VIJFDE ORDE.

DE BASTAARDSPINNEN (Opiliones).

De tot dusver besprokene Spinachtigen komen alleen den bewoner van

Zuid-Europa en van andere warme landen onder de oogen, en dan nog

slechts bij uitzondering en bij toeval, daar zij nachtwandelaars

zijn. De Bastaardspinnen (Phalangina of Opiliones) leiden een minder

verborgen leven en zijn over den gematigden aardgordel en geheel

Amerika verbreid. De buitengewoon lang- en dunpootige dieren, die bij

ons, zoowel als in noordelijker en zuidelijker deelen van Europa hun

klein, eivormig lichaam zwevend houden, wanneer zij een boomstam of een

muur bestijgen, of over den bodem loopen, daarentegen bij het rusten op

den buik liggen en de pooten ver uitstrekken, zijn aan iedereen onder

den naam van Hooiwagens bekend. Liefhebbers van een vreemdsoortige

versnapering zeggen, dat de romp van deze diertjes zoo zoet smaakt als

een hazelnoot. Bij het vangen van dit wild zijn zij in de gelegenheid

om op te merken, hoe licht de dunne pooten van de vleezige heup los

geraken en hoe zij uren lang voortgaan met krampachtige bewegingen

te maken, als waren zij nog in leven. In donkere hoeken van huizen,

maar ook in de vrije natuur overal, niet uitsluitend op zeer verborgen

plaatsen, ziet men deze dieren over dag rusten, of nu en dan traag

van plaats veranderen, als liepen zij op stelten. Zoodra de nacht

begint, ontwaken zij uit haar droomenden toestand; dartel stoeiend,

trachten zij elkander een beentje te lichten; de lange pooten geraken

verward; de eigenaars van deze lichaamsdeelen behouden met moeite het

evenwicht en hun plaats. Intusschen worden meer ernstige bezigheden

niet verzuimd. Als een Kat bespringt de Hooiwagen zijn buit, die uit

kleine Insecten en Spinnen bestaat.

De Hooiwagens (Phalangidae), waarvan men ongeveer 100 soorten

onderscheidt, die bijna alle de Oude Wereld bewonen, stemmen in

de volgende opzichten overeen. Het dikke, eivormige lichaam is

straalsgewijs door de lange pooten omgeven. Nagenoeg op 't midden

van het kopborststuk staan de beide oogen; het bolle achterlijf is

(niet altijd duidelijk) in 6 ringen verdeeld. Twee ademgaten onder

de heupen van de achterpooten stellen het tracheeënstelsel, waardoor

de ademhaling geschiedt, met de buitenwereld in gemeenschap. De

3-ledige kaaksprieten zijn naar beneden gericht; hunne beide

laatste leden vormen een kleine schaar. De kaaktasters bestaan uit

6 draadvormige leden en eindigen in den regel in één fijnen klauw,

evenals de beide pootvormige kaken, die overigens weinig verschillen

van de 3 paar volgende, tweeklauwige ledematen. Bij geen der overige

Arthropoden vindt men pooten van zulk een lengte. De koude schijnt

de Hooiwagens weinig te deren; zelfs op hooge bergen komen zij voor:

de Gletscher-hooiwagen (Opilio glacialis) wordt in de Zwitsersche

Alpen nog op een hoogte van 3344 M. gevonden.

De meest algemeen verbreide soort, de Gewone Hooiwagen (Opilio

parietinum, fig. 4), is op de heup, de dij en het kopborststuk

met fijne doorntjes bezet. De lichtbruinachtige rugzijde vertoont

een nagenoeg ruitvormige, zwartbruine teekening; de buikzijde is

witachtig. Het lichaam wordt 8 à 10 mM. lang. Zeer gretig heeft men

deze Spin de wijfjes van de Roodbruine Sparrelootgallen-bladluis

(Chermes coccineus, C. strobilobius) zien grijpen; zij perste hare

slachtoffers de eieren uit het lichaam en vrat deze op, waarna zij

de overige, hardere deelen liet liggen. Naar het schijnt, duurt de

ontwikkeling van deze soort 3 jaren, waarin verscheidene vervellingen

voorkomen.

Behalve de Hooiwagens onderscheidt men nog een zestal andere familiën

(met 150 soorten) van Bastaardspinnen. De zonderlingste vormen

treft men aan in het Zuid-Amerikaansche geslacht Gonyleptes. Het

achterlijf is bij deze zoo goed als geheel onder het stevig gepantserde

kopborststuk verborgen. Daarachter steken de ver uiteenwijkende,

breede en zeer lange achterpooten uit, die een bijzonder dikke heup

hebben en met krachtige doornen gewapend zijn. Alleen de mannetjes

vertoonen deze afwijkingen; bij de wijfjes is achter het rugschild van

't kopborststuk een deel van het achterlijf zichtbaar. De bruinroode

Gonyleptes curvipes bewoont Brazilië en Chili en blijft over dag

verscholen achter boomschors, onder omgehouwen boomstammen, in gaten

van den grond en dergelijke schuilhoeken, waar andere duisterlingen

haar tot voedsel dienen.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen · 第 8 / 27 题