DE BASTAARDSCHORPIOENEN (Pseudoscorpiones).
De Boekenschorpioen (Chelifer cancroides), die door zijne groote
scharen op een Schorpioen zonder staart gelijkt, herinnert door de
grootte, de kleur en den algemeenen omtrek van het sterk afgeplatte
lichaam aan een Bedwants. Hij houdt zich op in oude huizen, tusschen
stoffige boeken, in portefeuilles van herbariën en in kasten met
insectenverzamelingen. Hier maakt hij zich verdienstelijk door
Stofluizen, Motten, Mijten en andere kleine Gelede Dieren te
verslinden. Bij 't openen van een door hen bewoonde insectenkast
ziet men deze diertjes kreeftachtige bewegingen maken, met even
groot gemak achteruit en zijwaarts als vooruit loopen en met de
lange kaaktasters naar links en rechts telegrafeeren; zij zijn geheel
buiten staat om zich tegen de hen vattende vingers te verweeren. Het
wijfje legt ongeveer 30 eieren en draagt deze aan de buikzijde van
't achterlijf mede.
Andere soorten van nagenoeg dezelfde grootte en vorm leven onder mos,
boomschors, enz. in de vrije natuur.
Bij alle Bastaardschorpioenen (Pseudoscorpiones)--of Schorpioenmijten
(Chelonethi)--is het kopborststuk ongeleed, doch van 2 groeven
voorzien, het achterlijf 11- (zelden 10-)ledig. Bij den voorhoofdsrand
hebben zij 3 of 4 oogen, sommige in 't geheel geen. De kaaksprieten
zijn weinig ontwikkeld en niet voor 't bijten, maar voor 't zuigen
geschikt. Voor 't ademen dienen luchtbuizen met 2 paar ademgaten aan
de buikzijde van de beide eerste achterlijfsringen. Aan het tweede
buikschild komen de beide geslachtsopeningen en ook de afvoeropeningen
van de spinklieren voor.