DE WORMSPINNEN (Linguatulida).
Een klein aantal parasieten, die men vroeger wegens hun levenswijze en
hun wormvormige gedaante bij de Ingewandswormen rekende, verdienen op
grond van hun inwendig maaksel en het bezit van 2 paar rudimentaire
ledematen een plaats in de nabijheid van de Mijten. Alleen gedurende
hun jeugd zijn zij als Arthropoden kenbaar; het geheele lancet-vormige
lichaam heeft ringvormige groefjes, die, evenals bij de Haarwortel-
en Galmijten, niet dieper gaan dan de huid en geen kenteekenen
van inwendige geleding zijn. De monddeelen ontbreken evenals de
tracheeën. 2 paar haakjes bij de mondopening zijn beweegbaar gehecht
aan korte pootstompjes. Het mannetje is aanmerkelijk kleiner dan
het wijfje.
De in Nederland zeldzame Lintwormachtige Wormspin (Pentastomum
taenioides) bewoont als geslachtsrijp dier vooral de neusholte
van den Hond en den Wolf, bij uitzondering ook die van Paarden,
Muildieren en Geiten. Het wijfje bevat soms wel een half millioen
eieren. Deze komen bij het niezen met het neusslijm naar buiten,
dus ook op plantendeelen en hierdoor in het spijskanaal van Konijnen,
Hazen en andere plantenetende dieren, slechts zelden in dat van den
mensch. Zoodra de jongen de eischaal verlaten hebben, dringen zij,
gelijk de Trichinen, door den darmwand heen en begeven zich naar
de lever; hier omgeven zij zich met een hulsel (kapselen zich in)
en bereiken in ongeveer 6 maanden een voldoende ontwikkeling om
verdere reizen te ondernemen. Van hun hulsel bevrijd, doorkruisen
zij de lever, veroorzaken den dood van hun gastheer, wanneer hun
aantal groot is, maar trachten in ieder geval de longen te bereiken
om op deze wijze in de vrije natuur te komen. Nadat zij direct of
indirect in de neusholte en voorhoofdsboezems geraakt zijn van den
Hond of den Wolf (die de besmette lever verslond of voorwerpen,
waarop zich Wormspinnen bevinden, besnuffelde), ontwikkelen zij
zich in 2 of 3 maanden tot geslachtsrijpe dieren. Deze hebben een
witachtig geel, lancetvormig lichaam, dat aan de buikzijde plat, aan
de rugzijde eenigszins bol is. De wijfjes zijn 70 à 130, de mannetjes
8 à 10 mM. lang. Bij den Hond brengt hun aanwezigheid een pijnlijke
ontsteking van het slijmvlies teweeg, die aanleiding kan geven tot
het kwaadaardig worden van dit dier.
Andere soorten van Wormspinnen heeft men gevonden in de keelholte
van den Krokodil, in de longen van de Brilslang, bij Reuzen- en
Ratelslangen en ook in de lever van een Egyptischen neger. Haar
ontwikkelingsgeschiedenis is echter minder goed bekend.