeel niet langer zijn dan 25 mM.,

vormen, daar zij op vele plaatsen in ontzaglijke groote menigte

voorkomen, een belangrijk bestanddeel van de voeding der Visschen en

andere Waterdieren. Zelfs de groote Groenlandsche Walvisch (Balaena

mysticetus) onderhoudt zijn reusachtig lichaam met deze kleine wezens,

die in de noordelijke zeeën zoo veelvuldig zijn, dat de Walvisch

slechts den bek heeft te openen om het materiaal voor millioenen

vetdrupjes in zich op te nemen.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen · 第 17 / 27 题