VIERDE ORDE.

DE SCHORPIOENSPINNEN (Pedipalpi).

Men kent ± 30 soorten van deze zeer zonderlinge Spinachtigen,

uitsluitend bewoners van de tropische gewesten der Oude en der Nieuwe

Wereld. Evenals de Echte Spinnen hebben zij tweeledige kaaksprieten

met klauwvormig eindlid, dat vermoedelijk in gemeenschap staat met

een gifklier. De naam Pedipalpi beteekent, "tasterpooten" en doelt op

de groote lengte en de veelledigheid van den voet der achterste kaken

(of voorste pooten), die aan een "zweep" van een spriet herinnert. Het

11- of 12-ledige achterlijf, hoewel "zittend", is door een insnoering

van het ongelede kopborststuk gescheiden.--Bij de Draadschorpioenen

(Thelyphonidae) zijn de drie laatste achterlijfsleden smal en vormen

een korte buis, die in een lange, veelledige draad met een stinkklier

eindigt. De zweep is betrekkelijk kort en 8-ledig. De kaaktasters

zijn dik, gedrongen en aan 't einde schaarvormig. De afgebeelde

soort bewoont Java en Timor en is zonder den staart 32 mM. lang.--De

Zweepschorpioenen (Phrynidae) hebben een meer spinachtig voorkomen,

missen den staartdraad, maar hebben een buitengewoon lange, veelledige

zweep. De lange kaaktasters eindigen niet in een schaar, maar in een

door stekels omgeven klauw. De afgebeelde soort leeft op San-Domingo

en wordt hier soms in het vandaar uitgevoerde verfhout gevonden.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen · 第 7 / 27 题