DE BASTAARDSPINNEN (Opiliones).
De tot dusver besprokene Spinachtigen komen alleen den bewoner van
Zuid-Europa en van andere warme landen onder de oogen, en dan nog
slechts bij uitzondering en bij toeval, daar zij nachtwandelaars
zijn. De Bastaardspinnen (Phalangina of Opiliones) leiden een minder
verborgen leven en zijn over den gematigden aardgordel en geheel
Amerika verbreid. De buitengewoon lang- en dunpootige dieren, die bij
ons, zoowel als in noordelijker en zuidelijker deelen van Europa hun
klein, eivormig lichaam zwevend houden, wanneer zij een boomstam of een
muur bestijgen, of over den bodem loopen, daarentegen bij het rusten op
den buik liggen en de pooten ver uitstrekken, zijn aan iedereen onder
den naam van Hooiwagens bekend. Liefhebbers van een vreemdsoortige
versnapering zeggen, dat de romp van deze diertjes zoo zoet smaakt als
een hazelnoot. Bij het vangen van dit wild zijn zij in de gelegenheid
om op te merken, hoe licht de dunne pooten van de vleezige heup los
geraken en hoe zij uren lang voortgaan met krampachtige bewegingen
te maken, als waren zij nog in leven. In donkere hoeken van huizen,
maar ook in de vrije natuur overal, niet uitsluitend op zeer verborgen
plaatsen, ziet men deze dieren over dag rusten, of nu en dan traag
van plaats veranderen, als liepen zij op stelten. Zoodra de nacht
begint, ontwaken zij uit haar droomenden toestand; dartel stoeiend,
trachten zij elkander een beentje te lichten; de lange pooten geraken
verward; de eigenaars van deze lichaamsdeelen behouden met moeite het
evenwicht en hun plaats. Intusschen worden meer ernstige bezigheden
niet verzuimd. Als een Kat bespringt de Hooiwagen zijn buit, die uit
kleine Insecten en Spinnen bestaat.
De Hooiwagens (Phalangidae), waarvan men ongeveer 100 soorten
onderscheidt, die bijna alle de Oude Wereld bewonen, stemmen in
de volgende opzichten overeen. Het dikke, eivormige lichaam is
straalsgewijs door de lange pooten omgeven. Nagenoeg op 't midden
van het kopborststuk staan de beide oogen; het bolle achterlijf is
(niet altijd duidelijk) in 6 ringen verdeeld. Twee ademgaten onder
de heupen van de achterpooten stellen het tracheeënstelsel, waardoor
de ademhaling geschiedt, met de buitenwereld in gemeenschap. De
3-ledige kaaksprieten zijn naar beneden gericht; hunne beide
laatste leden vormen een kleine schaar. De kaaktasters bestaan uit
6 draadvormige leden en eindigen in den regel in één fijnen klauw,
evenals de beide pootvormige kaken, die overigens weinig verschillen
van de 3 paar volgende, tweeklauwige ledematen. Bij geen der overige
Arthropoden vindt men pooten van zulk een lengte. De koude schijnt
de Hooiwagens weinig te deren; zelfs op hooge bergen komen zij voor:
de Gletscher-hooiwagen (Opilio glacialis) wordt in de Zwitsersche
Alpen nog op een hoogte van 3344 M. gevonden.
De meest algemeen verbreide soort, de Gewone Hooiwagen (Opilio
parietinum, fig. 4), is op de heup, de dij en het kopborststuk
met fijne doorntjes bezet. De lichtbruinachtige rugzijde vertoont
een nagenoeg ruitvormige, zwartbruine teekening; de buikzijde is
witachtig. Het lichaam wordt 8 à 10 mM. lang. Zeer gretig heeft men
deze Spin de wijfjes van de Roodbruine Sparrelootgallen-bladluis
(Chermes coccineus, C. strobilobius) zien grijpen; zij perste hare
slachtoffers de eieren uit het lichaam en vrat deze op, waarna zij
de overige, hardere deelen liet liggen. Naar het schijnt, duurt de
ontwikkeling van deze soort 3 jaren, waarin verscheidene vervellingen
voorkomen.
Behalve de Hooiwagens onderscheidt men nog een zestal andere familiën
(met 150 soorten) van Bastaardspinnen. De zonderlingste vormen
treft men aan in het Zuid-Amerikaansche geslacht Gonyleptes. Het
achterlijf is bij deze zoo goed als geheel onder het stevig gepantserde
kopborststuk verborgen. Daarachter steken de ver uiteenwijkende,
breede en zeer lange achterpooten uit, die een bijzonder dikke heup
hebben en met krachtige doornen gewapend zijn. Alleen de mannetjes
vertoonen deze afwijkingen; bij de wijfjes is achter het rugschild van
't kopborststuk een deel van het achterlijf zichtbaar. De bruinroode
Gonyleptes curvipes bewoont Brazilië en Chili en blijft over dag
verscholen achter boomschors, onder omgehouwen boomstammen, in gaten
van den grond en dergelijke schuilhoeken, waar andere duisterlingen
haar tot voedsel dienen.