TIENDE ORDE.

DE ZEESPINNEN (Pantopoda).

Waarschijnlijk moeten de Zeespinnen (Pantopoda, Pycnogonidia) als

een afzonderlijke klasse tusschen de Spinachtigen en de Schaaldieren

geplaatst worden. Achtereenvolgens heeft men ze als leden van deze

en van gene klasse beschouwd, zonder dat door een van deze wijzen van

rangschikking de verwantschapsbetrekkingen dezer dieren op bevredigende

wijze werd uitgedrukt. Men vindt ze aan de zeekust onder steenen,

tusschen zeeplanten (waarmede zij zich laten ronddrijven) en ook

wel vastgehecht op andere dieren. Het grootste deel van haar lichaam

bestaat uit de veelledige pooten; want het achterlijf is nietig klein

en het vierledige voorborststuk, dat aan den voorrand 4 oogen draagt,

schijnt niet grooter dan volstrekt noodig om een steunpunt aan de

ledematen te verschaffen. Aan de buitenste oppervlakte van den aan

een kop herinnerenden zuigsnuit zijn de schaarvormige kaaksprieten

aangehecht, die soms echter geheel ontbreken, evenals het eerste paar

kaaktasters; het volgende paar tasters vertoont hetzelfde maaksel als

de 3 paar overige ledematen; deze bestaan uit 7 à 9 leden en eindigen

in een stevigen klauw.--De jongen verkrijgen bij verreweg de meeste

soorten eerst na verscheidene vervellingen de gedaante hunner ouders;

bij de geboorte is hun lichaam ongeleed en met slechts 2 paar pooten

uitgerust; bij sommige loopen de kaaksprieten ieder in een langen

zweep uit.

Veelvuldig vindt men in de Europeesche zeeën (meer bepaaldelijk ook

in de Noordzee) onder steenen en tusschen waterplanten langs de kust

de 13 mM. lange Oever-zeespin (Pycnogonum littorale); soms wordt zij

op Visschen gevonden. Het roestige of bleeker gekleurde lichaam heeft

een doffe, korrelige oppervlakte.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen · 第 13 / 27 题