DE MIJTEN (Acarina).
De orde, die de Mijten en Teken omvat, is, na de Echte Spinnen,
de belangrijkste van de geheele klasse. Mijt en Teek zijn algemeen
bekende namen, die echter slechts bij enkele menschen een duidelijke
voorstelling wekken van eenige der hierdoor aangeduide dieren. Uit
de nog steeds zeer onvolledige uitkomsten van de onderzoekingen,
die de Acarinen betreffen, blijkt, dat zij door vorm en levenswijze
zeer uiteenloopen. Slechts weinige Acarinen kan men met het bloote
oog onderscheiden; de meeste zijn microscopisch klein en worden in
't geheel niet opgemerkt, tenzij men er opzettelijk naar zoekt,
of vertoonen zich, zoo zij in onnoemelijke menigte bijeenleven, als
bewegelijke stofjes, als een meer of minder duidelijk gewriemel aan
of in producten van plantaardigen of dierlijken oorsprong, die bewaard
worden om als voedsel voor mensch en vee of als grondstof voor sommige
industriën te dienen. Men denke slechts aan mijterige kaas, en houde
in 't oog, dat het witte korstje op gedroogde pruimen en dergelijke
vruchten niet altijd uit suiker, maar dikwijls uit millioenen van
nietig kleinen Mijten bestaat. Wegens de schade, die deze Acarinen
aanrichten, verdienen zij onze aandacht; nog hoogere aanspraken hierop
hebben vele soorten, die, als parasieten op menschen en dieren levend,
tot pijnlijke en walgelijke ziekten aanleiding geven.
De Mijten onderscheiden zich duidelijk van de Echte Spinnen door het
volkomen ontbreken van geleding aan den stam: het kopborststuk vormt
met het achterlijf één geheel. Vóór aan den rug komen 2, zeldzamer 4
enkelvoudige oogen voor; dikwijls ontbreken deze geheel. De monddeelen
zijn soms voor 't bijten, soms voor 't steken en zuigen geschikt. De
kaaksprieten komen in 3 verschillende vormen voor: als klauwen, als
scharen of als priemvormige, terugtrekbare streekborstels. De pooten
zijn meestal goed ontwikkeld en dragen in den regel aan hun einde twee
klauwen, waartusschen hechtkussentjes of ook wel gesteelde zuignappen
kunnen voorkomen.--De Mijten ontwikkelen zich uit eieren, meestal
buiten, soms in het lichaam van de moeder. De jongen verwisselen
herhaaldelijk van huid en verschillen aanvankelijk niet slechts in
vorm, maar ook in levenswijs van de geslachtsrijpe dieren, vooral door
het ontbreken van het tweede paar pooten der volwassenen. De meeste
ademen door luchtbuizen (tracheën), de overige hebben geen bepaalde
ademhalingsorganen. Dit heeft aanleiding gegeven tot een verdeeling
in twee onderorden: 1) de Mijten met luchtbuizen (Tracheata), 2)
die welke de luchtbuizen missen (Atracheata). Van de eerste onderorde
zullen wij 5 familiën ter sprake brengen.
De Gewone Fluweelmijt, ook wel Gelukspinnetje genoemd (Trombidium
holosericeum), is karmijnrood en 2.5 à 3 mM. lang. Van het begin
der lente tot in Augustus, vooral na een regenbui, ziet men haar
op allerlei planten, waaraan zij haar voedsel ontleent, zonder ons
schade te veroorzaken. De oppervlakte van het bijna peervormige,
weeke lichaam is dicht bezet met korte, naar den top dikker wordende
haartjes en hierdoor fluweelachtig. In Juni en Juli legt het wijfje
hare eieren in groote scholen op een plant, een steen of op den
grond. De eischaal verdeelt zich in twee helften bij het uitkomen
der jongen; deze zijn bolvormig en hebben slechts 6 korte pooten;
zij leven vermoedelijk parasitisch op Spinnen, Hooiwagens en Insecten.
In tropische gewesten komen verwante soorten voor, die veel grooter,
soms wel 11 mM. lang zijn. De Verwersmijt (Trombidium tinctorium)
in Suriname en Guinea levert een zeer bruikbare, roode kleurstof.
In den herfst ziet men de takken, maar vooral de stammen van oude
linden soms van boven tot onderen bedekt met een laag spinrag, die
aan de zonzijde als een ijskorst glinstert en hierdoor een zeer
merkwaardig schouwspel oplevert. Onder dit weefsel overwinteren
millioenen oranjegele Spinnende Mijten (Tetranychus telarius,
T. tiliarum, T. socius). Gedurende den zomer waren zij aan de
onderzijde der bladen met welker sap zij zich voeden, bedekt door
een spinsel, dat, behalve diertjes van verschillenden leeftijd,
eieren en afgeworpen huiden bevat. Het meest vindt men ze op linden,
vooral in warme zomers, bovendien op wilde kastanjes, wilgen, sparren,
verschillende tuinplanten, en ook op hop, waar zij aanleiding geven tot
een ziekte, die "koperbrand" wordt genoemd. De door haar aangetaste
bladen verdrogen schielijk. De tuinlieden hebben veel last van deze
"Roode Spin", die reeds door Linnaeus gevaarlijk voor broeikasplanten
wordt genoemd. In volwassen toestand is zij ruim 1 mM. lang; het
eironde, oranjekleurige lichaam is fijn behaard en heeft op iedere
zijde een roestgeel vlekje.
Met den naam van Oogstmijt (Leptus autumnalis) duidt men kleine
(hoogstens O.5 mM. lange), bijna bolronde, roode diertjes aan, die
in grooten getale op de halmen van granen en andere grassen (ook
op vlier en kruisbessen) leven. Zij gaan op de huid van maaiers
en zichters over, dringen hierin als Teken door en veroorzaken
een soort van huiduitslag, die met hevige jeukte en soms zelfs met
koortsverschijnselen gepaard gaat. Wanneer zij zich zoo diep en in
zoo grooten getale hebben ingeboord, dat het niet mogelijk is ze door
drukking met den nagel te verwijderen, wordt het inwrijven van de
huid met boomolie, petroleum, benzine of tabakssap aanbevolen. Ook
op Honden en andere warmbloedige dieren komen zij voor; misschien
verschillen zij niet van die, welke op Insecten parasiteeren. Zij
hebben slechts 6 pooten en verkeeren dus nog in den larvetoestand. Zij
ontstaan uit eieren, die aan steenen en aardkluitjes vastgehecht zijn
en door sommige onderzoekers aan de Gewone Fluweelmijt, door andere
aan de Spinnende Mijt toegeschreven worden. Er schijnen 2 vormen van
Oogstmijten voor te komen: een honiggele, O.55 mM. lange, die zich
langzaam beweegt en een vluggere, menieroode, van O.35 mM. lengte.
De genoemde en vele andere op het droge levende Mijten worden
gezamenlijk Aard- of Fluweelmijten (Trombidiidae) genoemd en tot
een familie vereenigd; evenals de nu volgende waterdieren, hebben
zij een tracheën-stelsel, dat door één paar ademgaten naast de kaken
met de buitenwereld in gemeenschap staat, en klauwvormige of stekende
kaaksprieten.
De Watermijten (Hydrarachnidae) zijn voor het leven in stilstaand of
stroomend water geschikt, omdat zij zwemborstels bezitten, die door
een gewricht, dus beweegbaar, met de pooten verbonden zijn. Van voren
naar achteren neemt de lengte der pooten toe; alle zijn 7-ledig en
eindigen in 2 klauwen. Bij vele soorten wijkt het mannetje door een
staartvormig uitsteeksel af van de bolvormige gedaante, die in deze
familie regel is.
De wijfjes van sommige soorten leggen eieren in door haar zelf
geboorde gaten in plantenstengels; die van andere soorten hechten ze
aan de onderzijde van bladen en vereenigen ze door een geleiachtige
stof. De plaats waar een wijfje dezen arbeid heeft verricht, wordt
niet zelden ook door andere wijfjes voor 't zelfde doel gebruikt,
waardoor groote eierenkorsten op de bladen ontstaan. De 6-pootige
jongen, die na eenige weken uitkomen, parasiteeren aanvankelijk op
Waterkevers en Waterwantsen, zoowel op volwassenen als op larven,
verlaten vervolgens haar gastheer, verwisselen van huid, waarbij hare
pooten korter worden en verkeeren op den bodem van 't water in een
soort van poptoestand. Bij de laatste vervelling krijgen zij 8 pooten
en kortere monddeelen. De meeste leden van deze familie hebben 2 oogen,
evenals die der vorige; de Watermijten i.e.z. (Hydrachna) hebben
er echter 4. De leden van dit geslacht behooren tot de behendigste
zwemmers van de geheele familie, kunnen vlug in loodrechte richting
stijgen en dalen en bovendien, wegens hun niet al te geringe grootte,
het gemakkelijkst waargenomen worden. Een der grootste en fraaiste
Europeesche en inheemsche soorten is de Landkaarten-Watermijt
(Hydrachna geographica), welker breed, eivormig lichaam zwart is met
groote, karmijnroode, op landkaarten gelijkende vlekken (lengte 6 à
8 cM.).
De Hoornmijten (Oribatidae), die zich o.a. door een steviger,
eenigszins hoornachtige lichaamsbekleeding van hare verwanten
onderscheiden, vormen de eenige familie der orde, waarin, zoover
bekend, geen parasieten voorkomen. Zij leven in mos of vochtige
aarde en voeden zich hoofdzakelijk met rottende, plantaardige
stoffen. Hoplophora arctata schijnt de eenige te zijn, die dierlijk
voedsel gebruikt; naar men zegt, maakt zij jacht op de Druifluis.
De Luismijten (Gamasidae) hebben stekende of schaarvormige
kaaksprieten, vooruitstekende kaaktasters, die uit leden van gelijke
lengte zijn samengesteld, harige pooten, die in den regel in lengte
en maaksel onderling overeenkomen en aan 't einde, behalve klauwen,
ook nog een hechtschijf dragen. Oogen hebben zij niet. Deze kleine
Mijten, althans hare 6-pootige larven, leven parasitisch op andere
dieren; het gemakkelijkst kan men ze vinden op sommige in den
grond wonende Insecten; andere komen op Vogels en Vleermuizen
voor. Zij blijven niet, gelijk de Teken, voortdurend op dezelfde
plaats vastgehecht, maar loopen vlug over hare gastheeren rond. Een
van de veelvuldigst voorkomende soorten is de zoogenaamde Keverluis
(Gamasus coleoptratorum), een tamelijk hardhuidig, roodgeel diertje,
dat gemiddeld ruim 1 mM. lang wordt. Men vindt het dikwijls in
grooten getale op Doodgravers, Mestkevers, Hommels en andere in den
grond levende Insecten, die soms, vooral na een langdurig verblijf
onder de oppervlakte, den geheelen buik met deze kwelgeesten bedekt
hebben. De Mijt verlaat haar gastheer, zoodra deze dood is. Zij
heeft zich ongetwijfeld gedurende haar jeugd in den vochtigen grond
opgehouden en is eerst later overgegaan op den Kever, den Hommel of
de Bij, die in haar onmiddellijke nabijheid kwam.
De Vogelmijten (Dermanyssus), die tot de naaste verwanten van
de Keverluizen behooren, hebben, evenals deze, duidelijk gelede
kaaktasters met een door dikte uitmuntend grondlid en pooten van
gelijke lengte, voorts een langen, beweeglijken, benedenwaarts gebogen
snuit en kaaksprieten, die bij 't mannetje schaarvormig, bij 't wijfje
stekend zijn. De kamervogels worden soms des nachts gekweld door de
Gewone Vogelmijt (Dermanyssus avium). Wanneer b.v. een Kanarievogel
zeer onrustig is en aanhoudend met den snavel in de veeren pluist, zal
men bij 't uitkloppen van de holle riethalmen, die als zitstokjes in
de kooi dienst doen, hieruit roode Mijten van verschillende grootte te
voorschijn zien komen. Deze houden zich, als de Wandluizen, over dag
verborgen en verlaten 's nachts hare schuilhoeken om met het bloed
van het arme vogeltje haar honger te stillen. Door het zorgvuldig
uitkloppen van de riethalmen kan men dit ongedierte spoedig verdrijven;
waarschijnlijk komt het in de kooi met het hierin gestrooide zand. De
Mijten van duiventillen en hoenderhokken behooren tot dezelfde 1.35
mM. lange soort. Ook heeft men ze bij den mensch gevonden in holten
en builen van de huid, waar zij een onverdragelijke jeukte veroorzaken.
In verschillende opzichten wijken de Teken of Tieken (Ixodidae)
van de overige Mijten af. Haar plat min of meer eivormig lichaam is
bedekt met een hoornachtige of lederachtige huid, die zoo rekbaar is,
dat een exemplaar van 2.25 mM. lengte door het opzuigen van bloed
den omvang van een kleine boon kan verkrijgen. Meestal wordt het
voorste deel van den rug ingenomen door een van achteren afgerond
chitine-schild, welks voorrand een verschillenden vorm kan hebben,
o.a. soms een inham vertoont, waarin de sterk ontwikkelde snuit is
aangehecht. Deze is in rust naar voren gericht en ziet er uit als een
kop, maar blijkt bij nader onderzoek te bestaan uit een door de lange
kaken gevormde koker, waarin de staafvormige kaaksprieten geborgen
zijn; deze kunnen uitgestoken en teruggetrokken worden; hun eindlid
is getand en haakvormig gebogen. De oogen (bij Ixodes afwezig) zijn
op het rugschild gelegen. Bij andere soorten is de geheele rugzijde
van het lichaam door het chitineuze schild bedekt en de snuit verder
achterwaarts aan de buikzijde aangehecht. De Teek klemt zich met de
pooten vast aan de huid van den gastheer, drukt den loodrecht naar
beneden gebogen snuit tegen het punt waarin de scherpe eindleden van de
kaaksprieten moeten doordringen en baant door hun steek een weg voor
de nu volgende kaken; de al dieper en dieper doordringende monddeelen
kunnen, daar zij met achterwaarts gerichte tandjes bezet zijn, niet uit
de door hen gevormde wonde losgeraken. Als de snuit tot aan den wortel
in het lichaam van den gastheer is doorgedrongen, wenden de haken van
de kaaksprieten zich bij wijze van ankers naar rechts en naar links. De
Teek, die dezen voor 't zuigen geschikten stand heeft aangenomen, kan
nu niet meer met geweld losgerukt worden, zonder dat de snuit afbreekt
en in de wonde achterblijft. Door het hechtschijfje tusschen de beide
scherpe klauwen aan 't einde van iederen poot is de Teek in staat om
te blijven hangen aan elk voorwerp, dat zij, al is het slechts met
één voet, aanraakt. Aan den rand van het lichaam onderscheidt men
zonder moeite achter iedere achterheup een chitine-plaatje met een
ademgat, de beide eenige, die het dier heeft. De jonge Teken hebben
slechts 6 pooten en zwerven, evenals de verder ontwikkelde 8-pootige,
op grassen en struiken rond, totdat zij een gastheer hebben gevonden,
waaruit, althans de wijfjes, bloed zuigen.
De Hondenteek (Ixodes ricinus) doorloopt achtereenvolgens 3
ontwikkelingsphasen en vertoont zich in 7 verschillende vormen. In
haar vroegste jeugd heeft zij slechts 6 pooten (fig. a) en geen
plaat met ademgat; bij nauwkeuriger ontleding van het dier blijkt het
zelfs geheel verstoken te zijn van ademhalingsorganen; deze ontbreken
trouwens bij alle Mijten, zoolang zij slechts 6 pooten hebben. Het
oorspronkelijk platte lichaam zwelt eivormig op, wanneer de maag
met bloed gevuld is. In een tweede ontwikkelingstijdperk hebben
de jongen ademgaten en 8 pooten (fig. b); zij kruipen, evenals de
geslachtsrijpe Teken, langzaam en traag op grassen en struiken in
bosschen rond en hechten zich onmiddellijk vast aan ieder voorwerp,
dat in haar nabijheid komt. Men ontmoet ze het meest op plaatsen, waar
Zoogdieren en Vogels, vooral Eekhoorns en Gaaien, talrijk voorkomen,
of waar vosseholen zijn, ook op de met gras begroeide wildpaden,
waarlangs de dieren van het woud zich het liefst bewegen. Na het
einde van September worden onrijpe Teken niet dikwijls (en ook
rijpe van beiderlei geslacht slechts zelden) in de vrije natuur
aangetroffen. De volgezogen dieren van de tweede ontwikkelingsphase
zien er natuurlijk anders uit dan die, welker spijskanaal niet gevuld
is; hun uitzicht hangt niet slechts af van de hoeveelheid opgezogen
bloed en van de meer of minder ver voortgeschreden spijsvertering,
maar ook van den gastheer, die hun voedsel verschaft. Niet zelden ziet
men ze vrij rondkruipen en het dikke lichaam met moeite voortslepen,
vaker echter vastgezogen zitten op menschen en allerlei Zoogdieren,
vooral op Honden en Eekhoorntjes; bij laatstgenoemde dieren hechten
zij zich bij voorkeur aan den rand der oogleden en op de lippen.
In het laatste ontwikkelingstijdperk merkt men, behalve
vormsverschillen, die van het ledig of gevuld zijn van het spijskanaal
afhangen, nog onderscheid in sekse op; het mannetje, dat nog nooit
volgezogen werd gevonden (fig. c), heeft bijna den geheelen rug bedekt
met een glanzig donkerbruin, eenigszins behaard en met putjes bezaaid
schild, meer dan de helft langer dan dat van het wijfje. Bij haar
(fig. d) komt een afgerond, van voren eenigszins versmald rugschild
voor, dat het grootste deel van het lichaam vrij en rekbaar laat. In
volgezogen toestand (fign. c en f) heeft zij een van wit door
vleeschrood tot bruin varieerende kleur. Men ziet Hondenteken van
beiderlei geslacht in ledigen toestand vrij rondzwerven, begeerig
wachtend op de gelegenheid om zich aan een dier of aan een mensch vast
te hechten. Een volwassen wijfje bereikt op een Hond in 9 dagen een
lengte van 11 mM. en een hieraan evenredige breedte; het dier is dan
zoo veerkrachtig, dat het op den bodem vallend als een gomelastieken
bal opspringt. Op dezen gastheer vertoont het een vettigen glans en
een grijze kleur.
De Runderteek (Ixodes reticulatus), die ook op Schapen voorkomt, is
"vol" 12 à 15, "leeg" 2.5 à 4.5 mM. lang.
De Schapenteek (Ixodes reduvius)--niet te verwarren met de
Schapenluis--is in volgezogen toestand 8 mM. lang; de pooten en het
schild op het voorste deel van den rug zijn zwart, overigens is het
lichaam geelachtig bleek rood. Zij komt ook wel voor op Runderen
en Honden.
Ook in andere landen worden menschen en vee door Teken gekweld. Deze
meer dan 100 soorten omvattende familie is vooral in de tropische
gewesten sterk vertegenwoordigd.
De Zuid-Amerikaansche Woudluis (Amblyomma americanum) komt in vorm
en grootte met de inheemsche Teken overeen (lengte 2.25 à 3 mM.) en
wordt, naar uit de volksnamen Nigoea, Tigoea, Pique schijnt te blijken,
dikwijls met de Zandvloo verward. Vooral de Paarden hebben veel van
haar te lijden en laten gaarne hunne flanken, die het meest door de
parasieten worden aangetast, door de Hoenderen schoonpikken.
Een naar voren slechts weinig versmald rugschild en een korten,
aan de buikzijde ingeplanten snuit zijn kenmerken van de Randteken
(Argas). Een soort van dit geslacht, de Gifwants van Miana,
ook wel Malleh of Perzische Randteek (Argas persicus) genoemd,
dankt aan fabelachtige reisbeschrijvingen haar beruchtheid. Wat
men tegen haar heeft in te brengen, komt, na het weglaten van alle
overdrijvingen, hierop neer, dat zij zich in Perzië en ook in Egypte
in meer of minder grooten getale in de wanden van woningen ophoudt en,
geheel in den trant van de Bedwants, des nachts de slapende menschen
lastig valt door zich te verzadigen met hun bloed; vóór den morgen
keert zij steeds naar haar schuilplaats terug, een pijnlijke wonde
achterlatend als herinnering aan haar nachtelijk bezoek. Iemand
die zich een voorstelling kan vormen van het leed, dat de Wantsen
hier te lande kunnen teweegbrengen, zal het bericht, dat de genoemde
Teken uit sommige dorpen de geheele bevolking hebben verdreven, niet
onwaarschijnlijk achten. De gevreesde parasiet heeft een verdacht
voorkomen. De geheele rugvlakte van het bruinroode lichaam is dicht
bezet met witte, ronde putjes. De oogen ontbreken. In dit opzicht en
ook door het maaksel der pooten en van den snuit gelijkt deze soort
op de bij ons voorkomende Duiventeek (Argas reflexus of Rhynchoprion
columbae), die, naar het schijnt, een soortgelijke levenswijze
heeft. Zij houdt zich in woningen op, blijft over dag verborgen in
spleten van muren en voedt zich 's nachts met het bloed van Duiven,
vooral van jonge dieren, die hierdoor niet zelden bezwijken. Tot in
1808 was dit ongedierte alleen in Italië en Frankrijk bekend. Later
heeft men het ook in andere landen van Midden-Europa waargenomen,
uitsluitend op plaatsen, die met duiventillen in gemeenschap staan. Zoo
ontdekte men het in 1863 te Friedeburg aan de Saale in een slaapkamer,
gelegen boven een tot een kamer verbouwden doorrit, in welks muren
gaten met duivennesten waren geweest. Over dag kreeg men geen enkele
Duiventeek te zien, zoomin op het lichaam der bewoners als op hunne
kleederen of in hunne bedden; 's avonds daarentegen zaten deze diertjes
op de muren of op den zolder. Telkens als men met het licht bij hen
kwam, bleven zij onbeweeglijk zitten; bij aanraking hielden zij zich
dood. Daarom ging men iederen avond met het licht bij de muren langs,
ten einde alle Teken te verbranden; soms vond men slechts weinige
exemplaren, enkele malen echter 18 op één avond. Men kon niet nagaan,
vanwaar de Teken kwamen, vond er nooit een volgezogen, nooit een
bijzonder kleine; alle hadden een lengte van 4.5 à 6.5 mM. Toch werden
de in 't vertrek slapende kinderen gestoken, meestal aan de handen
en voeten, waaruit blijkt, dat de Teken niet, zooals de Wantsen, bij
voorkeur de warmste gedeelten van het bed opzoeken. De steek laat een
onbeduidend rood puntje na, zonder rand, maar veroorzaakt een hevige
jeukte, niet zoo zeer op de gewonde plaats zelf, als wel langs de
aderlijke bloedbanen. Een steek tusschen de vingers b.v. veroorzaakt
jeukte op den geheelen arm tot aan den schouder, een steek aan den
voet wordt gevoeld tot in het kruis en den rug. Het krabben doet
de hevigheid en de uitgebreidheid van den prikkel toenemen. Uit al
deze mededeelingen blijkt, dat de gevolgen van een verwonding door de
Duiventeek in ons gematigd klimaat niet veel in hevigheid verschillen
van die der Perzische Teek in een veel warmer land.
Men kent nog verscheidene andere soorten van Randteken: 2 nieuwe,
die bij Guanajuato in Mexico veelvuldig voorkomen, zijn de Turicata
(Argas turicata), die op Zwijnen, de Garrapata (Argas Megnini),
die op Paarden, Ezels en Runderen, vooral in de oorschelp, leeft;
beide gaan ook op menschen over. De steek van een derde soort (Argas
mauritianus), die op Mauritius voorkomt, heeft soms voor Hoenderen
doodelijke gevolgen.
De Ware Mijten (Sarcoptidae, Acaridae) behooren tot de kleinste leden
van de geheele orde. Een zachte, soms door enkele chitine-strooken
gesteunde huid omgeeft het ovale of langwerpig eironde lichaam, welks
oppervlakte niet zelden sterk begroeid is met borstelige haren. De
oogen ontbreken. De pooten, voor zoover zij niet rudimentair
zijn, eindigen ieder in een hechtblaas, de kaaksprieten in een
schaar of in een naaldvormige spits en kunnen in 't laatstgenoemde
geval teruggetrokken worden in een vliezige buis. Even onvolkomen
als de uitwendige organisatie is ook het inwendig maaksel dezer
dieren. Tot dusver is het niet mogelijk geweest bij hen eenig spoor
van ademhalingsorganen te ontdekken (Atracheata); tot voor korten tijd
waren ook de spijsverteringswerktuigen onbekend. Vele van deze Mijten
leven op verschillende voedingsmiddelen van den mensch of parasitisch
op zijn lichaam en veroorzaken hierdoor last en schade.
De Kaasmijt (Tyroglyphus siro), die zich aan het ongewapende oog als
een klein, moeielijk te onderscheiden, lichtkleurig stofje vertoont,
is een langwerpig, met lange borstels bezet diertje, met schaarvormige
kaaksprieten en 3-ledige kaaktasters; de 4-ledige pooten eindigen ieder
in een zuignap, die door een langen steel gedragen wordt. Tusschen
het 2e en het 3e paar pooten komt een ringvormige groeve voor. Bij
millioenen vindt men diertjes van deze soort in oude, steenharde
kaas, die door hen mettertijd veranderd wordt in een poeder, die
uit uitwerpselen en velletjes van Mijten bestaat. Een variëteit van
deze soort is de Meelmijt (Tyroglyphus farinae), die in oud, muf meel
voorkomt. Op kaas en meel vindt men echter ook nog wel eenige andere
soorten van Mijten.
Het witte laagje, dat op gedroogde, zoete vruchten--pruimen, kersen,
rozijnen, vijgen, enz.--ontstaat door uitzweeting van een suikerhoudend
vocht, wordt niet zelden vervangen door Mijten, die tot verschillende
soorten van het geslacht der Suikereters (Glycyphagus) behooren.
Eeuwen lang waren de geleerden, vooral de geneeskundigen, het niet
eens over den oorsprong van de lastige, walging wekkende huidziekte,
die "schurft" (scabies) wordt genoemd. Toen men de verschillende
huidziekten nauwkeuriger had leeren onderscheiden en met zorg haar
wijze van ontstaan had nagespoord, kon men bewijzen, dat het verblijf
van Mijten in de opperhuid de schurft veroorzaakt; deze ziekte kan dus
geen anderen dan een zuiver uitwendigen oorsprong hebben; zij treedt
alleen dan op, als de parasieten of hunne eieren onmiddellijk of door
tusschenkomst van kleederen, bedden, enz. van een schurftlijder op
een anderen persoon overgebracht worden. Het dier, dat bij den mensch
de genoemde ziekte teweegbrengt, heet Schurftmijt van den mensch
(Sarcoptes hominis).
De schurft vertoont zich als verspreide, lijnvormige verhevenheden,
gangen, die meestal tot enkele, met een dunne opperhuid bedekte
lichaamsdeelen, zooals het polsgewricht, de elleboog, de kniebocht,
enz., beperkt blijven; iedere schurftplek heeft een bepaald
uitgangspunt en is, al naar het lichaamsdeel, waarop zij voorkomt en
den lichaamstoestand van den aangetasten persoon, verschillend van
uitzicht: een stip, een knobbeltje, een blaartje of een puist. Wanneer
n.l. Schurftmijten op de huid komen, boren zij in meer of minder
schuinsche richting in een plooi van de huid of naast een haar een
gang; de scherpe vloeistof, die zij intusschen uitwerpen, doet door
haar prikkelende werking knobbeltjes, blaartjes, enz. ontstaan. Bij
deze eerste ziekteverschijnselen merkt men geen Mijten op: de jonge
mannetjes en de onbevruchte wijfjes leiden n.l. een zwervend leven,
verlaten spoedig weder hare gangen om nieuwe te graven en zijn vooral
hierdoor oorzaak van de ondragelijke jeukte, die men waarneemt. De
bevruchte wijfjes daarentegen graven langere holen (nestgangen),
waarin zij hare eieren leggen en die zij niet weer verlaten; men
vindt ze dood in het gesloten uiteinde van de gang. In den regel komen
evenmin Mijten voor in de schubben en korsten, die van de huid van den
patiënt los geraken. Beide omstandigheden maken het verklaarbaar, dat
men zoo lang vruchteloos naar de oorzaak van de ziekte gezocht heeft.
Onder de Mijten merkt men drieërlei hoofdvormen op: 8-pootige mannetjes
en wijfjes, gene met zuignappen, deze met borstels aan de achterste
ledematen, en 6-pootige larven.
Kort na 1840 ontdekten Henle en Simon in de huid van den mensch een
soort van Mijt, die haar gastheer in den regel weinig hindert. Een
nauw aan haar verwante soort of variëteit brengt bij Honden en Katten
een meestal ongeneeslijke huidziekte teweeg. De Haarwortelmijt van
den mensch (Demodex folliculorum hominis) komt voor in de haarzakjes
en in de (veelal hiermede in gemeenschap staande) smeerklieren. Zij
veroorzaakt de kleine opzwellingen met een zwarte vlek in 't midden
(meteters of comedonen), die dikwijls op de huid van neus, lippen,
wangen, voorhoofd en nek waargenomen worden. Het is niet moeielijk,
hieruit een propje huidsmeer te verwijderen, welks naar buiten gericht
gedeelte door stof en vuil zwart geworden is. Hierin verborgen leeft
de hoogstens O.4 mM. lange, 0.05 mM. breede parasiet, die 4 paar
rudimentaire pootjes en uiterst kleine monddeelen heeft.
De Galmijten (Phytoptus) gelijken door haar lichaamsbouw veel op
de leden van het vorige geslacht. Ook zij zijn op het langwerpige
achterlijf van fijne, ringvormige groefjes voorzien en zeer klein
(hoogstens 0.25 mM. lang en 0.05 mM. breed). Zij hebben evenwel beter
ontwikkelde ledematen: de beide voorste paren zijn 5-ledig en aan 't
einde met een gladden klauw en een vedervormigen borstel of met andere
hechtorganen uitgerust; de beide achterste paren zijn rudimentair,
soms door voetstompjes, soms eenvoudig door borstels aangeduid. Alle
leden van dit geslacht parasiteeren op planten en geven aanleiding
tot het ontstaan van zeer verschillende, galachtige misvormingen
(phytopto-cecidiën), die men vroeger voor zwammen hield, omdat zij
meestal met een vilt van vleezige haren bedekt zijn. Dit is o.a. het
geval met de bladgallen van de Wijnstokgalmijt (Phytoptus vitis).