DE SCHORPIOENSPINNEN (Pedipalpi).
Men kent ± 30 soorten van deze zeer zonderlinge Spinachtigen,
uitsluitend bewoners van de tropische gewesten der Oude en der Nieuwe
Wereld. Evenals de Echte Spinnen hebben zij tweeledige kaaksprieten
met klauwvormig eindlid, dat vermoedelijk in gemeenschap staat met
een gifklier. De naam Pedipalpi beteekent, "tasterpooten" en doelt op
de groote lengte en de veelledigheid van den voet der achterste kaken
(of voorste pooten), die aan een "zweep" van een spriet herinnert. Het
11- of 12-ledige achterlijf, hoewel "zittend", is door een insnoering
van het ongelede kopborststuk gescheiden.--Bij de Draadschorpioenen
(Thelyphonidae) zijn de drie laatste achterlijfsleden smal en vormen
een korte buis, die in een lange, veelledige draad met een stinkklier
eindigt. De zweep is betrekkelijk kort en 8-ledig. De kaaktasters
zijn dik, gedrongen en aan 't einde schaarvormig. De afgebeelde
soort bewoont Java en Timor en is zonder den staart 32 mM. lang.--De
Zweepschorpioenen (Phrynidae) hebben een meer spinachtig voorkomen,
missen den staartdraad, maar hebben een buitengewoon lange, veelledige
zweep. De lange kaaktasters eindigen niet in een schaar, maar in een
door stekels omgeven klauw. De afgebeelde soort leeft op San-Domingo
en wordt hier soms in het vandaar uitgevoerde verfhout gevonden.