DE SCHAALDIEREN.

Met niet minder recht dan de voorafgaande klassen nemen de Schaaldieren

(Crustacea) plaats in de hoofdafdeeling der Arthropoden. De uitwendig

waarneembare segmentatie strekt zich ook over de inwendige organen uit;

zoowel de ledematen als de stam zijn uit opeenvolgende, gelijkwaardige

deelen samengesteld. Overeenstemming in alle hoofdzaken tusschen deze

en de overige klassen komt voor in den oorsprong en de rangschikking

der organen; de meest in 't oog loopende afwijkingen hangen samen

met het feit, dat de Schaaldieren bewerktuigd zijn voor het leven in

't water en kieuwen bezitten. Een niet gering aantal leden van deze

klasse, vooral Pissebedden en Krabben, zijn echter door secundaire

wijzigingen in den loop der tijden geschikt geworden voor het ademen

van lucht.

Een tweede eigenaardigheid van alle volkomen ontwikkelde Schaaldieren,

die niet door parasitisme tot een lageren trap van organisatie zijn

afgedaald, is het bezit van meer dan vier paar pooten. Dit maakt het

in vele gevallen gemakkelijk om reeds na een oppervlakkig onderzoek

een Schaaldier als zoodanig te herkennen. Een Insect heeft 3, een

Spinachtige 4 paar pooten. Hoewel men over 't algemeen niet licht

een Schaaldier voor een Duizendpoot zal aanzien, daar deze geen

kieuwen en in den regel een wormvormige gedaante heeft, bestaat

er toch een merkwaardige uitwendige overeenkomst tusschen sommige

Pissebedden (Armadillo etc.) en eenige Duizendpooten (Glomeris).--De

chitine-laag, die de huid bedekt, verkrijgt bij vele Schaaldieren door

tusschenvoeging van koolzure kalk een grootere dikte en stevigheid. Dit

is ongeveer al wat van de Schaaldieren in 't algemeen gezegd kan

worden. Want, hoe soortenrijk de klasse der Insecten ook moge zijn,

die der Schaaldieren biedt nog veel meer verscheidenheid van bouw en

levenswijze aan. In de open zee is zij even sterk vertegenwoordigd als

aan de kusten; bovendien vindt men hare leden in alle dieptegordels,

die voor dierlijk leven geschikt zijn. De leden van een aantal orden

bewonen het zoetwater en vertoonen afwijkingen, waardoor zij geschikt

geworden zijn voor deze verblijfplaats. Sommige verlaten hun eigenlijke

element en leven onder steenen en struiken; andere ondernemen verre

reizen over zandvlakten; enkele Krabben, ja zelfs langstaartige

Kreeften, beklimmen boomen en struiken. De meeste leven vrij van roof

en zijn voor de jacht geschikt door hunne uitmuntende zintuigen,

krachtige kaken en scharen en stevige ledematen. Een aantal andere

echter, welker aanvankelijk veel belovende ontwikkeling in een bepaald

levenstijdperk tot stilstand is gekomen, beginnen een parasitisch

leven te leiden op Visschen of Schaaldieren, waarschijnlijk ook op

Wormen, en ontaarden hierbij tot zakvormige lichamen, die men bij

oppervlakkig onderzoek niet als levende wezens herkent.

Het huidpantser, dat het geheele lichaam met al zijne aanhangselen

bedekt, is niet overal even dik; tusschen de ringen en in de geledingen

is de verharding minder ver voortgeschreden en de beweegbaarheid

behouden gebleven. Zeer vele Rankpootigen hebben een veel kalkzouten

bevattende schaal, die zooveel overeenkomst met een schelp van een

Weekdier vertoont, dat de dierkundigen van vroegere eeuwen hen voor

afwijkende, vreemdsoortige Mollusken hielden.

De Schaaldieren prijken niet zelden met prachtige, bonte kleuren,

die in sommige gevallen over de geheele schaal verdeeld zijn, in

andere haar zetel hebben in de huidlaag onder de schaal; de hier

voorkomende kleurstofcellen vertoonen bij verscheidene soorten

vormsveranderingen. Rood of roodachtig geel is bij de Schaaldieren

een zeer gewone kleur, als 't ware hun oerkleur, tot welke de

meeste leden dezer klasse na den dood terugkeeren. Schaaldieren,

die holen en dergelijke onderaardsche verblijven bewonen of onder

zand en slib kruipen en op deze wijze aan den invloed van 't licht

onttrokken zijn, hebben een bleekzuchtige, lichte kleur. Die welke

pelagisch (d.w.z. aan de oppervlakte van de zee) leven, zijn

dikwijls doorzichtig als glas. Bij exemplaren van een en dezelfde,

in ondiep water levende soort merkt men soms kleurverschillen op in

verband met het koloriet der omgeving.

Daar alle gedeelten van het pantser stijf zijn, en niet in dezelfde

mate groeien als de overige lichaamsdeelen, moeten zij van tijd

tot tijd afgeworpen worden; levenslang heeft deze periodieke

vervelling plaats; de groei houdt hiermede gelijken tred en is

dus onbeperkt. Geheel anders is het bij de Insecten. Wanneer men

een honderdtal Meikevers met elkander vergelijkt, merkt men geringe

verschillen van grootte op, die sedert den aanvang van den poptoestand

hebben bestaan en gedurende den korten vliegtijd geen wijziging

ondergaan. Een kleine Kreeft daarentegen kan steeds de hoop koesteren,

dat hij grooter zal worden. Wel is het opmerkelijk, dat het dier

ieder jaar zijn pantser kan afwerpen, daar alle, zelfs de fijnste

organen--sprieten, oogen, kieuwen, enz.--aan dit proces deelnemen

en hun omkleedsel verliezen; zelfs het spijskanaal vervelt. Dat deze

verandering aanstaande is, blijkt, als men den vinger op het huidskelet

drukt en ontdekt, dat het een weinig meegeeft. Korten tijd daarna

wordt de Kreeft onrustig. Hij wrijft de pooten tegen elkander en gaat

op den rug liggen; door krachtige samentrekking van de buigspieren

van den stam gelukt het hem eindelijk de huid, die het pantser van

het kopborststuk met dat van den staart verbindt, op de rugzijde te

doen barsten. Tevens verheft zich het groote rugschild. Op deze hevige

inspanning volgt een korte rust. Weldra begint de Kreeft opnieuw de

pooten en alle andere lichaamsdeelen te bewegen; men ziet het pantser

van het kopborststuk hoe langer hoe meer oprijzen en zich al verder

en verder van de pooten verwijderen. In minder dan een half uur heeft

de Kreeft zijn huid los gewrikt: eerst heeft hij, door den kop naar

achteren te schuiven, de oogen en de sprieten uit hunne omhulsels

bevrijd, daarna de pooten teruggetrokken uit de nauwe kokers, die hen

omgeven. Deze laatste arbeid, waarbij soms een der pooten verloren

gaat, veroorzaakt de meeste moeite, en zou zelfs onmogelijk zijn,

indien niet in het hulsel van ieder pootlid een overlangsche spleet

ontstond. Na deze moeilijke en ongetwijfeld pijnlijke bewerking is het

afwerpen van het kleed spoedig afgeloopen. De kop wordt buiten het

rugschild gebracht en de staart vervolgens zonder groote inspanning

uit zijn foedraal gelicht. Het huidskelet is volkomen gaaf gebleven

met uitzondering van de opengebarsten pooten en de spleet tusschen

kopborststuk en staart. Reeds na eenige dagen heeft zich op de

aanvankelijk weeke huid, door overvloedige uitscheiding van chitine

en koolzure kalk, een korst gevormd, niet minder hard dan die, welke

haar vroeger bedekte.

Het aantal vervellingen, dat ieder Schaaldier in zijn leven ondergaat,

is bij verschillende soorten ongelijk. Onze Rivierkreeft wisselt in het

eerste levensjaar 8- à 10-maal van huidskelet, in het tweede 6-maal,

in het derde 4-maal; in het vijfde wordt hij voor de voortplanting

geschikt en vervelt 2-maal; in elk van de 10 volgende levensjaren

geschiedt dit éénmaal, na het 15e jaar niet meer. Bij de vervelling

wordt de omvang van het dier aanmerkelijk grooter; de lengte van een

Zeekreeft was bij deze gebeurtenis, volgens Hyatt, met meer dan een

vijfde toegenomen.

Het lichaam van de Schaaldieren bestaat, evenals dat van alle

Arthropoden, uit een reeks van opeenvolgende segmenten. Ook bij

hen bestaat een innig verband tusschen de uitwendige en inwendige

geleding. De ringen van het chitine-pantser van den stam kunnen echter

in zeer verschillende mate vereenigd zijn. Het eene uiterste is de

versmelting van nagenoeg alle ringen tot een geheel, waarvan zoowel

de hoogst ontwikkelde vormen (Krabben) als veel lager georganiseerde

(Ostracoden) voorbeelden leveren; het andere uiterste, het gescheiden

blijven van nagenoeg alle ringen, komt o.a. voor bij Branchipus. In

de meeste gevallen is de kop met het eerste borstsegment en zelfs

met een meer of minder groot aantal volgende segmenten [ook van

het vóór-achterlijf (prae-abdomen)] vergroeid tot het kopborststuk

(cephalothorax). De overige ringen van het achterlijf, gezamenlijk

niet zelden staart genoemd, blijven meestal beweegbaar; zij vormen het

na-achterlijf (post-abdomen), ook wel nalijf geheeten in tegenstelling

met het overige deel van den stam (het voorlijf).

De meeste Schaaldieren hebben 2 paar sprieten (antennen) die echter

niet altijd dragers zijn van zintuigelijke organen, maar soms (vooral

bij de parasitisch levende en vastzittende vormen) voor geheel andere

verrichtingen dienen, n.l. als organen om van plaats te veranderen,

om voedsel te grijpen of om zich vast te hechten aan andere dieren of

aan levenlooze voorwerpen. De volgende aanhangselen zijn de monddeelen,

bestaande uit 3 paar kaken (een paar boven- en 2 paar onderkaken),

die, evenals bij de kauwende Insecten, van buiten naar binnen bewogen

worden. Bij vele Schaaldieren evenwel vormen zij een zuigsnuit,

waarmede deze dieren vloeibaar voedsel opnemen.

De Tienpootige Schaaldieren, o.a. de Krabben, Kreeften en Garnalen,

hebben, behalve de groote bovenlip, die in dwarse richting boven

de mondspleet gelegen is, niet minder dan 6 paar organen, die de

rol van monddeelen spelen. De drie eerste (a, b, c) komen overeen

met de monddeelen der overige Gelede Dieren: de dikke bovenkaken

(a) verschillen er van door het bezit van een beweeglijken taster;

fig. b stelt een der onderkaken van het eerste paar voor; die van

het tweede paar (c), hoewel volkomen gescheiden, moeten vergeleken

worden met de onderlip der Insecten. Fign. d, e en f geven den vorm

aan van de zoogenaamde hulpkaken of kaakpooten. Zij komen overeen

met de pooten der Insecten door haar wijze van ontstaan en plaats

van aanhechting, doch worden voor een geheel ander doel gebruikt,

daar zij, evenals de beide paren onderkaken, voor het vasthouden,

betasten en terechtleggen van het voedsel dienen, terwijl de bovenkaken

voor de grovere verdeeling der spijs zorgen.

De overige ledematen van het "voorlijf" hebben een zeer

verschillend maaksel in verband met het doel hunner beweging. Het

zijn looppooten bij de Tienpootigen en Pissebedden, bladvormige

roeipooten bij de Kieuwpootigen, tweetakkige zwempooten bij de

Cyclopiden, "maalstroomorganen" bij de vastzittende Zeepokken en

Eendenmossels. Bij sommige door parasitisme ontaarde soorten zijn

zij soms geheel verdwenen.

Ook de na-achterlijfspooten hebben bij verschillende groepen van

Schaaldieren verschillende verrichtingen. Zij kunnen behulpzaam zijn

bij de voortbeweging, als ademhalingsorganen optreden, voor het dragen

van de eieren dienen, enz.

De spijsverteringsorganen van de Crustaceën vertoonen meer

overeenstemming van maaksel dan de aanhangsels der segmenten. Bijna

alle Schaaldieren gebruiken uitsluitend dierlijk voedsel, dat zij

verkrijgen door levende dieren te vangen, of als parasieten hun

bloed te zuigen, of door op lijken te azen. In overeenstemming met

deze voedingswijze is het spijskanaal meestal recht en kort. De

mond bevindt zich aan de buikzijde op eenigen afstand van den

voorsten koprand en staat bij de hoogst ontwikkelde vormen door den

slokdarm in gemeenschap met een ruime, aan de rugzijde holle maag,

welker binnenste oppervlakte bezet is met een aantal uitsteeksels,

lijsten en tanden; deze voltooien de vermaling van het voedsel,

welke door de bovenkaken is aangevangen. Algemeen bekend zijn de

zoogenaamde kreeftsoogen van onze Rivierkreeften, twee lensvormige

kalkconcrementen in klierachtige zakjes aan weerszijden van den

maagwand, die na de jaarlijksche vervelling bij het herstellen van het

huidpantser gebruikt worden. Bij de maag begint een bijna recht door

het achterlijf loopende, dunne darm, die bij de Rivierkreeften met

het eindstuk van den staart gemakkelijk uitgetrokken kan worden, welke

bewerking vóór het koken van deze dieren steeds moet plaats hebben.

De bloedsomloopsorganen zijn op zeer verschillende wijzen

ontwikkeld. Een hart of kloppend ruggevat ontbreekt bij sommige

lagere vormen; bij de overige kan het zeer ongelijk zijn van omvang

en gedaante, door meer of minder talrijke, zijdelingsche openingen

het bloed ontvangen en het door een meer of minder samengesteld

slagaderstelsel aan de lichaamsdeelen toevoeren. In den regel is het

bloed kleurloos.

Sommige Schaaldieren bezitten geen afzonderlijke ademhalingsorganen;

bij hen komt de uitwisseling van koolzuur tegen zuurstof door de

gewone huid tot stand; alle overige hebben kieuwen.

De centrale deelen van het zenuwstelsel bestaan bij eenige lagere

vormen eenvoudig uit een boven den slokdarm gelegen zenuwknoop,

vanwaar alle zenuwen uitstralen. Bij de hooger ontwikkelde leden der

klasse treft men, behalve de hersenzenuwknoop boven den slokdarm, een

meer of minder duidelijk gelede buikzenuwstreng onder het spijskanaal

en een bijzonder goed ontwikkeld sympathisch zenuwstelsel aan.

Zintuigen zijn bij de meesten aanwezig en soms zeer hoog ontwikkeld. De

oogen vertoonen tweeërlei vorm, die echter nooit beide gelijktijdig

op hetzelfde dier voorkomen. Bij de lagere Crustaceën komen geen

andere dan enkelvoudige oogen voor (soms slechts één); de hoogere

hebben samengestelde oogen, die bij sommige uit een zeer groot aantal

facetten bestaan. De beweegbare oogstelen (opthalmophoren), die bij

de hoogst ontwikkelde Schaaldieren de oogen dragen, zijn bij eenige

Krabben (Podophthalmus) zeer lang. Sommige op zeer groote diepte

levende verwanten van onze Kreeften missen de oogen geheel.

Dat het reukvermogen der Schaaldieren vooral dat van de hoogere vormen,

uitmuntend ontwikkeld is, blijkt uit het feit, dat deze dieren door

de aanwezigheid van voedingsmiddelen in het water in zeer korten tijd

aangelokt worden; men gebruikt doode dieren, stukken van Visschen b.v.,

als lokaas in de vallen, waarmede men Rivierkreeften, Zeekreeften

en Krabben vangt. Als reukorganen dienen waarschijnlijk zenuwrijke

lichaampjes, die aan de voorste sprieten voorkomen en door fijne

haren of draden prikkels opnemen. Van de smaakorganen is eigenlijk

niets bekend.

Gehoororganen zijn bij vele Crustaceën aangetoond; zij komen op

verschillende lichaamsdeelen voor; o.a. bij eenige Spleetvoetigen, die

tot het geslacht Mysis behooren, in de zijplaten van den staartvin,

bij den Gewonen Rivierkreeft in de grondleden van de kleinste of

bovenste sprieten.

Als tastorganen mag men over 't algemeen de fijne, haarvormige

uitsteeksels beschouwen, die bij vele Schaaldieren ook wel aan de

meeste gewrichtsverbindingen en vrije randen van lichaamsdeelen,

maar toch het meest aan de sprieten gevonden worden. Bij de blinde,

in diepe zeeën levende Kreeften wordt het gemis van de gezichtsorganen

ruimschoots en op zeer doeltreffende wijze vergoed door kolossaal

groote speur- en tastorganen.

Verreweg de meeste Schaaldieren zijn éénslachtig; hermaphroditisme

komt uitsluitend bij vastzittende (deels parasitisch levende)

soorten voor (zie de Cirripediën); sommige Ostracoden en Phyllopoden

vermenigvuldigen zich ook wel parthenogenetisch. De meeste vrouwelijke

Schaaldieren zijn uitgerust met eigenaardige organen, die bij de

verzorging van de nakomelingen diensten bewijzen. Zeer algemeen treft

men klieren aan, die de stof vormen, waaruit de eischaal bestaat, of

een soort van lijm bereiden, waarmede de eieren aan het lichaam van de

moeder bevestigd worden. Bij vele soorten zijn bepaalde broedruimten

aanwezig, die nu eens door vervorming van ledematen of kieuwbladen,

dan weer door wijzigingen van het rugschild ontstaan. Van het aantal

eieren dat sommige dezer dieren voortbrengen, kan men zich een

denkbeeld vormen door de mededeeling, dat een vrouwelijke Zeekreeft

(Palinurus vulgaris) van 44 cM. lengte en 197 gram gewicht er niet

minder dan 148416 bij zich droeg.

De meeste Schaaldieren hebben bij het verlaten van de eischaal nog niet

den vorm van hunne ouders, maar moeten een meer of minder samengestelde

metamorphose ondergaan. Bij de vastzittende en parasiteerende vormen

komt teruggaande gedaantewisseling voor.

Sommige Schaaldieren kunnen een hoogen leeftijd bereiken; van den

Rivierkreeft o.a. weet men, dat hij in gunstige omstandigheden 20

jaar oud kan worden; zulke veteranen zijn vermoedelijk schaarsch.

De grootte der Schaaldieren is zeer verschillend; de reuzen dezer

orde overtreffen verre de grootste Insecten: de Japansche Reuzenkrab

b.v. heeft schaarpooten, die meer dan 3 M. spannen en de dikte

van een mansdij hebben; de romp van dit dier is 50 cM. lang. Men

heeft zeer oude Zeekreeften (Homarus) gevangen, die een lengte van 70

cM. hadden. Zulke groote exemplaren komen echter onder de hedendaagsche

Crustaceën slechts bij uitzondering voor. De meeste lagere Schaaldieren

zijn klein en zelfs zeer klein, hoewel zij in volkomen ontwikkelden

toestand altijd wel zonder microscoop waargenomen kunnen worden.

Een eigenaardigheid dezer dieren is het weer aangroeien van

verloren lichaamsdeelen; soms werpen zij als 't ware "vrijwillig"

een lichaamsdeel af, dat door een vijand gegrepen is, met het doel

om niet geheel in zijn macht te geraken. Op de plaats, waar door

hen zelf of door anderen een amputatie is verricht, ontwikkelt zich

een soort van kegelvormigen knop, die langzamerhand den vorm van het

afgeworpen lichaamsdeel aanneemt.

Verreweg de meeste Crustaceën zijn waterdieren en wel zeebewoners;

de groote orde der Rankpootigen is zelfs geheel tot de zee beperkt,

terwijl een andere, die der Kieuwpootigen, bijna uitsluitend in 't

zoetwater vertegenwoordigd is. Tienpootigen, Pissebedden, Cyclopiden en

Ostracoden vindt men in zoet en in zout water; landbewoners zijn alleen

enkele Pissebedden en Tienpootigen alsmede een paar Vlookreeften. In de

meren van Noord-Europa, vooral van Zweden en Finland, leven een aantal

vormen, die overigens niet anders dan in de zee aangetroffen worden. In

de watervergaarplaatsen tusschen de bladen van ananasachtige planten

(Bromeliaceën), die op de hooge oerwoudboomen van tropisch Brazilië

epiphytisch leven, komen eigenaardige kleine Cyclopiden en Ostracoden

voor, die, naar het schijnt, nergens anders gevonden worden. In de

zwavelbronnen van Paravisa in Italië vond Pavesi kleine Ostracoden. De

merkwaardige Artemia salina, een soort van Kieuwpootige, zwemt in de

zouttuinen van Capo d'Istria (waar door de zon het zeewater wordt

uitgedampt) vlug en vroolijk rond in een pekel, die minstens 26 of

27 percent zout bevat.

Vele Schaaldieren, vooral Krabben en Eremietkreeften, staan in een

vriendschappelijke betrekking, waarvan vuig eigenbelang evenwel

de drijfveer is, tot andere dieren, hoofdzakelijk Zeeanemonen. Op

deze hoogst interessante verschijnselen, die men onder den naam van

symbiose (samenleving) samenvat, komen wij bij de behandeling der

Decapoden terug.

Vele Schaaldieren zijn den mensch nuttig, doordat zij hem direct

of indirect voedsel verschaffen: Zeekreeften, Rivierkreeften,

Langoesten, Krabben, Garnalen zijn, gelijk bekend is, niet te versmaden

toevoegselen aan onzen disch. In vele landen langs de zeekust spelen

de Schaaldieren geen onbelangrijke rol in de volksvoeding, echter niet

in die mate als een Kieuwpootige (Artemia Oudenyi) uit de zoute meren

van Fezzan, die door de omwonende bevolking Doet wordt genoemd en met

dadels tot een deeg gekneed, een veelvuldig gebruikte spijs oplevert.

De Schaaldieren zijn indirect nuttig voor ons door het verslinden

van allerlei organische stoffen, die de zee verontreinigen zouden,

voorts doordat zij voedsel leveren aan Visschen, die ons tot spijs

dienen. De tallooze scharen van kleine Roeivoetigen (Copepoden), die

de Haringen naar onze kusten en de Lodden (Mallotus villosus) naar de

oostelijke kusten van Noord-Amerika lokken, zijn hierdoor oneindig

veel nuttiger dan alle hierboven genoemde, als lekkernijen dienende

Schaaldieren; zij verschaffen indirect aan duizenden van menschen een

kostwinning. Ook Luchtbuisvisschen, zooals de Scandinavische Zalm en

de Houtingen van de meren der Voor-Alpen voeden zich bijna uitsluitend

met kleine Schaaldieren, gene met Zoetwater-pissebedden, deze met

Cyclopiden en Watervlooien. De Gewone Krabben en de weeklijvige, vette

Eremietkreeften dienen dikwijls als lokaas bij de vischvangst. De

Garnalen worden soms in zulk een ontzaglijk groote hoeveelheid

gevangen, dat men ze tot een mestspecie, de Garnaal-guano, en in den

laatsten tijd ook tot een uitmuntend voedingsmiddel voor pluimvee en

kamervogels verwerkt.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen · 第 15 / 27 题