TWEEDE ORDE.

DE SCHORPIOENEN (Scorpionina).

Het geheele voorkomen van den Schorpioen stempelt hem tot

een zinnebeeld van arglist en boosaardigheid. Het laatste

achterlijfssegment bevat 2 gifklieren en loopt uit in een gekromden

stekel met twee gif-afvoerende openingen aan de spits. De wonde,

die dit wapen veroorzaakt, is voor kleine dieren steeds noodlottig,

maar brengt soms ook bij groote dieren en bij menschen langdurige

vergiftigingsverschijnselen, of zelfs den dood, teweeg. Guyon vermeldt

vijf gevallen met doodelijken afloop 12 uren na de verwonding

en één geval van onmiddellijken dood door den steek van een zeer

grooten Schorpioen. Het gif is een waterhelder, spoedig opdrogend,

zuur reageerend vocht, oplosbaar in water, onoplosbaar in absoluten

(watervrijen) alcohol en in ether.

De Schorpioenen (Scorpionina) verschuilen zich, evenals de

Duizendpooten, onder steenen, in rottend hout, in spleten van muren

en dergelijke donkere hoeken. Daar zij zeer veel van warmte houden,

komen zij dikwijls voor in menschelijke woningen, waar zij bedden,

kleederen, schoenen en dergelijke warme plekjes tot woonplaats

kiezen. Reizigers, die in de open lucht den nacht doorbrengen, zien,

zoodra zij het overal onontbeerlijke vuur hebben aangelegd, behalve

andere nachtelijke Arthropoden, altijd ook Schorpioenen verschijnen

en moeten zich tegen hen op de een of andere wijze beveiligen. In

dit geval en ook bij het verrichten van werkzaamheden in de vrije

natuur kan het voorkomen, dat een mensch onverhoeds te dicht bij een

Schorpioen komt, die dan gewoonlijk meent zich te moeten verdedigen en

zijn wapen gebruikt. De steek veroorzaakt een zeer pijnlijke, brandende

gewaarwording en heeft ontsteking van de wonde, verlamming, koorts,

flauwten en braking ten gevolge. De vergiftigingsverschijnselen zijn

des te ernstiger, naarmate het dier grooter is, met meer kracht kan

steken en meer gif in de wonde laat vloeien; een grooten invloed op hun

hevigheid hebben ook de prikkelbaarheid van den gewonden persoon en

de weersgesteldheid, daar, zooals bekend is, alle ontstekingsziekten

in warme landen een kwaadaardiger verloop hebben dan in de gematigde

luchtstreken. De Europeesche soorten veroorzaken de minst ernstige

wonden; de Afrikaansche en Aziatische Schorpioenen zijn gevaarlijker,

misschien wegens hun meerdere grootte. Vroeger trachtte men de

genezing van de wonde te bespoedigen door haar te bestrijken met

"schorpioenenolie": olijfolie, waarin men eenige Schorpioenen had

laten sterven; dit wordt nog wel gedaan door personen, die meer

vertrouwen stellen in huismiddeltjes dan in voorschriften van een

geneeskundige. Alkalische geneesmiddelen, zooals ammonia of tabaksasch,

zijn het best geschikt om de pijn te verzachten en de zwelling te

verminderen; het innemen van een kleine dosis ipecacuanha heeft een

gunstigen invloed op de overige ziekteverschijnselen. De inboorlingen

van Afrika, die veel te lijden hebben van den Rotsschorpioen (Scorpio

afer), leggen een stevigen band om de wonde en nemen rust, totdat de

ongesteldheid geweken is. Men heeft opgemerkt, dat het menschelijk

lichaam langzamerhand aan het gif van den Schorpioen gewoon geraakt. De

tweede verwonding veroorzaakt een minder hevig en langdurig lijden dan

de eerste; de derde steek heeft een zwakkere werking dan de tweede. Men

zegt, dat iemand, die de juistheid van deze mededeelingen bij zichzelf

heeft beproefd, het weldra zoo ver bracht, dat hij van den steek

niets anders voelde dan de spoedig verdwijnende pijn van de huidwonde.

Gedurende hunne nachtelijke rooftochten maken de Schorpioenen allerlei

Insecten en Spinnen buit, die hun liefste voedsel uitmaken. Zij loopen

dan zeer vlug en behendig, soms ook zijwaarts of achteruit, waarbij

de staart voortdurend naar boven en naar voren gekromd boven den

rug wordt gehouden en altijd voor den aanval gereed is. Zij grijpen

iedere voor hen geschikte prooi met de scharen der kaaktasters,

lichten haar ondanks alle tegenstribbeling omhoog, bekijken haar

met de oogen, die op het midden van het kopborststuk voorkomen en

maken haar weerloos met een nimmer falenden, van achteren naar voren

gerichten steek in den borstzenuwknoop. Na eenige stuiptrekkingen is

het slachtoffer dood; het wordt naar den bek gebracht en uitgezogen,

niet zelden ook fijn gekauwd en geheel verslonden.

De Schorpioenen leven vooral in de tropische gewesten en in de warmste

gedeelten van den gematigden aardgordel; veel verder dan tot 45°

N.B. strekt hun verbreidingsgebied zich niet uit; in ons vaderland

en Noord-Duitschland komen zij in 't geheel niet voor.

Een van de algemeenste Zuid-Europeesche soorten, die Frankrijk, Spanje,

Barbarije, kortom alle oeverlanden van de Middellandsche Zee bewoont,

de 85 mM. lange, lichtgeel-roode Veldschorpioen (Buthus occitanus),

moge hier de geheele familie vertegenwoordigen. Vóór het lichaam steken

de beide kaaktasters uit; zij eindigen in scharen, welke van die der

Kreeften verschillen, doordat niet de binnen-, maar de buitenvinger

klein en ten opzichte van het uitsteeksel der zoogenaamde "hand"

beweeglijk is. De korte, dikke, van boven niet zichtbare grondstukken

dezer ledematen zijn de kaken. De kaken van het tweede paar, welker

plaatvormige heupen een naar voren gericht uitsteeksel hebben, dat

als onderlip dient, hebben geheel het maaksel van pooten en worden

als zoodanig gebruikt. De stam van den Schorpioen bestaat uit het

vierhoekige, naar achteren eenigszins in breedte toenemende, ongelede

kopborststuk, waarop zonder eenige insnoering het 13-ledige achterlijf

volgt, welks 6 laatste ringen den knobbeligen, 45 mM. langen "staart"

(het "na-achterlijf") vormen, met de aarsopening aan 't einde van 't

voorlaatste en den gekromden gifstekel aan 't einde van 't laatste

lid. Aan de buikzijde van het tweede achterlijfssegment komen de

zoogenaamde kammen voor. Het zijn 2 veelledige, smalle platen met

tandvormige, bij wijze van een kam gerangschikte uitsteeksels, welker

aantal niet onbelangrijk verschilt in verband met de soort, en bij

leden van dezelfde soort allengs toeneemt. Hun eigenlijke beteekenis

is onbekend; waarschijnlijk kunnen zij bij wendingen van het lichaam

en bij de beweging langs steile, gladde wanden, de werking der pooten

ondersteunen. Aan de bovenzijde van het kopborststuk bevinden zich

de oogen: de beide grootste of kruinoogen dicht bij het midden,

de overige 2 à 5 paar (zijoogen) in twee groepen ter rechter en

ter linkerzijde van den voorhoofdsrand. Het lichaam is met harde

chitine-platen bekleed; het rugschild en het buikschild van ieder

segment van het "voor-achterlijf" zijn door zachte vliezen verbonden,

aan den harderen staart echter tot een ring vergroeid. De oppervlakte

is glanzig of dof, meestal ruw, gekorreld of geknobbeld, van lijsten of

kanten voorzien, op sommige plaatsen ook wel met borstels begroeid. De

kleur kan variëeren van lichtgeel door bruin tot zeer donker zwart;

hoogstens vindt men bij hen een zwarte teekening op lichten grond.

De Schorpioenen brengen levende jongen ter wereld. Gedurende de eerste

weken, zoo lang hun uitwendig skelet zacht en licht van kleur is,

blijven zij bij hun moeder; men heeft niet kunnen nagaan, op welke

wijze zij zich in dien tijd voeden. De moeder vermagert intusschen

hoe langer hoe meer en sterft, zoodra de jongen zelfstandig geworden

zijn en zich verspreiden. De door haar talrijk kroost omgeven moeder

levert een zeer eigenaardig schouwspel op; in zeer verschillende

houdingen bedekken de 30 à 50 jongen haar lichaam; vreedzaam leven

deze van aard zoo ongezellige dieren in dit geval bijeen.

De Schorpioenen worden in 4 familiën verdeeld met te zamen ongeveer

100 soorten. Die van de eerste familie (Telegonini) hebben een zeer

smal, dwars gericht, sikkelvormig borstschild. Zij komen uitsluitend

in Amerika en Nieuw-Holland voor en onderscheiden zich door een

glanzige, bijna gladde lichaamsoppervlakte. Dit geldt o.a. van den

Bonten Schorpioen (Telegonus versicolor) uit Brazilië, een glanzig,

zwart en geel gevlekt diertje, dat slechts 28 mM. lang wordt en een

zeer dikken staart heeft, op welks spits, evenals op de vingers van

de scharen, het zwart door rood vervangen is.

Tot de tweede familie (Scorpionini) behooren verreweg de meeste, over

12 geslachten verdeelde soorten. Een groot, 3- of 5-hoekig borstschild,

één reeks van tanden aan elken schaarvinger, 2 of 3 groote en 1 of 2

kleine zijoogen komen bij alle voor. Twee groote bijoogen vindt men

o.a. bij den 70 mM. langen, van boven donkerbruinen, van onderen gelen

Moorschen Schorpioen (Brotheas maurus) en bij den Huisschorpioen of

Karpatischen Schorpioen (Scorpio carpathicus, S. europaeus). Deze is

slechts 35 mM. lang, van boven roodbruin, van onderen, aan de pooten en

aan de spits van den staart geel van kleur. Hij bewoont het Zuiden van

Europa tot aan de Tiroler Alpen en de Karpaten.--Drie groote bijoogen

hebben alle overige soorten. De zwarte Rotsschorpioen, de Ketoengeng

der Javanen (Scorpio afer), kan bijna 16 cM. lang worden; hij bewoont

Afrika en Oost-Indië met de naburige eilanden. De nagenoeg 8 cM. lange

Kaapsche Schorpioen (Opistophthalmus capensis) wordt, evenals al zijne

verwanten, voor zeer vergiftig gehouden; het doffe, roodachtige geel

van de meeste lichaamsdeelen is levendiger en zuiverder van tint op het

rugschild van het kopborststuk vóór de buitengewoon ver achterwaarts

gelegen kruinoogen en op het breede achterste stuk van de "handen".

De leden van de derde familie (Centrurini) hebben een klein, driehoekig

borstschild, tanden op twee reeksen aan den beweeglijken, op één

reeks aan den onbeweeglijken vinger, een doorn onder den wortel van

den gifstekel, hoogstens één klein zijoog naast de 3 groote zijoogen

en een spoelvormige hand aan den schaar der kaaktasters. De zeer

slanke, dunpootige, 37 mM. lange Amerikaansche Schorpioen (Centrurus

americanus) is op grijsgelen grond fraai zwart gevlekt. Donkerder

van kleur en forscher gebouwd, maar tevens zeer slank, is de soms

wel 105 mM. lange Hottentotsche Schorpioen (Centrurus hottentottus).

De Veldschorpioen (Buthus occitanus) behoort tot de vierde familie

(Androctonini), die van de vorige verschilt door het bezit van 3

groote en 2 kleine bijoogen.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 5: De Spinachtigen · 第 5 / 27 题