EERSTE ORDE.

DE TIENPOOTIGEN (Decapoda).

Deze orde, die de hoogst ontwikkelde Schaaldieren omvat, munt ook

door haar omvang boven alle overige orden uit, daar zij meer dan

2000 soorten omvat; hare belangrijkste kenmerken zijn: het bezit van

samengestelde, op beweegbare stelen rustende oogen en de vergroeiing

van de 13 voorste, ledematen dragende lichaamssegmenten tot een

kopborststuk, dat door een groot schild bedekt is en 5 paar ware

pooten draagt. Aan weerszijden van het kopborststuk bevindt zich een

door het zijstuk van het rugpantser beschutte kieuwholte, die een

verschillend aantal vedervormige kieuwen bevat, vastgehecht deels

aan de huid van den stam, deels aan de pooten. Het water dringt van

onderen en van achteren in de kieuwholte door en stroomt langs de

kieuwen naar voren. De strooming ontstaat door voortdurende beweging

van de ademhalingsklep, een als een pompzuiger werkend aanhangsel van

het tweede paar onderkaken, in het naar voren gerichte, buisvormige

afvoerkanaal van elke kieuwholte.

Geen der andere orden levert zulke opmerkelijke voorbeelden op van

overleg, van sluwheid bij het overmeesteren van de prooi of bij de

vlucht voor vijanden; het nauwkeurig acht geven op al wat er in de

omgeving voorvalt, het gebruik maken van list tot het bereiken van het

beoogde doel treedt nergens zoo duidelijk aan 't licht als hier. Deze

eigenschappen, die getuigenis afleggen van de hooge ontwikkeling van

het zenuwstelsel en van de zintuigelijke organen, vooral van de oogen,

gaan gepaard met een grooter stevigheid van het huidskelet en met een

krachtiger spierstelsel dan bij andere Schaaldieren voorkomt. Buiten

het water zijn vele Tienpootigen zeer onbeholpen, nauwelijks in

staat om de kolossale scharen op te heffen. Men moet hen echter

in hun eigenlijk element zien, waar zij evenveel lichter zijn als

het gewicht van de door hen verplaatste hoeveelheid water bedraagt,

om een juist oordeel over hunne bekwaamheden te vellen. Dan toonen

vele Tienpootigen, die, gelijk onze Rivierkreeft, een lang achterlijf

hebben, dat het hun aan vlugheid en behendigheid niet ontbreekt. Wegens

hun korter achterlijf zijn de Krabben beter dan de Kreeften geschikt

voor de beweging op het land en op den zeebodem. Op de lengte van

den zoogenaamden "staart" berust de verdeeling der orde in drie

onderafdeelingen: de Kortstaartigen (Brachyura), de Middelstaartigen

(Anomura) en de Langstaartigen (Macrura).

De Kortstaartige Tienpootigen of Krabben hebben een korten,

plaatvormigen, onder het kopborststuk teruggeslagen staart. De

wijfjes verschillen van de mannetjes door de grootere breedte van deze

staartplaat, die niet zelden een soort van schotel vormt, waarin de

eieren, aan draadvormige aanhangels van de pooten gehecht, tot aan

de geboorte der jongen blijven. Het kopborststuk is kort, dikwijls

breeder dan lang en draagt niet zelden allerlei uitwassen en stekels,

die aan deze dieren een zeer zonderling voorkomen verschaffen. De

meeste Krabben loopen zijwaarts en maken hierdoor, vooral als zij zich

vlug bewegen, een komische vertooning. Zeer dikwijls zijn de beide

scharen ongelijk ontwikkeld; bijna altijd is die aan de rechterzijde

de dikste; zij wordt gedurende het loopen niet zelden in dreigende

houding boven den rug geheven. Andere soorten, welker achterpooten

door plaatvormige verbreeding der leden uitmuntende zwemorganen zijn

geworden, hebben de beide scharen gelijkmatig ontwikkeld; ook zijn zij

veel minder dan hunne loopende verwanten tot zelfverminking geneigd;

beide verschijnselen kunnen in verband gebracht worden met het feit,

dat een dier bij het zwemmen veel meer dan bij het loopen gehinderd

wordt door de ongelijke zwaarte der beide lichaamshelften.

De familie der Vierhoekkrabben (Catometopa) heeft het kopborststuk

meer of minder duidelijk vierhoekig, van voren dwars afgeknot. Zij

omvat een aantal landbewoners, die tot de geslachten Gecarcinus, Uca,

Gelasimus, Ocypoda, Grapsus e.a. behooren.

Van de Landkrabben (Gecarcinus) zegt Pöppig: "Bij voorkeur bewonen zij

vochtige, schaduwrijke wouden, verbergen zich onder boomwortels of

graven in den grond gaten van aanzienlijke diepte. Sommige verlaten

nooit de moerassige lage landstreken in de nabijheid van de zee,

andere leven op tamelijk grooten afstand van de kust, zelfs op steile,

rotsachtige bergen. Op de volkomen waterlooze, met lang struikgewas

begroeide, maar overigens bijna van teelaarde ontbloote kalkrotsen van

Cuba komen gedurende 8 maanden van het jaar groote Landkrabben voor,

die den eenzamen voetganger menigmaal schrik aanjagen door het ratelend

geluid van haar beweging in de dorre bladen en zich met veel moed

verweren, wanneer men haar bedreigt. Hoewel zij veelvuldig voorkomen,

ziet men ze steeds alleen; buiten den voortplantingstijd toonen zij

geen neiging tot gezelligheid. Niet zelden vestigen zij zich op zeer

onzuivere plaatsen, o.a. naast de open riolen der landgoederen. Daar

zij een bijzondere voorliefde toonen voor kerkhoven beweert men

in West-Indië algemeen en vermoedelijk te recht, dat zij zich een

weg banen naar lijken, die dicht bij de oppervlakte begraven zijn en

hieraan knagen. Om deze reden zijn nagenoeg alle volksklassen afkeerig

van het gebruik dezer dieren als spijs. De Gewone Landkrab (Gecarcinus

ruricola) wordt op alle West-Indische eilanden en op de kusten van het

naburige vasteland gevonden. Eenmaal per jaar verlaat zij haar 1 à 2

uur van de kust gelegen woonplaats en trekt naar de zee. In Februari

verschijnen de eerste van deze reizigers, welker aantal voortdurend

toeneemt. Het trekken duurt tot in April. Zoodra de Landkrabben op het

strand zijn gekomen, begeven zij zich in de golven; maar vermijden

alle plaatsen, waar een hevige branding heerscht. Over 't algemeen

blijven zij niet lang in het water, maar verlaten het, nadat het wijfje

de talrijke eieren heeft losgespoeld, die aan de onderzijde van haar

achterlijf door een taaie vloeistof zijn vastgehecht. In Mei en Juni

aanvaarden zij de terugreis en zijn dan volstrekt niet eetbaar. Een

rust van eenige weken is voldoende voor haar herstel; tegen het midden

van Augustus verbergt zich de Landkrab in een met dorre bladen goed

bekleede holte, verstopt den toegang met veel beleid en blijft hier,

totdat de vervelling is afgeloopen, d.i. ongeveer een maand. Met

een rood geaderde, zeer dunne en hoogst gevoelige huid bekleed,

blijft de Krab tot het midden van September in haar schuilplaats;

zij wordt dan door velen als een fijne spijs beschouwd. Op nieuw met

een stevig pantser bekleed, waagt zij het buiten te komen, maar doet

dit liever 's nachts dan over dag; langzamerhand wordt zij vetter,

totdat na Januari de reeds beschreven reis opnieuw wordt ondernomen."

Bij de Roepkrabben (Gelasimus) hebben de wijfjes kleine scharen;

die van het mannetje hebben door haar ongelijke grootte aanleiding

gegeven tot den naam van het geslacht, daar de groote schaar omhoog

geheven wordt als om iemand te roepen of te wenken. De Engelschen

noemen dit dier Winkcrab. Met de groote schaar verspert het de ingang

van zijn in den grond gegraven hol. Sommige soorten gebruiken alleen

de vlakke kuststrook als wandel- en jachtterrein; andere geven

bovendien bewijzen van bekwaamheid in 't klimmen. Zoo maakt Frits

Müller melding van een alleraardigst, vlug krabbetje uit deze familie,

dat de mangleboomen bestijgt en aan hunne bladen knaagt. Het wordt

door de korte, buitengewoon spitse klauwen, die als naalden prikken,

wanneer het iemand over de hand loopt, in staat gesteld om zeer

behendig bij de dunste takjes omhoog te klimmen.--Sommige Roepkrabben

laten het water, dat zij in de kieuwholte medenemen, wanneer zij zich

aan land begeven, zoodra het voor de ademhaling ongeschikt geworden is,

door de fijne tusschenruimten van het viltachtig bekleedsel van haar

pantser stroomen. Nadat in aanraking met de lucht de uitwisseling van

koolzuur tegen zuurstof tot stand gekomen is, keert het water in de

kieuwholte terug. In zeer vochtige lucht duurt het uren lang, voordat

de watervoorraad in de kieuwholte verdampt is; eerst dan licht het dier

zijn pantser op en laat lucht doordringen in de voor 't water bestemde

ruimte. Van nu af ademen zij werkelijk lucht, evenals de snelvoetige

Zandkrabben (Ocypoda), die voortdurend op het land verblijf houden

en in 't water nauwelijks een dag in 't leven kunnen blijven. Andere

verwante soorten--de Rivierkrabben (Telphusa)--zijn geschikt geworden

voor het leven in zoetwater. Telphusa fluviatilis is in Italië,

vooral in de meren van Albano en Nemi bij Rome, niet zeldzaam.

De Mosselkrabben (Pinnotheres), die zich in de mantelholte van

verscheidene in zee levende Plaatkieuwige Weekdieren ophouden, hebben

een meer ronden vorm dan de soorten van overige Vierhoekkrabben,

waarmede zij eenige eigenaardigheden van het maaksel der monddeelen en

der ademhalingswerktuigen gemeen hebben. Haar huid is tamelijk week en

levert geen voldoende beschutting, die zij daarom zoeken in de schelpen

harer vriendinnen. Als een vriendschapsbond wordt sedert overouden tijd

de betrekking tusschen de Krab en de Mossel opgevat. Deze verschaft

een schuilplaats aan het zachthuidige Schaaldier, dat door zijne goede

oogen in staat is om zijn gastvrouw te rechter tijd op een naderend

gevaar opmerkzaam te maken. De soort, die tot deze sage aanleiding

heeft gegeven, is Pinnotheres veterum, die in de Middellandsche zee

voorkomt, zich bij voorkeur in de Groote Steekmossel (Pinna squamosa)

ophoudt en hierdoor aanleiding heeft gegeven tot den naam van het

geslacht (die "Pinna-dier" beteekent). Aan onze kust treft men het 9

à 12 mM. lange Mosselkrabbetje of Roode Krabbetje (Pinnotheres pisum)

dikwijls in Gewone Mossels (Mytilus edulis) aan.

De Boogkrabben (Cyclometopa) hebben het kopborststuk van voren breed,

meestal boogvormig afgerond, van achteren veel smaller. Alle bewonen

de zee; de meeste zijn goede zwemmers.

Van het geslacht der Zwemkrabben (Portunus) leven 9 soorten in

de Middellandsche zee, 6 in de Noordzee. Het laatste lid van de

achterpooten is in een breede, ovale plaat veranderd, waardoor deze

ledematen bijzonder goed voor 't zwemmen geschikt zijn.

De Gemarmerde Zwemkrab (Portunus marmoreus) komt o.a. veelvuldig

voor aan den door 't water bespoelden voet van gebouwen te Venetië;

men ziet haar op de groote Lidodammen of Murazzi aldaar en ook in de

haven van Triëst bij de muren opklimmen.

Het Porceleinkrabbetje (Portunus holsatus) verdient den naam Gewone

Zwemkrab, daar het aan onze kust overal, tot op 20 vademen diepte,

veelvuldig voorkomt; dikwijls wordt het tusschen gekookte Garnalen

gevonden.

De Strandkrabben (Carcinus), welker drielobbig, voorbij de oogholten

uitpuilend voorhoofd met de dunne, vijftandige, voorste zijranden

van het rugschild een booglijn vormt, hebben het laatste lid van de

achterpooten sterk samengedrukt, maar smal.

De Gewone Strandkrab (Carcinus maenas) is misschien wel de meest

verbreide soort der Europeesche zeeën; zij komt bij ons ook wel in

brak water voor. In groote hoeveelheid (139000 vaatjes van 80 pond per

jaar) wordt zij van de Venetiaansche kust o.a. naar Italië uitgevoerd,

waar zij als lokaas voor de Sardellenvangst dient. In olie gebakken

zijn deze Krabben (molecche) een lievelingsgerecht van de Venetianen,

die de mannetjes granzo, de wijfjes masseneta noemen. De wijfjes, die

nog eieren bevatten, zijn het meest gezocht; hiervan worden ieder jaar

te Venetië en de naburige plaatsen van het vasteland 38000 vaatjes

(à 70 pond) verkocht, bovendien nog 86000 pond Krabben met weeke

schalen, ter gezamenlijke waarde van 1/4 millioen gulden.

De leden van een aantal andere geslachten hebben aan alle pooten,

ook aan de achterste, een dun en spits, klauwvormig eindlid. Een

voorbeeld hiervan levert de Gewone Zeekrab (Cancer pagurus), die in

de Adriatische en de Middellandsche zee minder veelvuldig voorkomt

dan de Strandkrab, maar daarentegen sterk vertegenwoordigd is bij de

kusten der Noordzee. Van boven is zij bruinachtig, van onderen lichter

van kleur; de vingers van de scharen zijn zwart. Zij kan meer dan 30

cM. breed worden en verdient wegens haar grootte en smakelijkheid de

voorkeur boven alle andere Krabben van de Noordzee. Zij bewoont liever

een rotsachtigen dan een zandigen zeebodem en wordt vooral aan de

Engelsche kust veel gevangen. De opbrengst van de krabbenvisscherij in

het Vereenigd Koninkrijk bedroeg in 1896 ruim 8 1/2 millioen stuks ter

waarde van bijna 800000 gulden. Ook in sommige Nederlandsche havens

worden vele groote Krabben aangebracht, te Harlingen b.v. in 1896,

4400 stuks.

De Krabben met nagenoeg driehoekig rugschild, welks voorhoofdsgedeelte

spits vooruitsteekt, noemt men Driehoekkrabben (Oxyrhyncha). Zij

zwemmen niet, maar kruipen en hebben door hare veelal lange pooten een

spinachtig, dikwijls zeer zonderling voorkomen. Dit geldt vooral van de

Stenorhynchus- en Inachus-soorten. De laatstgenoemde zijn altijd met

allerlei algen en vastzittende dieren begroeid. Gesteelde diatomeën

(kristalwieren), Hydroidpolypen, Infusoriën, samengestelde Ascidiën

en andere bedekken den stam en de ledematen als een fijn dons of als

een zode. Dit kleed verschaft nut en genoegen: de Krab beschouwt

het als een groentetuin en plukt hieruit met de scharen af en toe

een versnapering.

Een van de merkwaardigste leden dezer familie is de Groote

Zeespin (Maja squinado), die in de Europeesche zeeën, vooral in

de Middellandsche zee tot aan Triëst, veelvuldig voorkomt. Ieder

jaar worden vele duizenden van deze Krabben op de vischmarkten

der Zuid-Europeesche kuststeden verkocht, meestal in groote, los

gevlochten korven, waarin de roodachtige, ongeveer 11 cM. lange

dieren een schijnbaar niet te ontwarren klomp van ruig behaarde

lichamen en pooten vormen. Vooral in de volksgaarkeukens worden zij,

in haar eigen schaal geroosterd, veelvuldig opgedischt en verschaffen

den minderen man een smakelijke spijs bij den zwarten wijn. Ook van

deze Krab wisten de ouden allerlei zonderlinge zaken te verhalen. Men

beweerde, dat zij buitengewoon schrander is en veel van muziek houdt;

op vele munten komt haar beeltenis voor, ook op het halssieraad van

het Diana-beeld van Ephese.

De Rondkrabben (Oxystomata), kenbaar aan het afgeronde kopborststuk

zonder vooruitstekend voorhoofd, ontleenen haar wetenschappelijken

naam aan den driehoekigen vorm van de mondopening. Een zeer eigenaardig

voorkomen hebben de Schaamachtige Krabben (Calappa), zoo genoemd, omdat

zij met de groote, samengedrukte, lijstvormig verbreede schaarpooten

zich het aangezicht bedekken. De wetenschappelijke naam doelt op de

zeer bolle gedaante van het lichaam, dat met een halven kokosnoot

(klapper of kulapa) vergeleken wordt. Nadat zij de korte pooten onder

de borst teruggetrokken hebben, trotseeren zij, op den bodem rustend,

of voor een deel er in bedolven, hare vijanden. Zij bewonen de warme

zeeën. De noordelijkste soort van dit geslacht is Calappa granulata,

die in de Middellandsche zee gevonden wordt en hoogstens 5 à 8

cM. lang is.

De Rugpootigen (Notopoda) vormen door de hooger, nader bij den rug

gelegen plaats van inplanting van het vijfde (of van het vijfde

en het vierde) paar pooten, een overgang tot de volgende, groote

onderafdeeling van de Tienpootigen.

De Wolkrab (Dromia vulgaris) heeft het lichaam dicht behaard met

uitzondering van de roodachtige spitsen der scharen; zij bewoont de

Middellandsche Zee en de Noordzee op 20 à 35 vademen diepte. Dit

dier heeft de zeer eigenaardige gewoonte een beschermend dak met

zich om te dragen; hiervoor gebruikt het bijna uitsluitend Sponsen,

meestal Sarcotragus spinolosus, of een variëteit van de Kurkspons

(Suberites domuncula); deze worden met de rugpooten op haar plaats

gebracht en gehouden. De Spons vleit zich met haar ondervlakte nauw

tegen het rugschild aan en bereikt dikwijls zulk een grootte, dat

zij de Krab volkomen bedekt, zonder deze echter bij hare niet zeer

vlugge bewegingen te hinderen. Hoe sterk de behoefte aan zulk een

deken of mantel is, blijkt uit de wijze, waarop de Wolkrabben in

een aquarium zich gedragen, nadat men haar de Spons ontnomen heeft;

zij hangen zich dan een stuk wier over den rug dat haar een zeer

zonderling voorkomen verschaft.

Een andere, tot dezelfde familie behoorende Krab, Dorippe lanata,

zoekt, zonder een bepaalde voorkeur te toonen, allerlei voorwerpen uit

haar omgeving op. Phallusiën en Holothuriën, vischkoppen, lijken van

soortgenooten en levende Dromia's, ja zelfs stukken vensterglas worden

met de beide achterste paren pooten op eenigen afstand boven den rug

gehouden, terwijl zij als een Spin rondstapt en met de lange pooten

het lichaam hoog opgeheven houdt. Zij gebruikt deze voorwerpen niet

zoozeer als kleed dan wel als schild; zij houdt ze haren aanvaller

voor en maakt er allerlei kunstgrepen mede, zonder haar lichaam

te bewegen, blijkbaar met het doel om hare beschuttingsmiddelen,

waarmede de vijand zich bezig houdt, in zijne klauwen achter te laten

en te rechter tijd de vlucht te nemen.

Een aardig staaltje van de list der Krabben komt voor in de volgende

beschrijving van een natuurtafereel aan de Engelsche kust: "Wij waren

zoo verdiept in de beschouwing van de Strandvlooien (Talitrus locusta),

dat verscheidene donkere gedaanten, die zich in de verst op het strand

komende golfjes vertoonden, niet door ons opgemerkt werden, voordat

een lid van het gezelschap er onze aandacht op vestigde. Wij zagen

toen een groene Krab van een op deze kust zeer gewone soort, niet

veel breeder dan 3 cM., oogenschijnlijk een zeer onbeduidend, niets

aantrekkelijks vertoonend dier. Langzaam kwam het nader over het zand,

dat slechts op enkele plaatsen door het water bespoeld werd, intusschen

zorgvuldig op alles lettend. Door een groot Weekdier, dat de golfjes

nu eens verder op het strand spoelden, dan weer terugtrokken, werd het

genoopt de klauwen, die bij het gaan eenvoudig als krukken schenen te

dienen, voor een ander doel te gebruiken: zij plozen het eene stukje

na het andere uit het Weekdier en brachten dit vervolgens naar den

mond op een wijze, die aan de beweging van een hand herinnerde. Toen

de Krab eenige klauwen vol genomen had, scheen dit voedsel haar niet

meer te behagen; langzaam bewoog zij zich verder in de richting van

het droge zand. Voortkruipend langs een vochtige plaats, zocht een

fraaie Strandvloo een hoopje zeegras op; zij bewoog zich zonder haast,

onbewust van de nabijheid van den loerenden vijand en was weldra op het

zeegras bezig haar maal te doen. Het was nu een lust naar de bewegingen

van de Krab te kijken. Zij hield de Strandvloo voortdurend in 't oog,

kwam langzaam nader en maakte met de behendigheid van een ervaren jager

als dekking gebruik van een tusschen beide liggend hoopje zeegras;

zij was nog slechts 20 cM. van haar prooi verwijderd en trachtte dezen

afstand zooveel mogelijk te verminderen. De Strandvloo was echter op

haar hoede en scheen, op grond van vroegere ervaringen, de nabuurschap

van een vijand mogelijk te achten. De Krab verliet haar schuilplaats,

bukte zich en kroop op hoogst kunstige wijze nader bij haar buit:

toen zij er ongeveer 10 cM. van verwijderd was, staakte de Strandvloo

haar maal en maakte een beweging in de richting van de Krab. Een

oogenblik werd onze aandacht afgeleid door een ander voorwerp, in 't

volgende was de Krab verdwenen. Het was ons onmogelijk te ontdekken,

waar zij zich bevond. Het zand in de omgeving was vlak, zonder eenige

andere bedekking dan eenige nietig kleine hoopjes zeegras. Zoo scherp

mogelijk toekijkend, zagen wij een kluit zand dicht bij de Strandvloo,

als door een onderaardsche kracht gedreven, langzaam omhoog rijzen;

de Krab, die onder het zand gekropen was, om aan de aandacht van de

Strandvloo te ontgaan, kwam er uit te voorschijn, deed ter sluiks 1 of

2 stappen vooruit en schoot toen plotseling, als een Kat op een Muis,

op de rustig arbeidende Strandvloo toe. De bewonderenswaardige, op

handen gelijkende klauwen werden onder het lichaam van het slachtoffer

gestoken, grepen het, scheurden het in twee stukken en staken deze

in den bek. Terwijl wij onze volle aandacht schonken aan deze Krab,

hadden wij niet opgemerkt, dat vele van zijne soortgenooten slechts

weinige schreden verder ijverig op dezelfde wijze aan 't jagen waren."

Op rotsachtige kusten van de Middellandsche zee kan men zich den tijd

verdrijven met den niet minder sluwen Grapsus varius, een middelmatig

groote, bont gekleurde Vierhoekkrab, die zich op den oever met de

jacht bezig houdt en met de behendigheid van een Muis van gaten en

rotsspleten gebruik weet te maken.

De Middelstaartigen (Anomura) vormen een overgangsgroep, daar hun

staart, hoewel sterker ontwikkeld dan die der Krabben, in den regel

niet den omvang van dien der Langstaartige Tienpootigen bereikt, of,

zoo dit wel het geval is, een zachte huid heeft en daarom gewoonlijk

in een ledig slakkenhuis verborgen wordt. Vooral de Eremietkreeften

(Paguridae) verdienen onze belangstelling, daar zij aan alle

zeekusten voorkomen en een hoogst eigenaardige levenswijze hebben,

die met hun lichaamsbouw ten nauwste samenhangt. Vóór het langwerpige

kopborststuk steken lange, zeer beweeglijke oogstelen uit, die hen in

staat stellen om van uit hun woning de omgeving te bespieden. Ook de

schaarpooten zijn lang, krachtig en gewoonlijk ongelijk ontwikkeld;

deze asymmetrie komt bij vele Kreeften voor, maar strekt zich bij de

Paguriden over allerlei andere lichaamsdeelen uit en staat eveneens

in verband met hun levenswijze. De beide laatste pooten zijn zeer

weinig ontwikkeld en klauwvormig; evenals de pootstompjes van het

achterlichaam (soms ook nog geholpen door eenige zuignappen aan

dit lichaamsdeel), houden deze organen het slakkenhuis vast, waarin

het dier zijn langwerpigen, zakvormigen staart verbergt; deze heeft

beschutting noodig, daar hij bedekt is door een grootendeels weeke

huid, die slechts aan de bovenzijde eenige harde platen bevat. Het dier

zoekt zich een woning, groot genoeg om in tijd van nood het geheele

lichaam achter den rand van de opening te kunnen verbergen; het houdt

zich zoo stevig vast, dat men het bijna nooit levend en ongeschonden

uit de schelp kan trekken; gewoonlijk breken de scharen, waarbij

men het dier het best kan aanvatten, of wordt het kopborststuk van

het achterlichaam afgescheurd. Wanneer de Kreeft te groot geworden is

voor zijn woning, moet hij haar wel verlaten en een nieuw, hem passend

huis opzoeken. De Kurkspons (Suberites domuncula), die in de Noordzee

bij onze kusten zeer zelden, in de Middellandsche zee daarentegen

veelvuldig voorkomt, vestigt zich bij voorkeur op slakkenhuizen,

die door Eremietkreeften bewoond worden en brengt hunne eigenaars

dikwijls in groote verlegenheid. Hoe ijveriger de Kreeft rondwandelt,

des te beter gedijt de Spons, welker op kurk gelijkend, geelachtig

rood lichaam weldra het geheele huisje bedekt en nu voor den bewoner

gevaar begint op te leveren. Indien deze zich n.l. niet te rechter

tijd uit de voeten maakt, wordt hem de deur voor den neus gesloten,

daar de Spons zich ook over den ingang van de woning uitbreidt. Men

vindt dikwijls Eremietkreeften in dezen ellendigen toestand. Door

het kleine gaatje, dat de Spons heeft overgelaten, kan het dier

de gesteelde oogen steken en de heerlijkheden van de buitenwereld

begluren, of met de spits van een schaar een weinig voedsel opnemen,

ternauwernood voldoende om het leven te rekken; eindelijk bezwijkt

het van honger.

Evenals vele Krabben, leven ook verscheidene soorten van het geslacht

Coenobita op het land, in kuststreken van tropische gewesten; zij

gebruiken meestal huisjes van Landslakken van het geslacht Bulimus als

middel tot beschutting van haar achterlichaam en sleepen deze mede

op hare tochten, die zich dikwijls zeer ver en over zeer oneffene

wegen uitstrekken.

De eenige soort van het Pagurus, die tot onze fauna behoort, wordt

door de visschers in Holland Snijder, in Groningen Soldaat en door

schrijvers uit de beide vorige eeuwen Kreeftslak genoemd (Pagurus

Bernhardus). Hare hoogstens 12 à 15 cM. lange vertegenwoordigers

leven zoowel vlak bij de kust, op zeer geringe diepte, als verderop,

waar 20 vaâm water staat. De volwassenen danken aan Wulken (Buccinum

undatum), de jongen aan Tepelhoorns hun woning, die in den regel bedekt

is met een harde, bruine korst, de gemeenschappelijke grondlaag van een

Polypen-soort, van de Ruwe Zeerasp (Hydractinia lactea).--Op 15 à 20

vademen diepte komt in de Europeesche zeeën de 7 à 10 cM. lange Pagurus

Prideauxii voor, op wiens slakkenhuis men bijna altijd een fraaie

Polyp--de Mantelactinie [Actinia (Adamsia) palliati]--vastgehecht

vindt. Opmerkelijk is het, dat de Kreeft, wanneer hij van woning

verwisselt, zijn Actinie medeneemt, d.w.z. haar van de oude schelp

losmaakt, met de scharen op het nieuwe huis neerzet en steunt, tot

zij zich hieraan met de voetschijf heeft vastgehecht. Dat de Actinie

bij deze verhuizing niet geheel passief blijft, kan men afleiden

uit het feit, dat zij, wanneer de Snijder gewelddadig uit het huisje

verwijderd wordt, uit eigen beweging van standplaats verwisselt en

een anderen Pagurus tot bondgenoot kiest. Beide dieren profiteeren

van de samenleving. De Adamsia heeft netelorganen, die bij aanraking

een pijnlijke, brandende gewaarwording veroorzaken. Terwijl zij de

vijanden op een afstand houdt, stelt de beweging van Pagurus haar in

staat om van een zeer uitgestrekt terrein voedsel in te zamelen.

Deze vorm van symbiose komt niet slechts bij Anomuren, maar ook bij

Brachyuren voor. Möbius zag er een voorbeeld van: alle exemplaren,

de mannetjes zoowel als de wijfjes, van een soort van Zeekrabben

(Melia tesselata), die hij bij de Seychellen waarnam, droegen op

elke schaar een Actinia prehensa. Wanneer men de Polyp wegneemt en

doorsnijdt worden de stukken door de Krab bijeengezocht.

Tot de Anomuren, welker achterlichaam beschutting noodig heeft en

symmetrisch ontwikkeld is, behoort de groote landkreeft, die op de

Oost-indische eilanden Notendief (Birgus latro) wordt genoemd. De

rugzijde van zijn na-achterlijf is met pantserplaten bedekt, de

buikzijde niet. Zijn nachtverblijf is een gat in den grond, dat

door hem zelf gegraven en met vezels van kokosnootbolsters gevoerd

wordt. Zijn voedsel bestaat uit kokosnoten, die hij over dag onder de

boomen opzoekt en zeer behendig weet te openen. De bewering van Rumph

(schrijver van de "Amboineesche Rariteitenkamer", 1627-1702), dat hij

in den boom zou klimmen om noten te plukken, is gebleken onjuist te

zijn. De bewoners van Amboina en van sommige andere Oost-indische

eilanden eten dit dier; het kan een aanzienlijke lengte bereiken;

zijn kopborststuk is soms wel 15 cM. lang.

Paguriden met een recht, symmetrisch ontwikkeld achterlichaam vindt

men ook wel in diepe zeeën; sommige leven vrij en hebben een hard

huidskelet; andere kruipen in den grond, of vervaardigen kokers van

zand, waarin zij hun achterlichaam verbergen. De merkwaardigste soort,

de Gestrekte Houtsnijder (Xylopagurus rectus) bewoont op een diepte

van 500 à 730 M. een hol stuk bamboes of een andere houten koker,

die aan beide einden open is.

De derde en grootste afdeeling der Decapoden wordt gevormd door de

Langstaartigen (Macrura), welker achterlichaam flink ontwikkeld

en even lang is als het kopborststuk of langer dan dit. Alle 6

na-achterlijfsringen dragen één paar ledematen; die van het laatste

segment vormen met den "telson" (het afgeplatte, laatste stuk van

den stam, waaraan men tegenwoordig den rang van segment ontzegt)

een groote, horizontale staartvin.

De familie van de Pantserkreeften (Loricata) kenmerkt zich door zeer

harde lichaamsbekleedselen en een zeer groot achterlichaam. Alle

5 paren pooten eindigen in een klauwvormig lid en niet in

een schaar.--Het belangrijkste geslacht is dat der Langoesten

(Palinurus); hare buitenste sprieten zijn langer dan het lichaam;

zij bestaan uit een grondstuk van 3 dikke, stekelige leden en een

lange zweep.--De Gewone Langoeste (Palinurus vulgaris) komt het

veelvuldigst voor in de Middellandsche zee; toch worden ook aan

de westelijke en zuidelijke kusten van Ierland en Engeland zoovele

Kreeften van deze soort gevangen, dat zij een belangrijk artikel op

de Londensche markt vormen. Het kopborststuk is aan den voorrand

voorzien van 2 dikke stekels en ook overigens dicht met stekels

bezet; het achterlijf is glad. De levendige roodachtig violette

kleur van het pantser verandert bij verhitting, door ontleding van

de blauwe kleurstof, in rood. Sommige exemplaren worden meer dan

40 cM. lang en 6 à 8 KG. zwaar. In de Middellandsche zee is deze

soort veel talrijker vertegenwoordigd dan de Gewone Zeekreeft, die

daarentegen in de kustlanden van den Atlantischen Oceaan en van de

Noordzee het veelvuldigst op den disch van den Kreeftenliefhebber

prijkt. De Langoesten bewonen op zeer verschillende diepten bij

voorkeur rotsachtige, oneffene, met zeeplanten begroeide gronden.

Men treft de Langoesten, tegenwoordig, nevens Gewone Zeekreeften en

Zeekrabben, in alle groote aquariën aan. Zij brengen een knorrend

geluid voort, door schuring van een ronde plaat, die aan het onderste

beweegbare lid van de buitenste sprieten voorkomt, over de gladde

oppervlakte van den onbeweeglijken ring, waarmede dit lid verbonden is.

De Echte Kreeften (Astacidae) zijn kenbaar aan hun kopborststuk, dat

zijdelings een weinig samengedrukt en, evenals het achterlichaam, door

het (gewoonlijk zeer stevige) skelet beschut is. Het eerste paar pooten

draagt steeds groote scharen; ook het 2e en het 3e paar pooten zijn bij

eenige geslachten met scharen uitgerust, die echter veel kleiner zijn.

De Gewone Rivierkreeft (Astacus fluviatilis) wordt 20, soms zelfs

25 cM. lang. Niet als larve, maar als een ongeveer 9 mM. lange Echte

Kreeft verlaat hij het ei, dat aan een der haren van de zwemvoeten der

moeder is vastgehecht; hij groeit zoo snel, dat zijn lengte reeds aan

't einde van 't eerste jaar bijna 45 mM. bedraagt. De eieren, die

reeds in den herfst gelegd worden, ontwikkelen zich daarentegen zoo

langzaam, dat de jongen eerst in de volgende lente of in het begin

van den zomer uitkomen. Hoewel hun zelfstandig leven na de eerste

vervelling een aanvang neemt, keeren zij toch af en toe onder den

staart van hun moeder terug, als 't ware om beschutting te zoeken;

na de 2e vervelling (ongeveer op den 28en dag na het verlaten van

het ei) verspreiden zij zich en staan van nu af volkomen op zich zelf.

De Rivierkreeften zijn alleseters en bovendien veelvraten; zij

verslinden alle eetbare voorwerpen, die zij machtig kunnen worden:

doode dieren, kleine Kikkers, larven van Amphibiën, Waterslakken,

Insecten en hunne larven, zwakkere soortgenooten. Zelfs zegt men,

dat de Kreeft, in zijn hol op de loer liggend, soms een Waterrat

grijpt, deze zoo lang onder water houdt, tot zij verdronken is en

haar vervolgens met grooten smaak oppeuzelt. Het schijnt voor hen

een behoefte te zijn nu en dan plantaardig voedsel te gebruiken;

zij eten zeer gaarne kranswieren (Chara), waarschijnlijk wegens haar

kalkgehalte, knagen aan de wortels van allerlei waterplanten en eten

met smaak de penen, komkommers, enz., die men hun toewerpt.

In Nederland komt de Rivierkreeft zelden voor, volgens Van der Hoeven

nog het meest in de omstreken van Maastricht. Het best gedijt hij in

rustig stroomend, niet te diep water met schaduwrijke oevers van leem-

of kalkgrond, waarin de rivier of de beek tusschen de wortels der

boomen allerlei tot schuilplaats geschikte gaten heeft uitgespoeld,

of waarin hij deze gemakkelijk zelf kan graven. Voor den ingang van

zulk een hol zit hij voortdurend hongerig op buit te loeren. Wanneer

een gevaar hem bedreigt, zijn een paar slagen met den zwemstaart

voldoende om hem pijlsnel in achterwaartsche richting in zijn hol te

doen verdwijnen, waar hij zich met zijne krachtige scharen uitmuntend

weet te verdedigen en te handhaven. Des nachts, of als een onweer in

aantocht is, maakt hij verre tochten en begeeft zich zelfs, naar men

beweert, voor korten tijd op het land.

Men onderscheidt twee rassen, vormen of, zoo men wil, soorten van

den Rivierkreeft, de Edelkreeft (Astacus fluviatilis nobilis) en

de Rotskreeft (Astacus fluviatilis torrentium), die, naar beweerd

wordt, niet met elkander kruisen, zoodat er geen tusschenvormen van

bestaan. De Edelkreeft komt voor in Duitschland, Denemarken, het

zuiden van Zweden, het stroomgebied van de Finsche Golf en van de

Witte Zee, Frankrijk en Italië; hij geeft aan kalm vlietend water

de voorkeur. De Rotskreeft wordt meer in bergstreken gevonden,

komt op geschikte plaatsen veelvuldig naast den Edelkreeft voor,

maar is de eenige soort in Engeland, het Iberische Schiereiland, de

hooge bergstreken van Duitschland en Oostenrijk-Hongarije. Een derde

vorm--de Slankvingerige Rivierkreeft (Astacus leptodactylus)--bewoont

het stroomgebied van alle rivieren, die in de Zwarte Zee, de Zee van

Azow en de Kaspische Zee uitmonden. Sedert eenigen tijd is hij ook

in het stroomgebied van de Finsche Golf en in dat van de Witte Zee

verschenen, nu deze door kanalen met den Wolga, enz. verbonden zijn;

hij begint hier den Edelkreeft te verdringen.

In Noord-Amerika vindt men ten oosten van het Rotsgebergte, van Canada

tot Florida en Mexico het nauw aan Astacus verwante geslacht Cambarus,

waarvan merkwaardigerwijze een afgedwaalde soort in de holen van

Krain en van den Karst voorkomt. Ook in het groote Mammoeth-hol van

Kentucky leeft een Cambarus-soort, die, evenals de zooeven bedoelde,

blind is en in allerlei opzichten veel op haar gelijkt.

De eigenaardigheden, waardoor de Gewone Zeekreeft (Homarus vulgaris,

Astacus marinus) zich van den Rivierkreeft onderscheidt, zijn zoo

onbelangrijk, dat het bijna overbodig schijnt, hem tot een ander

geslacht te rekenen. Hij bewoont alle Europeesche zeeën, maar is in de

Middellandsche Zee niet bijzonder veelvuldig; aan de Britsche en vooral

aan de Noorsche kust vindt men hem in menigte. Bij onze kust komt hij

zelden voor. Evenals vele andere zeedieren, houdt hij bij voorkeur

verblijf op het uitgestrekte terras, dat de Atlantische kust omzoomt

en waarop met een steile helling de eigenlijke oceaanbodem volgt.

Nergens in Europa worden zoovele Zeekreeften gegeten als in

Engeland. Op de Londensche markt werden in 1870 150000 stuks aangevoerd

van Schotland en de naburige eilanden en bovendien ongeveer 600000

stuks uit Noorwegen; het vervoer geschiedt in kleine, snel zeilende

schepen met dubbelen bodem, die een met zeewater gevulde, als kaar

dienende ruimte bevatten. Het meest gezocht is dit artikel van Maart

tot Augustus. De opbrengst van de kreeftenvisscherij in het Vereenigd

Koninkrijk bedroeg in 1896 bijna 2 millioen stuks, ter waarde van bijna

1 millioen gulden. Noorwegen voerde in 1895 120000 Kreeften uit, ter

waarde van bijna een half millioen kronen. Het verbruik van Zeekreeften

in Noord-Europa kan geschat worden op 5 à 6 millioen per jaar; hieruit

kan men eenigermate afleiden, hoe buitengewoon vruchtbaar deze dieren

zijn. Het wijfje legt meer dan 12000 eieren, die, vastgekleefd aan

het na-achterlijf en zijne aanhangselen, door de moeder medegedragen

worden, totdat de jongen uitkomen. Het spreekt vanzelf, dat slechts een

klein aantal dezer dieren, ondanks de beschutting, die de moeder hen

verleent, ontkomen aan het gevaar van door de talrijke Roofvisschen

en andere vijanden, die op hen loeren, verslonden te worden. De

jonge dieren verschuilen zich onder het lichaam van de moeder, die,

volgens de verzekering van geloofwaardige visschers, althans aan een

deel van haar kroost gedurende geruimen tijd bijstand verleent.

De soortenrijkste familie van de Langstaartige Decapoden is die

der Garnalen (Carididae); de Europeesche zeeën alleen leveren een

contingent van ongeveer 100 soorten. De meeste leden van deze groep

zijn gemakkelijk te herkennen aan hunne buigzame lichaamsbekleedselen,

het zijdelings samengedrukte lichaam en de groote schub, die

naast de zweep op den top van het grondstuk der buitenste sprieten

ontspringt. Meestal hebben sommige lichaamsdeelen buitengewoon teere

kleuren, terwijl andere bijna even doorzichtig zijn als glas. Met

groote behendigheid maken deze dieren bliksemsnelle sprongen. Sommige

soorten worden in ontzaglijke groote hoeveelheid gevangen en gegeten.

De Garnalen i.e.z. (Crangon) onderscheiden zich door de plaatsing der

sprieten, welker aanhechtingsplaatsen naast elkander op een rechte

lijn staan, terwijl bij de meeste andere geslachten der familie de

binnenste sprieten hooger ontspringen dan de buitenste. De bovenkaken

zijn tasterloos; het derde paar kaakpooten is lang en tastervormig. De

voorpooten zijn dik; de onbeweeglijke vinger van hun schaar is door

een kort stekeltje vervangen. De volgende pooten eindigen in een

zeer kleine schaar en zijn zeer dun, evenals die van het derde paar,

waaraan evenmin een schaar voorkomt, als aan de beide laatste paren,

die iets dikker en langer zijn. De "voorhoofdstekel", het voorste

uiteinde (rostrum) van het rugschild van het kopborststuk, is kort,

niet voorbij de oogstelen verlengd.

De Gewone Garnaal (Crangon vulgaris), die in ontzaglijke menigte de

ondiepe kustgedeelten van de Noordzee bewoont, heeft een nagenoeg

glad lichaam; alleen op het kopborststuk komen 3 korte stekels voor:

één achter de oogen en één onder ieder oog. Voor haar vangst dient

een zakvormig net, opengehouden door een langwerpig ijzeren raam,

dat de rand gespannen doet blijven. Van achteren, waar het net spits

uitloopt, kan men het openen door een touw los te maken, dat er omheen

gebonden wordt, voordat men begint te visschen. Een Paard sleept in

water van 1 M. diepte het net over den zeebodem, die op deze wijze

door den achterrand van het ijzeren raam afgeschraapt wordt. Op een

doek, die men op het strand uitbreidt, wordt het net leeggeschud,

na het losknoopen van het touw. "De vruchtbaarheid der Garnalen",

schrijft Snellen van Vollenhoven, "is onbegrijpelijk groot; men

vindt de wijfjes des zomers nagenoeg altoos tusschen de buikpooten

met kuit bezet; hoe bruiner deze is, des te nader zijn de jongen aan

het uitkomen. De garnaalvangers verzekeren, dat bij elk springtij een

groot gedeelte der Garnalen kuit schiet. Hoe verder in zee de Garnaal

gevangen wordt, des te witter is de schaal, die bruinachtig is aan

het strand en in den mond der rivieren. Die van de Noordzee worden

door het koken fraai zalmrood, die van de Zuiderzee in geringere mate."

Deze soort is minder fraai dan sommige harer verwanten; zij dankt

haar kleur (bleek-bruinachtig met groenachtige tint) aan zwarte,

grijsbruine en oranjekleurige vlekken; waarvan vele bij sterke

vergrooting stervormig blijken te zijn. Wanneer men een Garnaal laat

vallen op een plaats, waar het water 2 à 5 cM. diep is, zal zij geen

pogingen doen om op te springen, zooals op het droge, maar zich rustig

op den bodem laten zakken. Men ziet in 't volgende oogenblik een

kleine stofwolk in 't water opstijgen aan weerszijden van het dier,

en dit zoo diep inzinken, dat zijn rug bijna op gelijke hoogte ligt

met het omringende zand. Nu wordt de beteekenis van de eigenaardige

kleursverdeeling ons duidelijk: de dichtbijeenstaande vlekken gelijken

door hare verschillende tinten van bruin, grijs en rood zoo volkomen op

de kleuren van het zand, dat men de Garnaal, die zooeven op den bodem

gezien werd, in 't volgende oogenblik niet meer van haar omgeving

onderscheiden kan. Slechts de beide oogen steken als schildwachten

boven het zand uit. Zoo heeft het dier niets te vreezen van de meeste

zijner vijanden, tenzij deze in het zand wroeten, zooals de ijzeren

lip van het garnalennet.

De Garnalenvangst is op onze kust niet onbelangrijk: in 1896 bedroeg

de uitvoer van Garnalen uit Nederland 2373000 KG, waarvan 2162000

KG. naar Engeland werden verscheept. In de Zuiderzee is dit bedrijf

van minder beteekenis dan aan de Noordzeekust, maar levert toch in

sommige jaren een bruto verdienste van 40000 gulden op.

Een meer ridderlijk voorkomen dan de Gewone Garnaal hebben de

Steurkrabben (Palaemon). Haar kopborststuk heeft een overlangsche kiel,

die naar voren uitloopt in een langen, sabelvormigen voorhoofdstekel

(rostrum) met zaagtanden langs den boven- en den onderrand. De

krijgshaftige uitrusting dezer dieren gaat echter niet met strijdlust

gepaard. Hoewel men hen jaren achtereen in aquariën gehouden heeft,

zag men hen nooit hun schijnbaar zoo gevaarlijke speer als middel

tot aanval of verdediging gebruiken. Door kleur en levenswijze komen

de meeste Steurkrabben ongeveer met de Garnalen overeen. Zij leven

gezellig op den zandigen zeebodem in de nabijheid der kusten en worden

overal, waar zij in menigte voorkomen, veelvuldig gevangen en gegeten;

door het koken verkrijgen zij een meer geelachtig roode kleur dan

de Garnalen.

De 50 mM. lange Gewone Steurkrab (Palaemon squilla) is bij onze kust

het meest vertegenwoordigd, vooral in de Zeeuwsche stroomen. De

grootere, bij ons veel zeldzamere Zaagtandige Steurkrab (Palaemon

serratus), wordt vooral in de Middellandsche Zee en bij de noordkust

van Frankrijk veelvuldig gevangen; zij verschilt van de vorige soort

door de grootere lengte van den voorhoofdsstekel, zijn sterkere

bovenwaartsche kromming en het grootere aantal tanden (5 à 6) aan

zijn onderrand.

Een groote, in de Middellandsche Zee veelvuldig, in de Noordzee

zelden voorkomende soort, die veel op een Steurkrab gelijkt, de 15 à

25 cM. lange Caramote (Penaeus caramote), wordt in menigte gevangen

en vormt gezouten een belangrijk handelsartikel. Merkwaardig is

zij bovendien door haar ontwikkelingsgang, die in 1863 voor 't

eerst door Frits Müller werd waargenomen. Zij doorloopt n.l. een

ontwikkelingsstadium, dat men overigens uitsluitend bij de Lagere

Crustaceën (Entomostraca) aantreft. Deze larve, Nauplius genaamd, heeft

een ongeleden stam met slechts 3 paar ledematen, die de voorste en

de achterste sprieten en de bovenkaken vertegenwoordigen. De overige

ledematen ontstaan achtereenvolgens bij de talrijke vervellingen:

ieder verder naar voren gelegen paar eerder dan de daarachter

aangehechte. Daar bij dieren, die tot één natuurlijke groep behooren,

de opeenvolgende toestanden, waarin de hoogere vormen gedurende hun

wordingsgeschiedenis verkeeren, overeenstemmen met die, welke bij

de lager ontwikkelde leden derzelfde groep voorbijgaand of blijvend

worden aangetroffen, was het van belang aan te toonen, dat ook

de Hoogere Schaaldieren (Malacostraca), zoowel die met oogstelen

(Podophthalmata) als die met "zittende" oogen (Hedriophthalmata),

in den Nauplius-toestand hebben verkeerd. Bij Penaeus nu is dit

zeer duidelijk, daar deze als Nauplius het ei verlaat. Na eenige

vervellingen verkrijgt deze larve den Zoëa-vorm, die zich kenmerkt door

het bezit van 7 paar ledematen (2 paar sprieten, 3 paar monddeelen,

2 paar kaakpooten), van "zittende" oogen en van 4 (soms zeer groote)

stekels op het kopborststuk (aan het voorhoofd, op den rug en aan

de zijden). Later wordt zij aan een volwassen Mysis in hoofdzaken

gelijk; eindelijk bereikt zij in den Penaeus-vorm het toppunt van

haar ontwikkeling. Bij de andere Crustaceën met oogstelen wordt het

Nauplius-stadium niet waargenomen, althans niet na het ophouden van den

kiemtoestand. Gedurende een zeker tijdperk van het embryonale leven

(binnen de eischaal dus) komen echter verschijnselen voor, die meer

of minder duidelijk bewijzen, dat de bedoelde ontwikkelingsperiode

niet ontbreekt, maar eenvoudig vervroegd is, of afloopt, voordat

het dier een zelfstandig leven begint te leiden. De meeste in zee

levende Schaaldieren met oogstelen verlaten als Zoëa-larven het ei

en worden volwassen na het doorloopen van den Mysis-toestand, waarin

de Schizopoden reeds bij de geboorte verkeeren en waarboven zij

zich niet verheffen. Bij vele soorten echter, o.a. bij de Zeekreeft

(Homarus), is dit ontwikkelingsproces afgekort en merkt men reeds

bij de geboorte een aan Mysis herinnerenden vorm op. Een nog verdere

afkorting ondergaat het bij andere Astaciden en bij vele Landkrabben

(Gelasimus); de jongen dezer dieren gelijken direct na de geboorte

op hunne ouders; zij doorloopen dus ook de Zoëa- en de Mysis-periode

vóór het verlaten van de eischaal. Iets dergelijks komt ook bij de

Hoogere Schaaldieren met "zittende" oogen voor.

Door de op groote schaal verrichte onderzoekingen van diepe zeeën,

die in den laatsten tijd hebben plaats gehad, zijn een groot

aantal, ten deele zeer merkwaardige, nieuwe soorten van Garnalen

bekend geworden. De meeste hebben goed gevormde, sommige zelfs

buitengewoon groote oogen, ofschoon tot de diepten waar zij leven,

slechts enkele zeer verzwakte lichtstralen doordringen. Tevens zijn

hunne tastwerktuigen verbazend sterk ontwikkeld. In de Middellandsche

Zee ontdekte Chun tusschen 800 en 1200 M. diepte een soort (Sergestes

magnificus), die bij een lichaamslengte van 38 cM., 115 mM. lange

sprieten had; deze waren aan de zijden met draadjes bezet, die op

hun beurt tastborstels droegen.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen · 第 16 / 27 题