DERDE ORDE.

DE BASTAARDSCHORPIOENEN (Pseudoscorpiones).

De Boekenschorpioen (Chelifer cancroides), die door zijne groote

scharen op een Schorpioen zonder staart gelijkt, herinnert door de

grootte, de kleur en den algemeenen omtrek van het sterk afgeplatte

lichaam aan een Bedwants. Hij houdt zich op in oude huizen, tusschen

stoffige boeken, in portefeuilles van herbariën en in kasten met

insectenverzamelingen. Hier maakt hij zich verdienstelijk door

Stofluizen, Motten, Mijten en andere kleine Gelede Dieren te

verslinden. Bij 't openen van een door hen bewoonde insectenkast

ziet men deze diertjes kreeftachtige bewegingen maken, met even

groot gemak achteruit en zijwaarts als vooruit loopen en met de

lange kaaktasters naar links en rechts telegrafeeren; zij zijn geheel

buiten staat om zich tegen de hen vattende vingers te verweeren. Het

wijfje legt ongeveer 30 eieren en draagt deze aan de buikzijde van

't achterlijf mede.

Andere soorten van nagenoeg dezelfde grootte en vorm leven onder mos,

boomschors, enz. in de vrije natuur.

Bij alle Bastaardschorpioenen (Pseudoscorpiones)--of Schorpioenmijten

(Chelonethi)--is het kopborststuk ongeleed, doch van 2 groeven

voorzien, het achterlijf 11- (zelden 10-)ledig. Bij den voorhoofdsrand

hebben zij 3 of 4 oogen, sommige in 't geheel geen. De kaaksprieten

zijn weinig ontwikkeld en niet voor 't bijten, maar voor 't zuigen

geschikt. Voor 't ademen dienen luchtbuizen met 2 paar ademgaten aan

de buikzijde van de beide eerste achterlijfsringen. Aan het tweede

buikschild komen de beide geslachtsopeningen en ook de afvoeropeningen

van de spinklieren voor.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen · 第 6 / 27 题