De Zwaardstaarten of Molukken-kreeften (Merostomata, Xiphosuridae,
Xiphuridae) zijn zeer zonderlinge wezens, overblijfselen van een
uitgestorven dierenwereld, aan geen der thans bestaande groepen nauw
genoeg verwant, om er in opgenomen te worden. In belangrijke opzichten
wijken zij af van de Schaaldieren, waaraan de meeste dierkundigen hen
toevoegen, zij het dan ook met eenig voorbehoud. Meer naderen zij tot
de Spinachtigen en meer bepaaldelijk tot de Schorpioenen. Met deze
laatste orde vereenigd, behooren zij waarschijnlijk een afzonderlijke
klasse te vormen. Tot haar rekent men ook de alleroudste, ons bekende
Arthropoden, de Trilobiten, zoo genoemd naar de 3 afdeelingen van de
rugzijde, niet slechts in lengterichting (kop-, romp- en staartschild),
maar ook overdwars (as- en zijstukken). Deze kort na het einde van de
steenkolen-formatie uitgestorven orde heeft (vooral in de Cambrische
en Silurische aardlagen) overblijfselen van meer dan 1700 soorten
achtergelaten.
De meeste groote zeedieren-aquariën verschaffen de gelegenheid om nader
kennis te maken met een Molukken-kreeft. Van boven gezien gelijkt hij
op een braadpan. Het lichaam is met twee schilden bedekt. Het voorste
en grootste is halvemaanvormig en loopt naar achteren in twee stekels
uit; zijn middelste deel is van de beide zijstukken gescheiden door
twee stekelige overlangsche lijsten, waarnaast de beide niervormige
samengestelde oogen gelegen zijn. Twee enkelvoudige oogen zijn nader
bij den voorrand geplaatst. Met deze pantserplaat, die het kopborststuk
bedekt, is door een gewricht het achterste, bijna zeszijdige schild
verbonden, dat aan de zijden getand is en scherpe stekels draagt. Aan
zijn achterrand is, eveneens door een gewricht, de lange, scherpe
staartstekel gehecht, die, behalve als wapen ook als hefboom dient,
om, wanneer hij bij toeval op den rug komt te liggen, zich zoo om te
wentelen, dat het lichaam den gewonen stand herkrijgt. Door langzaam
omhoog te zwemmen langs de wanden der groote glazen bakken, die
hun in onze aquariën tot woonplaats dienen, stellen deze dieren den
toeschouwer dikwijls in staat om hun buikzijde te bekijken, op de zeer
vreemdsoortige wijze van rangschikking der hier aangehechte ledematen
te letten en op hun verrichting acht te geven. De mondopening, die
bij de Schaaldieren nooit aan het voorste lichaamsuiteinde voorkomt,
is er bij de Molukken-kreeften verder dan gewoonlijk van verwijderd;
6 paar in scharen eindigende ledematen omgeven haar. Het voorste
en kleinste paar is onmiddellijk vóór de mondopening aangehecht
en kan dus met de sprieten vergeleken worden. De volgende 3 paren,
die volkomen gelijken op de scharendragende pooten der Tienpootige
Schaaldieren, onderscheiden zich van deze door de afgeronde, met
vele kleine doornen bezette heupen, waarmede dit zonderlinge wezen
kauwt. Een niet op deze wijze gevormde heup vindt men aan de beide
volgende paren ledematen, welker overige leden in hoofdzaken op die
der vorige schaarpooten gelijken.
Eveneens nog aan de onderzijde van het groote, halvemaanvormige
schild is het groote deksel bevestigd, dat over de 5 paar platte, als
roeiorganen en kieuwen dienende ledematen van het achterlijf ligt. De
staartstekel, aan welks basis zich de aarsopening bevindt, is nog niet
aanwezig bij de pasgeboren jongen, die ook de achterste zwempooten
missen, maar overigens geheel het voorkomen van hunne ouders hebben.
Eén soort (Limulus polyphemus) leeft aan de vlakke oevers van Florida,
Carolina en de Antillen, noordwaarts tot aan Nieuw-Schotland; 4
andere soorten worden gevonden langs de vlakke kusten van de Molukken,
China, Japan en Californië. Langzaam bewegen de Zwaardstaarten zich
over den ondiepen, zandigen of modderigen zeebodem en zoeken er hun
voedsel, dat hoofdzakelijk uit Ringwormen bestaat. De grootste lengte
(60 cM.) bereikt de Japansche Limulus polyspinus. De Zwaardstaarten
van den Atlantischen Oceaan leggen de eieren in het slijk, die van
den Indischen Oceaan en van de Stille Zuidzee dragen ze met zich mede.
De Gewone Molukkenkreeft, de Mimi der Javanen (Limulus moluccanus),
wordt in de maanden Juli en Augustus dagelijks op de reede van Batavia
in menigte gevangen en levend ter markt gebracht. Ofschoon men ook
hun vleesch eet, zijn deze dieren vooral gezocht om de eieren, die,
met rijst en azijn toebereid, een smakelijk gerecht opleveren. Het
mannetje wordt 32, het wijfje 40 cM. lang; hiervan komt de helft
op den staartstekel. De Indianen, die vroeger de Atlantische kusten
van Noord-Amerika bewoonden, gebruikten de scherpe staartstekels der
Limuliden als pijlspitsen.