DE ECHTE SPINNEN (Araneina).
In 't oog vallende eigenaardigheden van de Spinnen zijn haar arglistig
loeren op buit van uit een verborgen hinderlaag en de alles behalve
vriendschappelijke betrekking, waarin zij, vooral het mannetje
en het wijfje, tot elkander staan. Om de hevigste openbaring van
vijandschap tusschen twee menschen aan te duiden, vergelijkt men
hen met Spinnen. Daar hare uitwendige kenteekenen al even weinig
innemend zijn als de beide reeds genoemde karaktertrekken, worden de
Spinnen door de meeste menschen gemeden en verafschuwd, hoewel zij in
vele opzichten onze bewondering verdienen. Haar lichaamsbouw is niet
minder merkwaardig dan die der overige Arthropoden; haar arbeid heeft
evenveel aanspraak op onze waardeering. Reeds door de ouden werd dit
erkend. Volgens een Grieksche sage had Arachne, de dochter van den
purperverwer Idmon, die van Pallas-Athene de weefkunst had geleerd,
de onbescheidenheid om aan haar goddelijke leermeesteres een wedstrijd
voor te stellen. Te vergeefs werd dit waagstuk haar ontraden door de
godin, die de gedaante van een oude vrouw had aangenomen. Arachne
bleef bij haar voornemen en vervaardigde een kunstig weefsel, dat
de minnarijen der goden voorstelde. Toen Athene, hierover vertoornd,
het weefsel verscheurde, hing Arachne uit wanhoop zich op. De godin
riep haar in 't leven terug in de gestalte--van een Spin, opdat zij
naar welgevallen zou kunnen hangen.--Koning Salomo stelde de Spin tot
voorbeeld aan zijne hovelingen wegens haar vlijt, kunstvaardigheid,
schranderheid, matigheid en deugd.
Bij alle Echte Spinnen is zoowel het achterlijf als het kopborststuk
ongeleed; beide afdeelingen zijn door een dunnen steel verbonden. Als
pareltjes in 't goud, zijn aan de bovenzijde van 't kopborststuk de
enkelvoudige oogen geplaatst, die door hun aantal, rangschikking,
afstand, grootte en richting betrouwbare kenmerken voor de
onderscheiding der talrijke geslachten opleveren. Bij de meeste
Spinnen komen 8, bij sommige 6, bij enkele 2 en bij eenige bewoners van
donkere holen in 't geheel geen oogen voor. Elke kaakspriet (fig. 5)
bestaat uit een dik, aan de binnenzijde gegroefd grondlid en een
klauwvormig eindlid, dat in deze groeve teruggeslagen kan worden
en, als een giftand van een Slang, doorboord is; dit kanaal staat
in gemeenschap met een gifklier in den vorm van een langwerpigen,
blinden zak (fig. 6). Bij een beet met de beide kaaksprieten storten
dus 2 gifklieren venijn in de wonde. Kleine dieren worden er bijna
onmiddellijk door gedood, doch ook voor groote dieren en zelfs voor
den mensch is het gif van eenige soorten van Spinnen gevaarlijk. Aan
weerszijden van de mondspleet komen de heupleden van het volgende
paar ledematen, de kaken, voor; hunne 5 overige leden vormen den
kaaktaster. Het eindlid, dat bij het wijfje altijd een (meestal
getande) klauw draagt, is bij het mannetje vervormd tot een voor deze
orde karakteristiek voortplantingsorgaan. Het volgende paar kaken
eindigt, evenals de 3 paar eigenlijke pooten, in 2 kamvormig getande
klauwen (fig. 7) en komt er ook in andere opzichten (o.a. door de
verdeeling in 7 leden) zoozeer mede overeen, dat men het gewoonlijk als
een paar pooten beschouwt en aan de Spinnen 4 paar bewegingsorganen
toeschrijft. Aan den voet van de beide groote klauwen bevindt zich
(fig. 7) een kleine, slechts bij enkele Spinnen ontbrekende "voorklauw"
van gelijken vorm.
Onmiddellijk vóór de min of meer buisvormige aarsopening zijn de
wonderbaarlijke spinorganen gelegen, die de tweede eigenaardigheid van
de geheele orde vormen. Door klieren van zeer verschillend maaksel, die
zich tusschen de ingewanden bevinden, wordt een vloeistof bereid, die
in aanraking met de lucht verhardt tot een taaie (droge of kleverige)
draad. De spinstof ontwijkt uit de talrijke, microscopisch fijne
gaatjes, waarmede de zoogenaamde "spintepels" (fig. 4) bij wijze
van een zeef bezaaid zijn. De meeste Spinnen hebben 3 paar van deze
organen: voorste (onderste), middelste en achterste (bovenste). Die
van het middelste paar vallen weinig in 't oog, daar zij altijd klein
en éénledig zijn; de voorste en achterste zijn grooter en dikwijls 2-
of 3-ledig. Vóór de voorste spintepels vindt men nog het zoogenaamde
"zeefje" (cribellum), een met talrijke spinpijpjes bezet veld, dat
door een hoornachtigen rand omgeven is. Door spierwerking kunnen de
spintepels naar voren en naar achteren, naar buiten en naar binnen
bewogen, uitgestulpt en teruggetrokken worden. Bij sommige Spinnen komt
een paar veelledige spintepels voor, die als staartjes voorbij de spits
van het achterlijf uitsteken; deze spelen waarschijnlijk een rol bij
het rangschikken der draden, doch vormen er zelf geen. De eigenlijke,
kegelvormige of cilindrische spintepels bestaan uit twee deelen: het
onderste en grootste is behaard en door een hoornachtigen ring omgeven;
het bovenste is een eenigszins bol vlak, dat als een borstel met een
groot aantal uitsteeksels van eigenaardigen vorm, de spinborstels of
spinpijpjes (fig. 3) bezet is. Hun wijdte en rangschikking loopen
zeer uiteen. Zij zijn niet slechts bij verschillende soorten van
Spinnen, maar ook aan de verschillende spintepels van hetzelfde dier in
ongelijk aantal aanwezig. Het talrijkst zijn zij bij de Kruisspinnen,
die er ongeveer 1000 hebben; bij Tegenaria zijn er slechts 400,
bij Segestria senoculata ongeveer 100 en bij verscheidene kleinere
soorten nog minder. Bij het spinnen van een draad worden niet altijd
alle spinpijpjes gelijktijdig gebruikt; de Spin kan naar verkiezing
enkele of verscheidene van deze organen laten werken, al naar het
doel waarvoor de draad bestemd is.
De hardheid van de chitinelaag, die het lichaam van de Spin bedekt,
is zeer ongelijk; bij de inheemsche soorten is zij over 't algemeen
zachter dan bij verscheidene buitenlandsche, waaronder er zijn met een
zeer harde schaal. Na de klauwen hebben altijd het rugschild en het
borstschild van het kopborststuk de grootste hardheid. De oppervlakte
is niet meer of minder dicht bekleed met lange, borstelige of korte
fluweelachtige haren, soms ook met stekels; niet zelden verhoogt
dit kleed in niet geringe mate het afschrikwekkend voorkomen van de
Spinnen. Sombere kleuren hebben bij haar gewoonlijk de overhand; niet
zelden echter zijn zij lichter en bont van kleur en teekening. Voor de
onderscheiding der soorten zijn deze verschijnselen niet zeer geschikt.
Daar de Spinnen van roof, n.l. van allerlei Insecten, leven, is,
evenals aan andere roofdieren, gezelligheid haar vreemd; zij moeten
hare soortgenooten mijden en in sommige gevallen bestrijden. De
uitzonderingen op dezen regel zijn zeldzaam en alleen in Zuid-Afrika
en Argentinië waargenomen.
De Spinnen zijn arme wevers; evenals deze, moeten zij weven, om in hun
levensonderhoud te voorzien; zij moeten echter spaarzaam zijn met de
grondstof, omdat deze bij goede voeding in ruime mate, bij schralen
kost slechts in geringe hoeveelheid beschikbaar is. De draad, die het
lichaam verlaten heeft, kan er niet weer in teruggetrokken worden. Soms
zou men kunnen meenen, dat dit wel geschiedt, n.l. als de Spin bij
een draad naar boven klimt en deze daarbij steeds korter wordt; in
dit geval echter wordt de draad eenvoudig opgewikkeld en aan de pooten
medegevoerd. Een nog veel grooter onderscheid dan er bij verschillende
soorten van Wespen wordt waargenomen in de wijze van bouwen der nesten,
merkt men bij de Spinnen op. Sommige, zooals de van oudsher bekende
Kruisspin, vervaardigen een wielvormig web, andere, zooals de Gewone
Huisspin, een dichter weefsel van trechtervormige gedaante, nog andere
buizen, zakken, enz., hieraan danken zij de namen Wiel-, Kruisnet-,
Trechter-, Zakspinners. Een groot aantal Spinnen vangen haar prooi niet
in een web, maar oefenen op een eerlijker wijze het roovershandwerk
uit door het Insect, dat in de nabijheid van haar schuilhoek komt,
loopend te vervolgen of onverhoeds te bespringen. Bovendien gebruiken
de Spinnen hare draden als middel om van plaats te veranderen;
zij laten zich spinnend naar beneden zakken en kunnen ook, door de
draad in schommelende beweging te brengen, een voorwerp bereiken,
dat niet onmiddellijk onder haar uitgangspunt gelegen is. Wanneer de
draad van hier losgerukt en door luchtstroomingen medegevoerd wordt,
zal zij een kleine Spin kunnen dragen; bij fraai herfstweder ziet men
sommige soorten op deze wijze door de lucht vliegen en zich over een
grooten afstand verplaatsen. Alle Spinnen zonder uitzondering, voor
zoover zij wijfjes zijn, gebruiken het product van hare spinklieren
tot beschutting van de eieren. Deze overigens zoo wreedaardige dieren
leveren sterk sprekende bewijzen van moederliefde en overtreffen
in dit opzicht zelfs de Insecten, die het best voor hunne jongen
zorgen. De eieren worden meestal midden in den zomer gelegd; bij
gunstige temperatuur en vochtigheidstoestand van de lucht verlaat
het jong 3 à 4 weken later het ei. De meeste Springspinnen, Zak-,
Trechter- en Wielspinners leggen in het laatst van den zomer eieren
en brengen het gewoonlijk lensvormige, soms halfbolvormige nestje
op een voor winterkwartier geschikte plaats. Van de leden dezer
familiën overwinteren slechts bij uitzondering enkele exemplaren;
daarentegen verkeeren de nog niet volwassen jongen van de overige
soorten des winters op hunne gewone schuilplaatsen in een toestand
van verstijving. In het gunstige jaargetijde groeien zij tamelijk
snel, hetgeen door verscheidene vervellingen mogelijk wordt. Over
't algemeen is men van oordeel, dat bij de vierde vervelling de groei
ophoudt en dat na dien tijd de vervanging van verloren lichaamsdeelen
niet meer voorkomt.
Het aantal bekende soorten van Spinnen bedraagt eenige duizenden
en neemt nog steeds toe. Zij zijn over de geheele aardoppervlakte
verbreid; sommige soorten worden nog op een hoogte van ongeveer 3125
M. boven den zeespiegel aangetroffen. Toch zijn warme landen beter voor
haar ter bewoning geschikt dan koudere, zooals blijkt uit de grootere
verscheidenheid van vormen, die deze orde in de tropische gewesten
aanbiedt; hier leven de grootste en fraaiste soorten. In het barnsteen
zijn overblijfselen van een niet onbelangrijk aantal uitgestorven
soorten (ongeveer 250) gevonden. Reeds in de steenkolenformatie
bestond deze orde; twee soorten uit dit tijdperk zijn bekend.
Tot het geslacht der Moord-, Bosch- of Vogelspinnen (Mygale), dat
uitsluitend in de warme landen van beide halfronden aangetroffen wordt,
behooren Spinnen, die een lichaamslengte van 5 of meer cM. kunnen
bereiken, doch met hare dikke, ruig behaarde pooten 18 cM. kunnen
overspannen. Sommige reizigers hebben haar beticht van het dooden en
verslinden van kleine Vogels; Bates heeft werkelijk een dergelijke Spin
op heeterdaad betrapt. Of dit de Gewone Vogelspin (Mygale avicularia)
was, dan wel een andere der veel op elkander gelijkende soorten van
hetzelfde geslacht, is niet bekend. Over een diepen spleet van een
dikken boomstam was een stevig, wit weefsel uitgespannen, in welks
beschadigd onderste gedeelte twee vogeltjes (Vinken) hingen. Het eene
was reeds gestorven, het andere lag onder het lichaam van de Spin,
onmiddellijk onder de spleet, en was den dood nabij. Nadat Bates den
roover verjaagd had, vond hij het vogeltje, dat weldra in zijne handen
stierf, bedekt met eene smerige, op speeksel gelijkende vloeistof. Naar
deze mededeeling en de gebrekkige houtgravure, die haar vergezelt,
is de afbeelding vervaardigd; de Spin echter is geteekend naar een in
spiritus geconserveerd exemplaar van de genoemde soort. Bates zegt
uitdrukkelijk, dat het door hem waargenomen feit nieuw was voor de
bewoners van Amazonië, die de bedoelde, in hun vaderland volstrekt niet
zeldzame Spinnen Aranhas caranguexeiras (Kreeftspinnen) noemen. Dat
het niet de gewoonte van alle Vogelspinnen kan zijn om zich met Vogels
te voeden, blijkt uit hare verblijfplaatsen, die vermoedelijk niet
dikwijls door de gevleugelde bewoners der lucht bezocht worden. Slechts
weinige soorten leven op boomen en struiken, de meeste bewonen gaten
in muren, daken van huizen, op welker muren men ze soms ziet zitten,
ruimten onder steenen en holen in den grond. Dit laatste geldt o.a. van
een dikke, bruine, in West-Indië en Brazilië levende, 65 mM. lange
soort [Mygale (Therephosa) Blondii], die gemakkelijk herkend kan worden
aan de gele strepen op de pooten. Zij bekleedt haar scheef afhellende,
ongeveer 63 cM. lange gang met een zijden behangsel en gaat tegen den
avond bij de opening op den loer liggen. Verschrikt vlucht zij diep
in haar woning, zoodra zware voetstappen naderen. Ook in Zuid-Afrika
schijnen de onder steenen wonende Moordspinnen veelvuldiger te zijn
dan de op houtgewas levende. Met groote behendigheid trachten zij
springend te ontkomen aan de vervolging van ieder, die haar wil vangen;
altijd zijn zij gereed om met hare scherpe gifklauwen de grijpende
vingers te kwetsen.
De Indianen vreezen de Boschspin niet. Bates zag de kinderen, die
voor hem Insecten verzamelden, met een groot dier van deze soort
spelen. Zij hadden het een draad om het lichaam gebonden en liepen
er mede door het huis als met een hondje.
In 1862 werd te Danzig bij het lossen van een uit Engeland afkomstig
kolenschip een levende Mygale avicularia gevonden en bijna een jaar
lang in 't leven gehouden. Zij verslond Insecten, Pissebedden en
Spinnen, maar ook Kikvorschen en rauw vleesch.
De Vogelspin is pekzwart en met zwartbruine haren bekleed; een
koperkleurig rood vilt bedekt het breede, platgedrukte eindlid van
den poot, dat twee verborgene, ongetande klauwen draagt; de voorste
middeloogen zijn aanmerkelijk grooter dan de overige. De leden van
het soortenrijke geslacht Mygale onderscheiden zich door de X-vormige
rangschikking der 8 dicht bijeen geplaatste oogen, door stevige,
lang en dicht behaarde pooten en door twee gekromde haken aan het
einde van het tweede scheenlid van de voorpooten.
Bij Mygale en een gering aantal andere geslachten vindt men 4
longzakken, dus ook 4 ademgaten aan 't voorste deel van den buik (alle
overige leden der orde bezitten 2 longen), slechts vier spintepels,
waarvan 2 zeer klein zijn, en naar voren gerichte kaaksprieten, welker
klauwlid benedenwaarts en niet binnenwaarts tegen het grondlid wordt
aangelegd. De Spinnen, die deze kenmerken gemeen hebben, worden
gezamenlijk Vierlongigen (Tetrapneumones) genoemd. In Europa is
deze groep o.a. vertegenwoordigd door de Metselspinnen (Cteniza),
waarvan 6 soorten het Middellandsche Zee-gebied bewonen en door
het geslacht Atypus (d.i. "afwijkend", zoo genoemd wegens het bezit
van 6 spintepels), waarvan 3 soorten, behalve in Zuid-Europa, ook,
hoewel zelden, in Duitschland gevonden worden.
Sauvage's Metselspin (Cteniza fodiens), die hieronder in haar
eigenaardige woning is afgebeeld (deze moet men zich echter ruim
4-maal zoo lang denken), heeft een roodbruin, bijna onbehaard lichaam
en ziet er ongeveer uit als een Kelderspin. De beide staartjes aan de
spits van het achterlijf, die ook bij vele andere Spinnen voorkomen,
stellen de beide genoemde, tastervormige, geen draad voortbrengende
spintepels voor. Deze soort wordt vooral op Corsica gevonden; zij kiest
tot verblijfplaats een niet met gras begroeide, steile helling, die
uit een samenpakkende grondsoort zonder steentjes bestaat, waarin het
regenwater dus niet kan blijven staan. Hier graaft hij in horizontale
richting een soms wel 63 cM. lange gang, zoo wijd, dat zij zich er met
gemak in kan bewegen; deze wordt van binnen bekleed met een zijden
weefsel om het instorten te verhoeden. Haar kunstigst werkstuk is
echter het cirkelronde deurtje, waarmede de gang gesloten wordt en
dat in de opening past. Het is aan den buitenkant plat en ruw en niet
van de omgevende aarde te onderscheiden, overigens uit fijne klei
en spinsel samengesteld, van binnen met een sierlijk zijden weefsel
bekleed, welks draden langs een deel van den bovenrand overgaan in
het bekleedsel van de gang en zoo een hengsel vormen; het deurtje
valt door zijn eigen zwaarte dicht, nadat men het geopend heeft. De
Spin verlaat haar woning niet anders dan 's nachts om op roof uit
te gaan; over dag is zij in haar goed gesloten hol beveiligd tegen
vijanden. Als een van deze de deur wil openen, belet de Spin dit,
door de klauwen van de achterpooten in het bekleedsel van de gang,
die van de voorpooten in de zijden binnenbedekking van het deurtje te
slaan en dit dus naar zich toe te trekken. De zwarte stipjes die in
fig. b langs een deel van den rand voorkomen, stellen de gaten voor,
die met het genoemde doel in 't weefsel zijn aangebracht. Wanneer
de Spin de deur niet meer gesloten kan houden, vlucht zij naar het
diepste deel van haar hol. Hier bevinden zich de eieren en later de
jongen, die gedurende het eerste levenstijdperk zorgvuldig door de
moeder bewaakt worden. Wanneer de Metselspin uit haar hol gehaald en
aan de zonnestralen blootgesteld wordt, is zij na korten tijd slap
en als verlamd.
Alle Spinnen, die slechts door twee longen (sommige bovendien
door luchtbuizen) ademen--de Tweelongigen (Dipneumones)--, hebben
het klauwvormig eindlid van de kaaksprieten in rust binnenwaarts
gericht. Op grond van haar levenswijze kan men ze verdeelen in
Gevestigde of Webspinnen (Sedentariae) en Zwervende of Jachtspinnen
(Vagaebundae). De laatstgenoemde maken geen web en vangen loopend of
springend haar buit; de eerstgenoemde wachten hem af op of bij het
web, dat zij vervaardigen, of de draden, die zij spannen, en worden,
naar de wijze van spinnen, in verscheidene familiën verdeeld.
De Wielspinners (Orbitelariae, Epeiridae) hebben een meestal
rechtstandig web, samengesteld uit draden, die, als de spaken van
een wiel, straalsgewijs van een middelpunt uitgaan, en andere, die
als concentrische of spiraalwindingen de vorige doorsnijden. In de
nabijheid van dit vangnet of er midden in wachten zij geduldig, tot een
vliegend Insect er aan vastgehecht blijft. In het laatst van den zomer
of in den herfst hebben de meeste Spinnen door de laatste vervelling
haar volledige ontwikkeling bereikt. Kort na de paring bezwijken de
mannetjes; de wijfjes brengen hare eierenzakjes, die gewoonlijk door
gele, eenigszins wollige vlokjes omgeven zijn, op een veilige plaats
en sterven vóór den aanvang van den winter. Alle Wielspinners hebben
8 oogen; de 4 grootste staan in 't midden (middenoogen) en vormen een
vierkant, tenzij de afstand tusschen de 2 voorhoofdsoogen iets grooter
is dan die, welke de kruinoogen vaneenscheidt; de 4 overige (zijoogen)
zijn aan weerszijden van de middenoogen en op grooten afstand van deze,
twee aan twee, eenigszins scheef en zeer dicht bij elkander geplaatst
(zoodat er dikwijls geen tusschenruimte overblijft). De pooten zijn
tamelijk dik; de voorste zijn langer dan die van het 2e paar, hoewel
deze de volgende in lengte overtreffen. Alle wijfjes (uitgezonderd
die van het geslacht Tetragnatha) onderscheiden zich door een dik,
bolrond achterlijf en een sterk getanden tasterklauw.
Dit alles kan men het gemakkelijkst waarnemen bij de algemeen bekende
Gewone Kruisspin (Epeira diadema). Aan de rugzijde van het vette,
glanzige achterlijf ziet men lichte vlekjes een kruis vormen op den
lichter of donkerder bruinen, met meer of minder grijs gemengden
ondergrond; dit heeft aanleiding gegeven tot den naam. Andere hier
voorkomende, meestal zuiver witte vlekken en stippels, begrenzen een
driehoekig veld. Bij het aanmerkelijk kleinere, slechts 11 mM. lange
mannetje zijn de schenen van de 2e paar pooten verdikt. De Epeiren
spinnen uit 6 tepels met zeer talrijke pijpjes.
De Gewone Kruisspin wordt in 't grootste deel van Europa in tuinen,
kreupelhout en ijle naaldhoutbosschen gevonden; meestal vestigt zij
zich op betrekkelijk geringen afstand van den grond, bij voorkeur
in de nabijheid van slooten, moerassen, meren, kortom op plaatsen
waar Vliegen en Muggen gewoonlijk in overvloed rondvliegen. In 't
begin van Mei verlaten de jongen de eischaal; gedurende ongeveer
8 dagen blijven zij bijeen, of liever komen telkens weer samen
na zich verspreid te hebben; na de eerste vervelling verlaten zij
haar geboorteplaats. Langzamerhand, na verscheidene vervellingen
ontwikkelt zich de teekening, die het volwassen dier onder de fraaiste
inheemsche soorten een plaats verschaft. Zoodra de jonge Kruisspinnen
zich verstrooid hebben, spint ieder een web, dat natuurlijk wegens
zijn geringe grootte minder de aandacht trekt dan de wielvormige
weefsels van 30 en meer cM. middellijn, welke men later ontmoet. De
plaats waar zij zich vestigen zal, wordt eerst na rijp beraad bepaald;
voordat zij aan den arbeid tijgt, loopt zij geruimen tijd op allerlei
voorwerpen rond; dit is volstrekt noodig, daar zij op deze plaats op
een andere wijze te werk moet gaan dan op gene om de buitendraden
te spannen, die het drie- of vierhoekige raam begrenzen, waaraan
het web bevestigd is. Haar eerste werk bestaat in het vasthechten
van den draad, dien zij zal spinnen, door drukking met de spits van
het achterlijf; in verreweg de meeste gevallen geschiedt dit op een
hoog gelegen plaats. Zij laat deze los en zakt langzamerhand door
haar eigen gewicht, hangend aan den steeds langer wordende, uit de
spintepels komenden draad, die vervolgens in strak gespannen toestand
bevestigd wordt; het tweede aanhechtingspunt is steeds lager gelegen
dan het eerste. Groote zorgvuldigheid vereischt het spinnen van den
bovensten dwarsdraad, die als een strak gespannen touw twee soms ver
uiteenliggende punten verbindt. Wanneer het niet mogelijk is te voet
van het eene punt naar het andere te komen, schiet de Spin een draad
uit, die door luchtstroomingen naar het tweede aanhechtingspunt wordt
vervoerd; soms laat zij zich, onder aan een draad hangend, zoo lang
heen en weer slingeren, totdat zij met de pooten de gewenschte plaats
bereiken kan. Indien de draad niet dadelijk de noodige spanning heeft,
wordt hij door korte zijdraden strak getrokken. Als het raam gereed
is, verbindt de Spin twee tegenovergestelde punten door aan het eene
een draad te bevestigen, langs de buitendraden naar het andere punt
te loopen en intusschen den steeds langer wordende nieuwen draad met
den achterpoot van zich af te houden. Door tusschen het midden dezer
lijn en den omtrek heen en weer te gaan komen de spaken van het wiel
tot stand, waarbij de laatste verkregene steeds als weg dient bij het
spinnen van de volgende. De nu volgende arbeid, het verbinden van alle
stralen door cirkels, levert geen bezwaar op. In het middelveld, dat
zich ongeveer zoo ver uitstrekt, als de Spin hare pooten kan uitsteken,
zijn deze draden droog, evenals de tot dusver gebruikte; verderop zijn
zij bezet met zeer talrijke, buitengewoon fijne, kleverige knobbeltjes
en hierdoor in staat om denzelfden dienst te doen als de lijmroeden
bij het vogelvangen: zij houden de vliegende Insecten vast, die er
mede in aanraking komen. Men heeft uitgerekend, dat een web van 36
à 39 cM. middellijn ongeveer 120 000 van deze knobbeltjes bevat.
Het nu voltooide werkstuk levert een sterk sprekend bewijs van
de buitengewone kunstvaardigheid der Spin; de stralen en cirkels,
hoewel minder zuiver van constructie dan die van den met liniaal en
passer uitgerusten teekenaar, vormen te zamen een bewonderenswaardig
geheel. Met lofwaardigen ijver is deze arbeid verricht; vooral na
een zachte regenbui wordt er gewoonlijk slechts één dag of één nacht
aan besteed. Met omlaag gericht kopborststuk troont op 't middelveld
de kunstenares. Soms acht zij het verkieselijker aan den buitenkant
van haar web onder een blad of op een andere beschutte plaats haar
hoofdkwartier te vestigen; steeds is dit plekje met het middelpunt
van het wiel verbonden door eenige sterk gespannen draden, die als
telegraaf dienst doen, van iedere beweging van het web terstond
kennis geven. Zij geraken in trilling door de onbesuisde Vlieg,
die het ongeluk had met het net in aanraking te komen en bij hare
pogingen om zich te bevrijden hoe langer hoe meer in de draden
verward geraakt. Niet in eens, maar bij rukken schiet de Spin van uit
de hinderlaag op haar slachtoffer toe; zij is altijd voorzichtig,
gaat nooit met blinde overhaasting te werk. Eerst begeeft zij zich
naar het middelpunt en van hier naar de plaats waar de Vlieg, door
geweldig te spartelen en te gonzen, hare krachten verspilt. Een beet
met de gifkaken brengt haar spoedig tot rust. De Spin zal, indien
zij zeer hongerig is, onmiddellijk na de vangst den buit verslinden,
maar dezen, bij minder groote behoefte aan voedsel, met een breeden
band van draden omwikkelen. Als een pop in een cocon, blijft het
goed ingepakte slachtoffer voorloopig hangen; ter gelegener tijd
bijt de Spin den opgespaarden voorraad los en vervoert dezen naar
haar schuilplaats; hier gaat zij op haar gemak aan 't kauwen, waarna
de met speeksel tot een brijachtige massa verwerkte prooi opgezogen
wordt. Als een Wesp of een dergelijk onbruikbaar dier in het web
geraakt, zal de Spin zelf door het stuk bijten van eenige draden tot
de bevrijding van de gevangene medewerken. Soms zit het web vol van
kleine Mugjes, die nagenoeg geen voedsel opleveren, maar door hun
donkere kleur en door het bedekken van de kleverige knobbeltjes der
draden de bruikbaarheid van het vangtoestel zoo zeer verminderen,
dat de Spin zich genoodzaakt ziet een ander web te vervaardigen. Onze
Kruisspin heeft geen helpsters zooals sommige van hare West-Indische
verwanten, in welker web Darwin dikwijls kleinere spinnetjes aantrof,
die, naar hij vermoedt, op de gevangene Insecten azen, die wegens hun
geringe grootte door de eigenares van het web versmaad worden. Dat
de Kruisspin haar weefsel herstelt, wanneer het beschadigd is, wordt
door sommige onderzoekers beweerd, door andere betwist; waarschijnlijk
geschiedt dit alleen op plaatsen, die zoo gunstig gelegen zijn voor
de vangst, dat de Spin geen lust gevoelt ze te verlaten.
De omstandigheden bepalen de wijze, waarop de Spin te werk gaat, zoowel
bij het aanleggen van het raam voor haar web als bij de behandeling
en het verslinden van den buit; evenals in deze gevallen, toont zij
ook overleg bij de keuze van maatregelen, om aan een dreigend gevaar
te ontkomen. Haar gewone redmiddel is, zich te laten zakken aan
een draad; soms acht zij het blijven hangen in de lucht voldoende;
soms echter daalt zij tot op den bodem af en houdt zich dood; zoodra
het gevaar geweken is, keert zij langs den draad naar haar vroegere
zitplaats terug. In andere gevallen van verontrusting blijft zij
stevig vastgehecht zitten op het middelveld van haar web, maar deelt
hieraan zulk een hevige, trillende beweging mede, dat men haar lichaam
niet meer kan onderscheiden. In den herfst zijn de Kruisspinnen
volwassen. In een streek waar deze dieren talrijk zijn, schat men
het aantal wijfjes op 10 à 15 tegen 1 mannetje. Het mannetje heeft
een eigen web en toont gedurende de kortstondige spinnenvrijage een
niet ongegronde vrees voor zijn veel grootere wederhelft. In September
of October legt het wijfje ongeveer 100 gele eieren in een door haar
gesponnen zakje, dat zij op een veilige plaats ophangt. De omvang van
haar achterlijf vermindert hierdoor zoo sterk, dat zij bijna onkenbaar
wordt. Zij sterft vóór den aanvang van den winter, maar blijft tot aan
het einde van haar leven hare eieren zorgvuldig bewaken. Zelden treft
men in den winter onder boomschors of mos Gewone Kruisspinnen aan;
steeds zijn dit onvolwassene exemplaren, die later dan gewoonlijk
(Mei) de eischaal verlieten.
De Uitgerekte Oeverspin (Tetragnatha extensa) heeft vele
eigenaardigheden, waardoor zij zich van de overige Wielspinners
onderscheidt; de opmerkelijkste zijn: het langwerpige achterlijf en de
zeer lange pooten; het rustende dier strekt de beide naast elkander
gelegde voorste paren regelrecht naar voren, de beide achterste
paren op dezelfde wijze naar achteren; ook de kaaksprieten steken ver
vóór het kopborststuk uit. De volwassen Spin is 15 à 19.5 mM. lang;
de pooten en het voorste deel van 't lichaam zijn roodachtig geel;
het achterlijf is van onderen meestal geelachtig wit, aan de zijden
zilverwit en van boven versierd met een roodbruin, bladvormig rugveld,
dat door donkere, ingekorven randen omgeven wordt. Tusschen halmen
van riet, biezen of grassen, bij moerassen, poelen en andere vochtige
plaatsen, bij ons ook in tuinen, vindt men haar loodrecht geplaatst
wielvormig web en in het middenveld of tegen een naburige bieshalm
aangedrukt, de op buit loerende Spin. Deze is in 't heetst van den
zomer volwassen; het mannetje toont in den paartijd geen vrees voor
het wijfje. De lichtgele eieren worden in een halfbolvormig zakje,
door een vlokkig spinsel omhuld, aan een stengel opgehangen. De jongen
komen nog in 't zelfde jaar uit, vliegen soms aan "herfstdraden"
door de lucht en zijn gedurende den winter dikwijls verscholen in
holle leden van rietstoppels.
In de warme landen van beide halfronden, in Amerika tot in den
staat Ohio, leven talrijke, tot verschillende geslachten behoorende
soorten van Wielspinners, die zich kenmerken door een hoornachtig, van
achteren in twee lange, rechte of kromme doornen eindigend rugschild
op het achterlijf. Tot de meest verbreide behoort het geslacht der
Doornspinnen (Gasteracantha), dat nog wel zonderlinger vormen omvat
dan de hierna afgebeelde Tangvormige Doornspin (Gasteracantha arcuata),
die op Java gevonden wordt.
Sommige Kruisnetspinners (Theridiidae--meer bepaaldelijk de Linyphiinae
en de Theridiinae) spinnen in de struiken of tusschen grashalmen
een horizontaal, dekenvormig web, welks draden elkander in alle
richtingen kruisen. Onder dit nest wonen in den paartijd de mannetjes
en de wijfjes gezellig bijeen; in de overige tijden van 't jaar leeft
ieder afzonderlijk. Andere leden van dezelfde familie spinnen enkele
draden in verschillende richtingen, overlangs, overdwars, naar boven,
naar onderen, of werpen er een uit onder het loopen, maar vervaardigen
geen echt web (Pachygnathinae); evenals de zoogenaamde Jachtspinnen
(Vagabundae), vangen zij hun prooi loopend of springend. Bij de leden
der eerstgenoemde afdeeling zijn er, die onder hun met een troonhemel
vergelijkbaar weefsel nog een klein, horizontaal, wielvormig web
vervaardigen en bovendien een klein, klokvormig broeinestje, waarin
het wijfje één of eenige eierenhoopjes bewaakt. Al deze Spinnen zijn
gewoon om, aan de pooten, met naar beneden gekeerden rug, onder haar
net hangend, haar buit af te wachten. De meeste hebben een zeer bol,
bijna kogelvormig achterlijf; de pooten zijn dun en lang; de voorste
steeds de langste.
De Baldakijnspin (Linyphia montana) bewoont zoowel vlakke als
bergachtige streken en wordt, ofschoon zeldzamer dan hare (vooral
op heidegrond levende) verwanten, ook in Nederland in dennebosschen
gevonden. Zij bouwt haar nest in tuinen tegen schuttingen of oude
huizen, in holle wilgen, ook wel in bosschen, maar hier liever tusschen
lage heidestruiken dan in hooger opschietend struikgewas. Oorden,
die gunstig gelegen zijn voor de insectenvangst, vindt men dikwijls
wijd en zijd met nesten overdekt, die niet zelden op verschillende
hoogten zoldersgewijs boven elkander voorkomen; door den morgendauw
bepareld, leveren zij een prachtig schouwspel op. In Juni legt het
wijfje omstreeks 100 eieren in een plat-rond nestje, dat zij onder
boomschors of op een andere beschutte plaats verbergt, met losse draden
overspint en met de bij Spinnen gewone moederliefde bewaakt. In Juni
komen de jongen uit.
De genoemde soort komt in vorm ongeveer met de Oeverspin overeen,
hoewel zij in rust aan hare pooten een geheel andere richting geeft
en veel kleiner is; haar lengte bedraagt 5 à 7 mM. Het kopborststuk
is bruin, aan de zijden met donkerder randen; het achterlijf prijkt
op witten grond met een langwerpig, bruin schild, dat een donkerder,
gehakkelden zoom heeft; de buik is donkerbruin met 4 witte vlekken. De
geelachtige pooten hebben op de dij en de scheen en aan den achtervoet
2 zwartbruine ringen, één bovendien aan de uiteinden der knieën en
aan de leden der overige voeten.
De Omkranste Weefspin (Theridium redimitum), die bij ons vrij algemeen,
vooral in tuinen, voorkomt, wordt hoogstens 5 mM. lang; dit kleine,
vette spinnetje bewoont allerlei laag groeiende kruiden en heesters;
hier spint het (fig. 1) een paar bladen aaneen door onregelmatig
gerichte draden, waaraan de kleine diertjes blijven hangen, die zijn
voedsel uitmaken. De moeder bevestigt het kogelronde, blauwachtige
eierenzakje aan een blad (fig. 2), houdt er naast de wacht, totdat
de jongen zijn uitgekomen en gaat hiermede voort gedurende de
weinige dagen van hun samenwoning. Deze fraaie spinnetjes zijn zeer
veranderlijk van kleur en teekening. In hun prille jeugd doorschijnend
en bijna wit, alleen op den rug van het achterlijf zwart gevlekt;
hebben zij tegen het einde van Juni, in Juli en in Augustus een
bleekgele kleur aangenomen, sommige effenkleurig, andere met een vlek
op 't achterlijf, die zuiver rozerood of gedeeltelijk groenachtig,
kringvormig of ovaal kan zijn. Bovendien zijn de rand en een lijn
over het midden van het kopborststuk, 6 paar ronde stippels op
het achterlijf, de top van de tasters en de scheenen zwart.--Alle
Theridiën verraden in hare bewegingen meer traagheid dan de meeste
andere Spinnen en laten zich gemakkelijk grijpen.
Het beruchtste lid van deze familie is de Zuid-Europeesche Malmignatte
(Latrodectus tredecimguttatus). Sedert 1786 heeft deze fraaie Spin
in Toscane meer algemeen de aandacht getrokken; zij wordt hier,
vooral in Augustus, wegens haar "giftigen" beet gevreesd. In Spanje
werd zij eerst sedert 1830 meer algemeen bekend, omdat zij zich toen
in Catalonië in grooten getale vertoonde; dit geschiedde in 1833
nogmaals en wederom in 1841. Merkwaardigerwijze hebben deze zelfde
jaren een treurige herinnering achtergelaten wegens schade, door de
Sprinkhanenzwermen aangericht. Proefondervindelijk werd aangetoond,
dat alle lichaamsdeelen van de Malmignatte, zelfs de pooten en de
onrijpe eieren, vergiftig zijn. In het jaar 1839 werden door deze Spin
aan den benedenloop van den Wolga 3000 Runderen gedood; in sommige
gewesten van Afrika bezwijken 33 percent van alle Kameelen aan haar
beet. Dat deze ook bij den mensch doodelijke gevolgen kan hebben,
leeren berichten uit Spanje, Italië en Rusland. De Malmignatte is
13 mM. lang, gitzwart van kleur en op het bolvormige, van achteren
eenigszins spits toeloopende achterlijf met 13 bloedroode vlekken van
verschillende grootte en kleur geteekend, waarvan 2 op de buikzijde
voorkomen. Zij houdt zich op tusschen steenen of in uithollingen
van den bodem, waarover zij enkele vangdraden spant, en schiet met
voor niets terugdeinzende stoutmoedigheid toe op de Insecten, die
hierin verward geraken en door haar snel werkend vergif schielijk
overmeesterd worden, zelfs als zij de Spin in grootte aanmerkelijk
overtreffen. Vooral geldt dit van de Sprinkhanen, waarvan zij er vele
verdelgt. Het wijfje omspint hare talrijke eieren (dikwijls meer dan
200) met een bolvormig, naar de eene zijde een weinig spits toeloopend,
stevig hulsel van licht koffiebruine kleur en 13 mM. middellijn.
Algemeen bekend zijn de driehoekige spinnewebben, die in stallen,
schuren, kerken en in alle ruimten van huizen, die niet dikwijls
een schoonmaakbeurt krijgen, de hoeken van muren, vensters, nissen,
enz. ontsieren door hun zwarte kleur, welke een gevolg is van het
stof, dat, er in is blijven hangen. De Huisspin (Tegenaria domestica),
die deze vangwebben vervaardigt, is niet slechts over geheel Europa,
maar ook over Noord-Afrika verbreid, overwintert bij ons op jeugdigen
leeftijd en is gemiddeld in Juni volwassen; het mannetje heeft dan
een lengte van 11, het wijfje van 17 à 19.5 mM. bereikt. De okergele
grondkleur van het lichaam vertoont een bruine teekening. Donkerder
zijn de rand van het kopborststuk, een streep over het midden van het
kopgedeelte en straalsgewijs gerichte lijnen met 3 maanvlekken aan
weerszijden op het borstgedeelte; de roestroode of bruingele streep
over het midden van het achterlijf is aan weerszijden vergezeld door
een reeks van gele vlekken; de dicht bijeengeplaatste, schuinsche
strepen op de zijden zijn bruin. De okergele pooten hebben getakte,
donkere ringen.
Als de Huisspin haar nest begint te bouwen, drukt zij het spinveld
op een afstand van eenige cM. van den hoek tegen den eenen muur,
wandelt naar den anderen, intusschen een draad spinnend, die zij
hier, ongeveer op denzelfden afstand van den hoek als zooeven,
vasthecht, na haar strak gespannen te hebben. Daar zij de buitenste en
belangrijkste draad is, wordt haar dikte achtereenvolgens verdubbeld
en verdrievoudigd. Door het aanhoudend heen-en-weer loopen langs
dit samenstel van 3 draden en de steeds korter wordende, die hieraan
achtereenvolgens verder naar binnen in onderling evenwijdige richting
worden toegevoegd, ontstaat de "ketting", die met de haar kruisende,
als "inslag" dienende dwarsdraden het vangweb vormen, dat in het midden
een weinig hol staat. Hiermede is echter het geheele kunstwerk nog
niet voltooid. Voor zich zelf weeft de Spin nu achter in den hoek een
aan beide einden geopende buis, waaraan, als aan een korten steel,
het vroeger vervaardigde, driehoekige net vastgehecht is. Daar zij
zich bij voorkeur vestigt op plaatsen waar gaten en spleten in den
muur voorkomen, mondt de buis in zulk een gat uit, waarin de Spin
bij naderend gevaar zich verschuilt. In 't voorste gedeelte van deze
buis loert zij op buit; de op het net komende Vlieg of Mug wordt
onmiddellijk gegrepen en naar haar hinderlaag vervoerd, waar zij het
slachtoffer op haar gemak verslindt.
Iedere Spin moet spaarzaam zijn met de stof, waarvan zij haar web
spint, omdat de beschikbare voorraad afhangt van de hoeveelheid
voedsel, die haar ten deel valt, en dus geringer is bij een
uitgehongerd dan bij een goed doorvoed exemplaar; daarom spint zij
niet, wanneer storm of regen haar arbeid onmiddellijk weder kunnen
vernielen en dus nutteloos maken. In verband hiermede zijn de
Spinnen zeer gevoelig voor weersveranderingen. Men heeft ze zelfs
tot het voorspellen van een toekomstige weersgesteldheid in staat
geacht en deze trachten af te leiden uit het werken of rusten,
te voorschijn komen of zich verbergen van de Spinnen, uit haar
houding in het web, uit de meerdere of mindere stevigheid, die zij
geven aan de buitendraden van haar nest, uit het vervaardigen van
nieuwe of het vergrooten van reeds bestaande weefsels, enz. Vooral
op de handelingen van de Kruisspin en de Huisspin heeft men acht
gegeven. Als de Kruisspin eenige van de buitendraden van haar web
verscheurt en vervolgens een schuilplaats opzoekt, als de Huisspin of
een andere Trechterspin, enz. zich diep in haar buisvormige woning
begeeft, wordt in 't eene geval op de ligging der bedoelde draden,
in 't andere op de richting van de spits van het achterlijf gelet en
hieruit afgeleid, dat er weldra een hevige wind uit dien hoek zal
waaien. Wanneer echter de Huisspin de draden van het raam van haar
web herstelt en een afwachtende houding aanneemt, als de Huisspin en
hare verwanten met buitenwaarts gericht kopgedeelte aan den ingang
van haar woning verschijnen en de pooten strekken, alsof zij zich
gereed maken een prooi te bespringen, verwacht men verbetering van
de weersgesteldheid. Tot staving van de bedoelde voorwetenschap der
Spinnen wordt gewoonlijk gewezen op een gebeurtenis, die in het jaar
1794 aan het Fransche leger, dat Holland trachtte te bezetten, de
zege verschafte. De Fransche bevelhebber Pichegru was van oordeel,
dat hij tegen de door onderwaterzettingen beschermde stellingen
van het Hollandsche leger niets zou kunnen uitrichten en stond op
het punt onverrichter zake terug te keeren, toen hij van den te
Utrecht gevangen gehouden generaal-adjudant Quatremère d'Isjonval
het op waarnemingen aan Spinnen gegronde bericht ontving, dat men
binnen 10 dagen op vorst kon rekenen. Pichegru bleef, de voorspelde
weersverandering had plaats en het Fransche leger kon over het
ijs tot Amsterdam doordringen. Nauwgezette onderzoekingen hebben
geleerd, dat men geen staat kan maken op dergelijke voorspellingen,
al komen zij toevalligerwijze een enkele maal uit. Het is mogelijk,
dat de Spin aan verschijnselen, die aan onze zintuigen ontgaan, een
reeds ingetreden verandering van den toestand der atmosfeer opmerkt;
stellig bezit zij echter geen profetische gave, die haar in staat
stelt om dagen van te voren over het komende weer te oordeelen.
Spinrag--vooral dat van de Huisspin, daar dit het gemakkelijkst kan
worden verkregen--behoort ook tot het tallooze heir van middelen, die
tot het bestrijden van ziekteverschijnselen aangewend worden of werden;
naar men beweert, helpt het tegen afwisselende koorts. Algemeener
bekend is de bloedstelpende werking van spinnewebben, die op een wonde
gelegd zijn; niet zelden echter heeft het toepassen van dit middel,
wegens den onvoldoende staat van zuiverheid waarin het verkeerde,
aanleiding gegeven tot verergering van de kwaal. Ook heeft men getracht
spinrag als zijde te verwerken; het ligt echter voor de hand, dat de
productie van een dergelijke, van een roofdier afkomstige grondstof,
nooit voldoende zal kunnen zijn om hierop een voordeel afwerpende
industrie te gronden.
De Gewone Labyrintspin (Agelena labyrinthica) leidt op opene plekken
in bosschen, op weiden en op zonnige berghellingen, die met laag
groeiende planten en struiken begroeid zijn, een soortgelijke
levenswijze als de Huisspin. Zij is nog forscher gebouwd dan deze
(13 à 22 mM. lang), heeft dezelfde gestalte en is op het grijsgele
kopborststuk geteekend met 2 zwartbruine, overlangsche strepen, die
in de nabijheid van de zijoogen spits eindigen. Over het deels grijs,
deels zwart gekleurde achterlijf loopt in 't midden een streep van
roodachtig grijze haren, van waar aan de zijden 5 à 6 schuins naar
voren gerichte strepen uitgaan, die eveneens uit roodachtig grijze
haren bestaan. De heup en de dij zijn geel, de overige leden van
de pooten roodgeel. De oogen, die alle ongeveer gelijke grootte
hebben, zijn gerangschikt als bij de vorige soort; de kruinoogen
zijn echter verder achterwaarts verschoven en nader (bijna zoo dicht
als de voorhoofdsoogen) bij elkander gelegen. Omdat het eindlid van
de bovenste spintepels lang en omhoog gericht is, schijnt het dier
een sterk ontwikkeld staartje te hebben. Bij fraai weer wandelt de
Labyrintspin dikwijls langs de grenzen van haar web, welks wijde
rand door draden van meer dan 30 cM. lengte met de omgeving verbonden
is. Zij beweegt zich flink en is zeer gretig naar buit. Zij verlaat
haar nest niet licht, maar herstelt het telkens weer, zoodra het op
de een of andere plaats beschadigd werd. In Juli en Augustus legt het
wijfje een betrekkelijk gering aantal (60 à 70) groote eieren in een
uit verscheidene lagen bestaande buis, welks buitenste oppervlakte
met aardkluitjes en plantaardige overblijfselen saamgesponnen is. In
de nabijheid van het nest opgehangen, worden de eieren door de moeder
met zorg bewaakt. Deze Spin bewoont een uitgestrekt gebied; men vindt
haar in Engeland, Zweden, Duitschland, Frankrijk, Hongarije en zonder
twijfel ook in Rusland.
De beide genoemde en eenige verwante geslachten worden onder den naam
van Trechterspinners (Ageleninae) tot een onderfamilie vereenigd,
die zich o.a. kenmerkt door het bezit van een bijklauw met 8 à
5 tanden. Een andere afdeeling van de familie der Buisspinners
(Tubitelae) vormen de Zakspinners (Drassinae); deze hebben een rolrond
of langwerpig eivormig achterlijf en korte pooten, waaraan de bijklauw
meestal ontbreekt.
Van geen enkelen Zakspinner biedt de levenswijze zoovele merkwaardige
eigenaardigheden aan als van de Gewone Waterspin (Argyroneta aquatica);
door haar uiterlijk trekt zij volstrekt niet de aandacht. In
tegenstelling van 't geen bij de overige Spinnen als regel geldt,
is het mannetje bij deze soort forscher gebouwd (15 mM. lang) dan
het wijfje (ruim 12 mM. lang). Bij beide heeft het bijna onbehaarde,
roestroodachtige kopborststuk aan de zijden en van achteren een bruine,
om het voorhoofd een zwartbruine tint; van voren is het met 3 zwarte,
overlangsche strepen, van achteren met zwarte stralen geteekend. Het
olijfbruine achterlijf is met een teer waas van witachtig grijze,
fluweelachtige haren bedekt, waarop 2 reeksen van putjes in 't
oog vallen.
Deze Spin leeft bijna voortdurend in 't water en ademt door longen
en tracheën te gelijk. Op haar uiterlijk afgaande, zou men haar
licht kunnen verwarren met andere soorten van Spinnen, van welke zij
zich echter aanmerkelijk onderscheidt door haar levenswijze. Zij
bewoont stilstaand of langzaam stroomend water, dat rijk is aan
Mijten en kleine Insecten, aan eendenkroos en verschillende andere
waterplanten; hier zwemt zij en bouwt er haar nest. Zij kan echter
gedurende korten tijd buiten haar element leven. De zwemmende Spin
levert een verrassend schouwspel op, daar haar achterlijf omgeven is
door een dunne luchtlaag, die als een druppel kwikzilver glinstert
(haar geslachtsnaam beteekent "met zilver omspannen"). Deze luchtlaag
verraadt de aanwezigheid van het diertje, dat anders wegens zijn
kleinheid licht onopgemerkt zou blijven; zij wordt niet alleen door
de fluweelachtige beharing vastgehouden, die het natworden van de
huid verhindert, maar bovendien door een soort van vernis van het
omgevende water gescheiden.
Wanneer deze kleine duikkunstenares een nest wil bouwen, begeeft zij
zich naar den waterspiegel en steekt, op den kop staande, met naar
boven gerichten buik, de spits van haar achterlijf boven de oppervlakte
in de lucht, spreidt de spintepels uit en daalt schielijk weer in 't
water af. Zoodoende neemt zij, zonder dat het zilveren omhulsel van het
achterlijf er bij te pas komt, een meer of minder groote, aan de spits
van 't lichaam hangende luchtbel mede. Deze wordt zwemmend vervoerd
naar de waterplant, die bij een vroeger bezoek geschikt werd geoordeeld
voor 't bouwen van een woning en hier vastgehecht. Dit vereischt
natuurlijk het gebruik van spinstof, die, uit de spintepels ontwijkend,
als een soort van vernis, dat met de achterpooten wordt uitgestreken,
de lucht van het water scheidt, daar deze anders onmiddellijk weer
naar boven zou stijgen. Opnieuw gaat zij een luchtbel halen, die
na doelmatige vergrooting van het reeds aanwezige spinsel met de
eerste samenvloeit; deze arbeid wordt voortgezet, totdat de kleine,
met de opening naar beneden gerichte duikerklok ongeveer de grootte
van een walnoot bereikt heeft. Verscheidene draden moeten natuurlijk
gedurende het bouwen gespannen worden om aan het nest de vereischte
stevigheid te verschaffen. Andere, die rondom den ingang zich in alle
richtingen uitspreiden, dienen als valstrikken voor den zwemmenden
buit. Indien de Spin hare slachtoffers afwachtte, zou zij menigmaal
honger moeten lijden; zij gaat ze echter ook wel opzoeken en houdt zich
niet strikt aan één bepaalde wijze van jagen gelijk hare verwanten,
die in de lucht vangwebben hebben. Zoodra zij een prooi gegrepen heeft,
kruipt zij bij den eersten den besten stengel omhoog en verslindt het
lekkere hapje in de lucht; soms kiest zij tot eetzaal haar duikerklok,
of hangt hierin het overschot voor toekomstig gebruik op, zoodra haar
honger gestild is. In de gevangenschap bevestigt de Waterspin haar
duikerklok ook wel aan den wand van het glas, waarin zij leeft.
Het wijfje legt eieren in een luchtbel, die, met een dubbele laag
spinsel omkleed en tot een min of meer platbol zakje vervormd, aan een
waterplant of in de duikerklok opgehangen en zorgvuldig bewaakt wordt.
De duikerklok dient ook tot winterkwartier. Bij voorkeur overwintert
de Waterspin echter in een ledig slakkenhuis, welks mond zij met
een kunstvol weefsel afsluit. Naar het schijnt, komt onze soort
hoofdzakelijk in Noord- en Midden-Europa voor; reeds in het noorden
van Frankrijk is zij zeldzaam; in het zuiden vindt men haar niet.
Een groot aantal over verschillende geslachten verdeelde Zakspinnen
leven verborgen onder steenen, in mos, in spleten van muren en rotsen
en achter schorsschilfers van oude boomen. Op de laatstgenoemde plaats
merkt men dikwijls wit zijden lichaampjes op, die op hemdsknoopjes
gelijken, in 't midden een weinig uitpuilen en een vlakken rand hebben;
verscheidene soorten van Zakspinnen maken zulke eiernestjes; hun
platte zijde is vastgekleefd aan de binnenzijde van de schorsschilfers
of tegen den ontschorsten stam; ook vindt men ze wel in opgerolde
bladen. Een van de meest verbreide soorten dezer afdeeling, de
Atlasspin (Clubiona holosericea), wordt, behalve in tuinen, waar zij
de genoemde schuilhoeken bewoont, niet zelden ook in huizen gevonden.
De Buisspinners i.e.z. (Dysderinae) weven onder steenen, in spleten,
rietstengels, enz. buizen van dichte zijde en onderscheiden zich
door het bezit van niet meer dan 6 oogen, van een rolrond, op korte,
maar krachtige pooten rustend lichaam en van een bijklauw met slechts
één tand.
Zeer algemeen vindt men onder steenen, boomschors of mos, in gaten
van muren, in kelders en in stroodaken de 10 à 11 mM. lange Kelderspin
(Segestria senoculata); zij bewoont een middelmatig lange, witte, aan
weerszijden geopende buis, van waar zij in verschillende richtingen
draden spant om Insecten te vangen. Aan den ingang dezer buis zit
zij op de loer, houdt de 6 voorste pooten naar voren gericht en het
lichaam tegen den wand gedrukt. Het in de vangdraden verschijnende
slachtoffer wordt onmiddellijk gegrepen en medegenomen naar het
achterste deel van de buis. Koen en behendig valt zij Insecten aan,
die haar door grootte en kracht verre overtreffen; zelfs voor Wespen,
die door de meeste andere Spinnen gevreesd worden, deinst zij niet
terug. In het midden van den zomer verlaten de jongen het nagenoeg
bolvormige eierenzakje en houden zich aanvankelijk in het nest van
de moeder op. De Kelderspin heeft een betrekkelijk slanke gedaante;
het langwerpig eivormige, glanzig zwartbruine kopborststuk is bijna
dubbel zoo lang als breed; het bruinachtig gele achterlijf is behaard
en op den rug met een reeks van 6 donkerbruine vlekken getooid.--Een
van hare naaste verwanten is de op Cuba onder steenen levende Nops
Guanabacoae, die door het bezit van slechts 2 oogen een merkwaardige
uitzondering vormt op den voor alle overige Spinnen geldenden regel.
Onder den naam van Krabspinnen (Laterigradae, Thomisidae) vereenigt men
een vrij groot aantal door levenswijze en lichaamsvorm merkwaardige
soorten, die vooral in Europa en Noord-Amerika voorkomen, zonder in
de overige werelddeelen geheel te ontbreken. Duidelijk herinneren
haar gestalte en beweging aan die der Kortstaartige Kreeften of
Krabben. Zij strekken n.l. hare pooten, waarvan de beide achterste
paren aanmerkelijk korter zijn dan de beide voorste, ver zijwaarts,
drukken deze ledematen en het platte lichaam stevig tegen het voorwerp,
waarop zij zich bevinden en verplaatsen zich met even groot gemak
voor-, achter- en zijwaarts, kortom in iedere gewenschte richting. Men
ziet ze, loerend op buit, rondloopen op boomstammen en bladen, vooral
echter op bloemen, die druk bezocht worden door Insecten. Gewoonlijk
spinnen zij slechts enkele draden, voornamelijk tot regeling harer
bewegingen, o.a. om zich er aan te laten zakken. In den tijd van 't
eierenleggen vestigen verscheidene soorten zich tusschen saamgesponnen
bladen of in bloeiwijzen van schermbloemigen, duizendblad (Achillea) en
andere planten, die zij van binnen met een meer of minder dicht weefsel
bekleeden; andere zoeken een schuilplaats onder steenen of achter
schorsschilfers; hier leggen zij hare platte of ronde eierenzakjes
neder, die met de gewone moederlijke zorgvuldigheid bewaard worden.
Als voorbeeld zullen wij de Rondzwervende Krabspin [Thomisus (Xysticus)
viaticus] beschrijven; daar zij in vele kleurverscheidenheden
voorkomt, kan van kleur en teekening niet veel anders gezegd worden,
dan dat geelachtig bruin de overhand heeft, niet zelden tot vuilwit
verhelderd of tot bruin verduisterd. Op den rug van het voorborststuk
zijn de rand en een gaffelvormige figuur het helderst; ook op den
rug van het achterlijf ziet men een lichtere figuur, die zijwaartsche
vertakkingen heeft. Het nauwelijks 4.5 mM. lange mannetje is over 't
algemeen donkerder van kleur en scherper geteekend dan het 7 mM. lange
wijfje, dat ook kenbaar is aan de aanmerkelijk grootere breedte van
het achterlijf. Deze soort komt van Zweden af in geheel Europa en ook
in Egypte voor; zij is eer traag dan vlug van beweging. Bij voorkeur
houdt zij zich op tusschen bladen, die zij met eenige draden omspint;
hier worden in Mei of in het begin van Juni de eieren gelegd. Deze zijn
besloten in een goed gevuld, afgerond zakje, dat door het wijfje met
zooveel ijver bewaakt wordt, dat zij zich zelfs door aanraking niet
laat verdrijven. De ontwikkeling der jongen schijnt zeer ongelijkmatig
plaats te hebben. In den herfst ziet men ze in verschillende grootten;
vele vliegen dan met behulp van spinragdraden door de lucht.
Het verschijnsel, dat door den naam "herfstdraden" wordt aangeduid,
heeft men sinds lang gekend, maar dikwijls verkeerd beoordeeld [1].
Ontelbare, ragfijne draden, glinsterend als zilver en door de
aanhangende dauwdruppels als met edelgesteenten bezet, tooien op
een zonnigen herfstmorgen de stoppelvelden en weiden, bedekken de
struiken en heggen, hangen als lange wimpels aan boomen en andere hooge
voorwerpen, vliegen als witte vlokken door de zwak bewogen lucht en
steken scherp af bij den donkerblauwen hemel. Alleen bij zeer fraai,
bestendig weder wordt dit verschijnsel waargenomen. De herfstdraden
wijzen den weg aan, die door ontelbare spinnetjes gevolgd werd en
hebben in 't geheel niet ten doel Insecten te vangen. Zij worden
vervaardigd door Spinnen, die geen vangwebben maken, maar loopend
of springend haar prooi bemachtigen. Dit doen, behalve een aantal
met de Kruisnetspinners vereenigde soorten (Pachygnathinae), vooral
de Krabspinnen, Wolfspinnen en Springspinnen; de 3 laatstgenoemde
familiën worden daarom onder den naam van Jachtspinnen (Vagabundae)
samengevat. Deze Spinnen trekken vooral in den herfst de aandacht,
omdat haar ontwikkeling dan eerst ver genoeg is voortgeschreden om haar
te veroorlooven andere gewesten op te zoeken. De plaatsen, waar zij
geboren zijn en tot dusver vertoefden, de waterkanten en moerassige
oorden, die gedurende het gunstige seizoen wemelen van Muggen en
andere Insecten, waarvan de larven in 't water leven, verschaffen in
't najaar aan de intusschen sterk toegenomen spinnenbevolking niet
genoeg voedsel meer. De nood dringt haar zich te verspreiden. Bovendien
wordt het allengs tijd uit te zien naar geschikte winterverblijven,
die in de streken, welke zij gedurende den zomer bewonen, niet in
voldoende getale te vinden zijn. Alleen bij mooi weder merkt men
hare draden op, omdat geen enkel lid der geheele orde bij ongunstige
weersgesteldheid spint.
Daar de Spinnen de vleugels van de trekkende Insecten missen en de
reis te voet te lang zou duren, gebruiken zij hare draden op zeer
eigenaardige wijze als middelen om door de lucht te zeilen. Gedurende
het rondloopen worden altijd eenige draden gesponnen, die zich aan den
weg hechten en aan de Spin steun verschaffen. Zoodra zij lust heeft
om een luchtreis te maken, hecht zij ergens een draad vast, maakt een
geringe wending zijwaarts en gaat een weinig vooruit, licht bovendien
de spits van het achterlijf hoog op in een richting, tegengesteld
aan die van de heerschende luchtstrooming en blijft vervolgens, met
stijf gestrekte pooten, het lichaam zoo hoog mogelijk opheffend,
stil staan. De draad, die lusvormig het spinveld met een naast
haar standplaats gelegen punt verbindt, wordt door den luchtstroom
gevat en hoe langer hoe verder uitgetrokken. Terby zag binnenshuis,
eerst toen hij begon te blazen, de Spin het achterlijf opheffen en
een draad voortbrengen, die zich in de richting van den luchtstroom
verlengde, zoolang het blazen voortduurde, en dezelfde lengte behield,
toen het blazen gestaakt werd; na 10 seconden was de draad ongeveer 2
M. lang. Het is, alsof het dier een draad uitschiet; het bijt haar bij
de plaats van aanhechting af, zoodra de lengte 2 of 3 M. bedraagt, heft
de pooten op boven het ondersteuningsvlak, legt ze in gebogen toestand
tegen het lichaam aan en wordt nu door de opstijgende luchtstrooming,
die overal aanwezig is, waar de zon vaste voorwerpen verwarmt, aan den
draad hangend, medegevoerd. Op eenigen afstand van den grond, waar de
horizontale luchtstroom de overhand heeft, neemt de draad een minder
steile richting aan. Soms duurt de reis niet lang, daar de draad aan
het een of ander voorwerp blijft hangen; soms echter wordt op deze
wijze een zeer groote weg afgelegd. Darwin zag, op een afstand van
60 zeemijlen van de kust, duizenden kleine, roodachtige spinnetjes
aan draden vliegend, op zijn schip aankomen. Deze behoeven echter
niet de reis voort te zetten, totdat de opstijgende luchtstroom en de
wind hun werking staken, maar kunnen, door een zeer eenvoudig middel
toe te passen, zelf het eindpunt van den tocht bepalen: zij hebben
daartoe slechts bij haar draad op te klimmen en deze met de pooten
tot een kluwentje op te wikkelen; zoodoende komen zij langzamerhand,
op soortgelijke wijze als de luchtreiziger in een valscherm, op de
aardoppervlakte terug. De vlokken vallen soms in opmerkelijk groote
menigte uit de lucht; niet zelden vindt men er nog een spinnetje op.
Hoe bekoorlijk het uitzicht ook moge zijn, dat de weiden verkrijgen
door het van de Spinnen afkomstig, gazen kleed, waarin dikke
dauwdruppels in de morgenzon schitteren, lastig is het voor den
boer, die er het gras moet afmaaien om er hooi van te maken, daar
dit zoo sterk met vocht doordrongen is, dat het over dag niet droog
wordt. Hierdoor richten de overigens voor den landman zoo nuttige
Spinnen, die de veldvruchten van zoo menig schadelijk Insect bevrijden,
op sommige plaatsen schade aan. In de lente, als de Spinnen hare
winterkwartieren verlaten, herhaalt zich het verschijnsel, dat men
in den herfst te zien kreeg, nu echter op veel kleiner schaal. Men
heeft dit niet slechts in onze streken, maar ook in Paraguay en
stellig ook in vele andere landen opgemerkt. De Duitschers noemen deze
"lentedraden" "Mädchensommer" (Meisjeszomer), in tegenstelling met de
herfstdraden, die bij hen als "Altenweibersommer" (Oudevrouwenzomer)
bekend zijn.
Nog meer luchtreizigers dan in de vorige familie vindt men in die
der Wolfspinnen of Jachtspinnen i.e.z. (Lycosidae), waarvan enkele
soorten door haar aanzienlijke grootte in de gematigde luchtstreek
de Boschspinnen der keerkringslanden vervangen. Het uitzicht, de
grootte en de woeste bewegingen dezer snel loopende, langpootige,
over alle werelddeelen verbreide dieren, hun onverwachte verschijning
en even plotselinge vlucht na het toevallig openen van een hunner
schuilplaatsen, b.v. na het optillen van een steen, maken hen meer
dan de meeste andere Spinnen geschikt om aanleiding te geven tot
het vooroordeel, dat de geheele orde uit afschuwwekkende wezens
zou bestaan.
Vele Wolfspinnen bewonen gaten in den grond, welker wanden zij met
haar spinsel bekleeden. Sommige voeren haar eierenzakje aan den
buik mede of zitten er op, als om te broeden; door andere wordt
het aan dennenaalden of aan lagere planten bevestigd, zoodat het
aan een sierlijk vrachtje herinnert (fig 1); nog andere handelen op
soortgelijke wijze, hoewel haar nestje een minder regelmatigen vorm
en door de zand- en leemkorrels, die er aan kleven, niet zulk een
schitterend witte kleur vertoont.
De Wolfspinnen zijn kenbaar aan eenige zeer in 't oog loopende
eigenaardigheden. Het kopborststuk is sterk naar voren versmald en
verheft zich in het midden tot een stompe, overlangsche kiel. De
oogen zijn op 3 rijen geplaatst: vier kleine vooraan, dicht bijeen,
op een meestal rechte lijn, twee aanmerkelijk grootere hierachter op
korten afstand van elkander, de beide laatste eveneens groot, nog
verder achteruit en door een groote tusschenruimte gescheiden. De
pooten zijn slank, die van het laatste paar langer dan alle overige.
Verscheidene Wolfspinnen vertoeven bij voorkeur op vochtige en
moerassige plaatsen, loopen bij het vervolgen van haar buit soms ook
eenigen tijd op den waterspiegel, maar duiken niet; men merkt dit
o.a. op van de Gerande Jachtspin (Dolomedes fimbriata, fig. 3).
De meest verbreide soort is de Zakspin (Pardosa saccata), die gedurende
haar jeugd luchtreizen onderneemt en een van de eerste Gelede Dieren
is, die in 't begin van 't volgende jaar, uit den winterslaap
ontwakend, op zonnige plaatsen verschijnen. Reeds in de tweede
helft van Mei ziet men het wijfje met een eenigszins platgedrukten
eierenzak aan den buik tusschen droge bladen rondloopen. Hier blijven
hare jongen nog geruimen tijd; ook ziet men ze wel op het lichaam
van hun moeder rondkruipen. Deze soort is hoogstens 6.5 mM. lang,
bruingrijs, met een geelachtige, overlangsche vlek op den rug van het
achterlijf en bruinachtig gele, zwart geringde pooten. Verscheidene,
door uiterlijk en levenswijze op de vorige gelijkende soorten (Pardosa
montana, arenaria, enz.) ontmoet men zoowel op vochtige als op droge
en zonnige plaatsen.
Zonder twijfel heeft men over den vergiftigen beet van geen enkele Spin
zooveel beweging gemaakt, zoovele fabelen in omloop gebracht, als over
die van de Tarantel (de Tarantola der Italianen). Verscheidene Spinnen
van het geslacht Lycosa dragen dezen naam, die oorspronkelijk gegeven
werd aan een vooral bij Tarente (Taranto) levende Spin, welker beet
als de oorzaak van allerlei hoogst zonderlinge ziekteverschijnselen
werd beschouwd. Aldrovandi, die in zijn "Natuurlijke Geschiedenis
van de Insecten" (1602) alles heeft verzameld, wat vóór hem over de
Gelede Dieren te boek gesteld was, geeft een uitvoerige beschrijving
van de werking van het Tarantelgif en van de middelen om haar tegen
te gaan. Een ziekte, die de lijders tot allerlei ten deele zeer
kinderlijke en dwaze gebaren noopte, werd, volgens hem, aan den beet
van de Tarantel toegeschreven. De hierdoor aangetaste personen werden
"Tarantulati" genoemd. Sommige zongen aanhoudend, andere dansten,
lachten, weenden of jammerden. Velen werden door slapeloosheid
gekweld, anderen daarentegen door slaapzucht. Bij de meesten merkte
men brakingen op, bij velen een overvloedige zweetuitscheiding, bij
vele anderen rillingen of hartkloppingen. Tal van andere stoornissen
kwamen voor, o.a. hadden sommige patiënten hinder van het kijken naar
blauwe en zwarte voorwerpen, terwijl daarentegen het zien van de roode
en de groene kleur hen verblijdde. Om de "Tarantulati" te genezen,
speelde men hen op het een of ander muziekinstrument twee dansmelodiën
voor, de "Pastorale" en de "Tarantola", die door de schrijvers over
deze ziekte zoo nauwkeurig mogelijk worden weergegeven. De lijder
begint te dansen, totdat hij, sterk zweetend en volkomen uitgeput,
ter aarde stort. Men legt hem te bed en laat hem uitslapen; bij zijn
ontwaken is hij geheel genezen en weet zich niets meer te herinneren
van hetgeen er met hem heeft plaats gehad. Er komen echter ook
herhalingen van de ziekte voor, die zich over een tijdperk van 20 of
30 jaren of zelfs over den geheelen levensduur van den lijder kunnen
uitstrekken.--Deze en dergelijke dwaasheden vonden nog in een deel van
onze eeuw niet slechts bij het groote publiek, maar ook bij enkele
door en door geleerde geneeskundigen geloof; zij hadden echter ook
het gunstige gevolg, dat vele verstandigere menschen zich de moeite
gaven het fabelachtige dier nader te leeren kennen, waardoor het
weldra bleek, dat de vergiftige werking van zijn beet zeer overdreven
was voorgesteld. Zoo wist o.a. een Poolsch edelman tegen het einde
van de vorige eeuw een Napolitaan door een geschenk over te halen
om zich in zijn tegenwoordigheid door een Tarantel in den vinger te
laten bijten. Hoewel dit een ontsteking van de hand ten gevolge had,
waarbij de vingers opzwollen en hevig jeukten, was de zieke spoedig
volkomen hersteld. Tot geheel andere inzichten over de hierboven
bedoelde, gedurende den zomer heerschende ziekte, die "Tarantel-dans"
heet en waarvan reeds in berichten uit de 15e eeuw melding wordt
gemaakt, hebben nauwgezette onderzoekingen over den "Zomerdans in
de Middeleeuwen" geleid. Hieruit is gebleken, dat in verscheidene
landen (Denemarken, Zweden, Engeland, Frankrijk, Duitschland)
ziekteverschijnselen voorkomen, die volkomen overeenstemmen met
de Tarantel-dans der Italianen. Herhaaldelijk is het geschied, dat
vele personen, jonge lieden en ouden van dagen, mannen en vrouwen,
gelijktijdig aangetast werden, huis en hof verlieten en dansend van
de eene stad naar de andere trokken.
De soortnaam Tarantula, die door Linnaeus aan de Apulische Tarantel
werd gegeven, dient tegenwoordig tot aanduiding van een geslacht,
waarin men een aantal Wolfspinnen samenvat, die zich vooral door
een eenigszins andere rangschikking van de oogen van hare verwanten
onderscheiden. Het wijfje draagt het kleine, bolronde eierenzakje aan
de spintepels. De Tarantels houden van droge, zonnige plaatsen. De
soort--Apulische Tarantel (Tarantula Apuliae)--komt niet slechts
in Apulië voor, waar men haar in de omstreken van Tarente en Napels
veelvuldig aantreft, maar ook in andere deelen van Italië, in Spanje en
Portugal. Het achterlijf is reekleurig met eenige zwarte, roodachtig
wit gezoomde dwarsstrepen op den rug en een zwarte streep over het
midden van den buik. De lichte gedeelten van het overigens zwarte
kopborststuk hebben eveneens een roodachtige kleur. Het wijfje kan 37
mM. lang worden. Deze spin graaft op zonnige, onbebouwde hellingen
een gat in den grond, dat over een afstand van ongeveer 30 cM. een
vertikale richting heeft, een korte wending maakt en vervolgens over
een nagenoeg gelijke lengte verder in de diepte doordringt. De ingang
van dit hol is achter een wal van saamgesponnen gras en droge bladen
verborgen. Over dag verlaat de Spin niet licht haar nest; eerst na
zonsondergang gaat zij aan den ingang op de loer liggen; als de nacht
aanbreekt, zwerft zij in de buurt van haar woning jagend rond. Met het
gevangen Insect begeeft zij zich binnenshuis en verslindt het hier op
haar gemak; de naar buiten geworpen, oneetbare deelen omzoomen dikwijls
den ingang. De jongen komen in Augustus en September uit; men ziet
ze beurtelings op den rug van de moeder klauteren en hier rondloopen;
evenals de volwassen Spin, gebruiken zij 's winters geen voedsel.
Het ontbreken van den klauw aan de tasters van het wijfje en van
den bijklauw aan de voeten, welker ware klauwen slank en met korte
kamtanden uitgerust, de buitenste soms zelfs tandeloos en met bundels
van veervormige haren bezet zijn, het vermogen om te springen en de
eigenaardige verhouding tusschen de grootte der oogen, zijn kenmerken
van de familie der Spring- of Tijgerspinnen (Saltigradae, Attidae). De
4 oogen van de voorste rij, vooral de beide middelste zijn zeer groot,
de buitenste voorhoofdsoogen en de achterste kruinoogen komen door
hun grootte en, behoudens enkele uitzonderingen (Salticus), ook door
hun onderlingen afstand overeen; met deze zijn de tusschenliggende,
buitengewoon kleine zijoogen bijna op een rechte lijn gelegen. Deze
voor 't meerendeel kleine, niet zelden fraai bont gevlekte Spinnen
hechten haar ei- of bolvormig eierenzakje aan planten of aan steenen.
Reeds in de eerste lentedagen ziet men op zonnige muren, schuttingen,
vensters, enz. de Harlekijnspin [Salticus (Epiblemum) scenicus]
verschijnen. Zoekend loopt zij heen en weer, in de hoop een Vlieg
of een Mug te vangen. Terwijl zij naderbij sluipt, tot één sprong
voldoende is om op den rug van haar prooi neer te komen, spint zij
een draad, die haar bij een mogelijken val kan dragen. De Vlieg,
die na één of twee beten buiten staat is om weerstand te bieden,
wordt medegenomen naar omlaag. Terwijl de Spin, haar prooi voor zich
houdend, deze uitzuigt, ontwijkt zij voorzichtig iederen in haar
nabijheid komenden rustverstoorder, keert zich nu eens naar rechts,
dan weer naar links, of zoekt, zoo noodig, een andere rustplaats op.
Dit fraaie diertje is op eenigszins veranderlijke wijze geteekend;
gewoonlijk vormen zuiver witte haartjes op het overigens zwarte
kopborststuk een breede zijdestreep, voorts een groote plek op 't
midden van den rug, die van achteren in een gaffel eindigt, maar ook
tot een kruis verbreed kan zijn. De fluweelachtig bruine of glanzig
zwarte rugzijde van het achterlijf draagt 4 witte, boogvormige vlekken,
de beide middelste zijn in 't midden afgebroken en gelijken hierdoor
meer op schuinsche strepen; niet zelden komen daartusschen bovendien
kleine, geelachtige hoekvlekken voor. Op den buik heeft grijswit,
op de witharige borst zwart de overhand; de bruinachtige pooten zijn
op het midden van de dij wit geschubd.